Academia.eduAcademia.edu

Thomas Metzinger

Hedendaagse Duitse Filosofie, Amsterdam: Boom 2013
Marc Slors
This paper
A short summary of this paper
35 Full PDFs related to this paper

You’re downloading one of Academia.edu’s 23 million free papers.

Academia hosts open access papers, serving our mission to accelerate the world’s research.

Thomas Metzinger Inleiding: Korte biografie en belangrijkste werken Thomas Metzinger (1958) studeerde in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw filosofie, ethnologie en theologie aan de Johann Wolfgang Goethe Universiteit in Frankfurt am Main. De universiteit van Frankfurt was, zeker in de jaren ’80 van de vorige eeuw, een bolwerk van continentale politieke filosofie. In deze onwaarschijnlijke context ontwikkelde Metzinger een diepe belangstelling voor de angelsaksische philosophy of mind. Die had vanaf de jaren ’50 een enorme bloei gekend in Engeland, Australië en Amerika, waarvan in de jaren ‘80 nog zo goed als niets was door gedrongen tot de Duitse filosofische faculteiten. Ondanks dat gegeven schrijft Metzinger zijn proefschrift, in Frankfurt, geheel in analytisch filosofische stijl over het kernonderwerp van de philosophy of mind, het lichaam- geest probleem. In 1985, het jaar van zijn promotie, verschijnt zijn proefschrift als boek, Neuere Beiträge zur Diskussion des Leib-Seele-Problems. Na zijn promotie verhuist Metzinger naar de Justus-Leibig Universiteit in Giessen waar hij werkt aan zijn Habilitation—een uitgebreide proefschift-achtige proeve van bekwaamheid die, zeker in die tijd, in Duitsland vereist is om aan een universiteit te kunnen doceren. In 1992 habilteert hij en in 1993 verschijnt zijn tweede boek Subjekt und Selbstmodell. In dit boek, dat de basis legt voor zijn verdere werk, spitst Metzinger zich toe op het probleem van bewustzijn (zie volgende paragraaf). Hij behoort inmiddels tot de groeiende groep analytische philosophers of mind die zich hard maakt voor een intensieve samenwerking tussen filosofie en cognitieve neurowetenschap. In 1995 is hij, samen met onder anderen David Chalmers—die het probleem van bewustzijn midden jaren ‘90 wereldwijd prominent op de filosofische agenda zet—oprichter van de Association for Scientific Study of Consciousness (ASSC). In datzelfde jaar redigeert hij een belangrijke bundel artikelen over bewustzijn, Conscious Experience. Door van deze bundel direct een Duitse vertaling uit te geven draagt Metzinger bij aan de tegen die tijd explosieve groei van de philosophy of mind (‘Philosophie des Geistes’) in Duitsland. In 2000 redigeert hij opnieuw een belangrijke bundel artikelen op het snijvlak van philosophy of mind en neurowetenschappen, Neural Correlates of Consciousness: Empirical and Conceptual Questions. In datzelfde jaar wordt Metzinger benoemd als hoogleraar Filosofie van de Cognitiewetenschappen in Osnabrück, maar wisselt hij binnen enkele maanden naar een leerstoel Theoretische Filosofie aan de Johannes Gutenberg Universiteit in Mainz. In 2003 verschijnt zijn magnum opus, het 700 pagina’s dikke Being No One: The Self- Model of Subjectivity. Het boek is controversieel, mede vanwege zijn titel, maar invloedrijk vanwege de onvoorstelbare grondigheid waarmee het bewustzijnsprobleem wordt aangepakt. Metzinger combineert een scherpe analytisch filosofische vaardigheid met een fijnmazig fenomenologisch observatievermogen en een encyclopedische kennis van de neurowetenschappen. Zes jaar later verschijnt een meer toegankelijke versie van zijn visie op bewustzijn, The Ego Tunnel: The Science of the Mind and the Myth of the Self, wederom zowel in het Engels als in het Duits. Naast boeken heeft Metzinger een lange serie artikelen gepubliceerd en voerde hij de redactie over een driedelige Grundkurs Philosophie des Geistes. Behalve directeur van de afdeling Theoretische Filosofie in Mainz is hij adjunct fellow van het Frankfurt Institute for Advanced Studies. Het Bewustzijnsprobleem In 1974 schrijft de New Yorkse filosoof Thomas Nagel een artikel dat met recht gezien kan worden als de belangrijkste aanzet tot het hedendaagse filosofische debat over bewustzijn (Nagel 1974). Het artikel draait om een voorbeeld van een zintuig dat mensen niet hebben, echolocatie bij vleermuizen. Vleermuizen zenden piepjes uit en vangen de weerkaatsing daarvan door objecten in hun omgeven op. Uit het tijdsverschil tussen het verzenden en opvangen van die piepjes en de richting van het weerkaatste geluid bouwen ze een ‘beeld’ van hun fysieke omgeving op, zonder gebruik te maken van hun ogen. Het belangrijke punt dat Nagel maakt is dat zelfs als we alles zouden weten over de neurofysiologie van echolocatie we toch iets essentiëels missen over het bewustzijn van vleermuizen: hoe het ‘van binnenuit voelt’ om echolocatie te hebben. Wat we missen in een objectieve neurowetenschappelijke beschrijving van bewustzijn is precies de subjectiviteit van ervaring—het vleermuisvoorbeeld maakt dat pregnant duidelijk. Het bewustzijnsprobleem is dit: hoe kunnen we subjectiviteit begrijpen in termen van een wetenschappelijke en dus objectieve theorie? Om de eigenheid van Metzinger’s aanpak van dit probleem te zien is het goed eerst kort iets te zeggen over bestaande benaderingen in de tijd dat Metzinger zich met dit probleem gaat bezighouden. Invloedrijke argumenten van met name de Australische filosofen Frank Jackson en David Chalmers draaien om het idee dat de essentie van bewustzijn (of althans het soort bewustzijn dat Nagel’s probleem veroorzaakt) ligt in de intrinsieke subjectieve kwaliteit van ervaringen: het zien van de kleur rood, het proeven van de smaak van koriander, het voelen van pijn of jeuk, het ervaren van emoties, etc. Veel van hun argumenten lijken te laten zien dat deze subjectieve kwaliteiten onmogelijk te vangen zijn in een objectieve, fysicalistische theorie van het mentale (Jackson 1982, 1986; Chalmers 1996). Aangezien de meeste analytische filosofen fysicalist zijn (en dus niet geloven dat er niet-fysische entiteiten zoals zielen bestaan) draait een groot deel van het debat om de vraag wat er mis is met deze argumenten en met name met deze karakterisering van bewustzijn. Sommige filosofen kiezen er onder invloed van de metafoor van de geest als computerprogramma voor om bewustzijn vooral te begrijpen in functionele termen, dat wil zeggen op ‘programma’-niveau. Een belangrijk voorbeeld daarvan is om bewuste toestanden te begrijpen als ‘hogere orde’ mentale toestanden: denken aan de paashaas is pas bewust als je ook denkt dat je aan de paashaas denkt (Harman 1990; Levine 2001). Anderen staan voor een intentionele theorie van bewsutzijn en proberen bewustzijn vooral te karakteriseren in termen van datgene waarvan we ons bewust zijn (Tye 1997; Dreske 1995). Zo is pijn bijvoorbeeld geen intrinsieke kwaliteit van ervaring, maar de gewaarwording van weefselschade. Metzinger’s benadering is verwant aan deze beide alternatieven van de focus op intrinsieke subjectieve kwaliteiten. Zijn benadering richt zich onder meer op een functionele karakterisering van bewustzijn, juist omdat op het functionele niveau van beschrijving de connectie tussen filosofie en neurowetenschap het beste te maken is. Daarnaast is zijn karakterisering van bewustzijn duidelijk intentioneel: het gaat hem om een karakterisering in termen van dat wat we ervaren. Maar precies in die karakterisering wijkt Metzinger’s af van andere bewustzijnsfilosofen. Wat onze bewuste ervaringen tot subjectieve ervaringen maakt, volgens Metzinger, is een gevoel van eigenaarschap, het gevoel dat gedachten, waarnemingen en handelingen je eigen gedachten, waarnemingen en handelingen zijn. Oftewel, het gevoel iemand—een ‘zelf’—te zijn die denkt, waarneemt en handelt. Deze benadering noemt hij de zelf-model theorie van subjectiviteit. De ervaren wereld en het ervaren zelf De zelf-model theorie van subjectiviteit is in de eerste plaats Metzinger’s karakterisering van wat hij als het belangrijkste explanandum van een wetenschappelijke theorie van bewustzijn ziet. In het grootste gedeelte van zijn werk richt hij zich op het analyseren van alle aspecten en verschijningsvormen van dat gevoeli, zodanig dat een neurowetenschappelijke verklaring daarvan mogelijk wordt. Cruciaal daarbij is dat Metzinger’s zijn verklaringen voor ons gevoel een zelf te zijn geeft tegen de achtergrond van de overtuiging dat wij in werkelijkheid geen zelf of subject zijn. Er bestaan geen subjecten of zelven in deze wereld, aldus Metzinger. Voordat ik (in de volgende paragraaf) kan uitleggen dat hier geen spanning in Metzinger’s denken zit is het allereerst belangrijk om zijn representationele kijk op bewustzijn toe te lichten. Het fundamentele uitgangspunt van Metzinger’s denken is dat onze fenomenologie, datgene wat we bewust ervaren, in zijn woorden ‘Cartesiaans’ is.ii Dat wil allereerst zeggen dat ons contact met de externe wereld altijd indirect is. De wereld zoals we die ervaren is niet de wereld zoals die buiten ons bestaat, maar de wereld zoals ons brein die representeert. Wij nemen niet de wereld zelf waar. De wereld is oneindig veel complexer dan wat wij ervan waarnemen. Wat we waarnemen is ons eigen wereld-model (Metzinger 2003: 213-264). Alle opeenvolgende ervaringen van mijn model-wereld vormen een soort ‘tunnel’ door de werkelijkheid; de ‘virtuele’ wereld van mijn eigen bewuste ervaringen die zich als een soort worm door de tijd-ruimte een weg baant (Metzinger 2009: 25-50, 104). Het specifieke aan deze ‘bewustzijnstunnel’ is dat deze gecentreerd is. Er is, stelt Metzinger in navolging van Descartes, altijd een ‘ik’ of een ‘zelf’ aanwezig die het centrum vormt van mijn ervaren werkelijkheid, die het subject is dat ervaringen heeft, gedachten denkt en handelingen initiëert. Het gaat daarbij niet om een zelf als mogelijkheidsvoorwaarde voor het hebben van ervaringen (zoals Kant dacht) of een zelf dat ‘achter de horizon van onze ervaring’ verdwijnt, zoals een oog dat zichzelf niet kan zien (zoals Wittgenstein dacht). Metzinger’s zelf is concreet ervaarbaar. Het is, in jargon, een fenomenaal zelf. Een belangrijk deel van Being No One bestaat uit een uitermate fijnmazige analyse van wat het precies betekent dat informatie fenomenaal—concreet ervaarbaar—is. Metzinger legt daarvoor criteria aan zoals dat informatie in ons brein globaal toegankelijk moet zijn voor deliberatie of het besturen van ons handelen, dat de informatie altijd nu voorhanden is, dat informatie bijna altijd in een dynamische ‘flow’ bestaat, dat de informatie altijd vanuit een specifiek perspectief toegankelijk is, etcetera. De in totaal 10 criteria worden door Metzinger vervolgens met analytisch vernuft, fenomenologische grondigheid en een diepgaande kennis van de neurwetenschappen op vijf verschillende beschrijvingsniveau’s (fenomenologisch, representationeel, computationeel, functioneel en neurobiologisch) toegepast op de ervaring van ons zelf. Het resultaat is een overdonderend gedetailleerde beschrijving van de manier waarop wij onszelf als subject, als actor, als denker ervaren en hoe die ervaring in ons brein gerealiseerd is. Die ervaring is gelaagd. Dat wil zeggen dat we onszelf op verschillende manieren als zelf ervaren. De meest basale zelf-ervaring—dat wat Metzinger in navolging van wetenschappers als Antonio Damasio (1994) en fenomenlogen als Dan Zahavi (2005)—het ‘minimale zelf’ noemt, is de ervaring van het eigen lichaam in het nu-moment als centrum van een perspectief op de wereld. Het zelf als fenomenaal model Het zelf—in welke hoedanigheid dan ook—is een integraal onderdeel van mijn ervaring. Mijn virtuele bewustzijnstunnel door de werkelijkheid is daarmee, in Metzinger’s jargon, een ‘ego-tunnel’. Aangezien de inhoud van die tunnel altijd een model-karakter heeft (zie vorige paragraaf) is de implicatie daarvan dat het zelf dat ik ervaar ook een model is. Metzinger noemt dit het fenomenale zelf model. En net zoals ons model van de wereld veelal niet correspondeert met de werkelijkheid zelf (de wereld heeft bijvoorbeeld niet echt kleuren, maar slechts licht in verschillende golflengten) zo correspondeert mijn zelf-model niet met een werkelijk bestaand zelf. Dat kan verwarrend lijken, juist omdat een minimaal zelf door Metzinger beschreven wordt in termen van een ervaren tijd-ruimtelijk gesitueerd lichaam. Toch is ook dat ervaren lichaam een model, in Metzinger’s optiek. Om dat duidelijk te maken doet Metzinger een beroep op een aantal opmerkelijke neurowetenschappelijke experimenten en observaties. De zogenaamde ‘rubberen hand illusie’ (Botvinick en Cohen 1998), waarin mensen gemakkelijk snel een rubberen hand als de eigen hand ervaren, en het verschijnsel van fantoomledematen, waarin mensen op allerlei manieren geamputeerde ledematen voelen laten zien hoe een ervaren lichaam niet hoeft samen te vallen met een werkelijk bestaand eigen lichaam. De meest radicale vorm van dit soort dissociatie is het ervaren van een niet-bestaand lichaam in zogenaamde uittredingservaringen. In zulke ervaringen, voelen mensen zichzelf als een virtueel lichaam—een ziel—die uit het stoffelijke lichaam treedt en naar dat lichaam kijkt. Metzinger’s eigen uittredingservaringen, uitgebreid beschreven in The Ego Tunnel, in combinatie met zijn aan de analytische philosophy of mind ontleende overtuiging dat er geen immateriële zielen bestaan, liggen zonder meer deels ten grondslag aan zijn theorie van het fenomenale zelf-model (Metzinger 2009: 84-85). Mijn fenomenale zelf model is, overigens, niet genoeg om mijn bewustzijn subjectief te maken. Daarvoor is ook vereist dat mijn fenomenale zelf model zich verhoudt tot mijn wereld-model. Pas dan kan ik mijzelf ervaren als een subject dat de wereld waarneemt, over de wereld kan denken en in de wereld kan handelen. Metzinger noemt de ervaring van mijzelf in relatie tot mijn wereld het fenomenale model van de intentionele relatie. Een uiteindelijke wetenschappelijke verklaring van bewustzijn zal moeten bestaan uit de identificatie van het neurale correlaat van ons fenomenale zelf model en ons fenomenale model van de intentionele relatie. Metzinger verwacht dat de belangrijkste stappen in die richting tegen het midden van deze eeuw gezet zullen zijn (Metzinger 2009: 48). Van neuroethiek naar bewustzijnsethiek In het afgelopen decennium zijn, als gevolg van de snelle opmars van de cognitieve neurowetenschappen, een groeiend aantal filosofen zich gaan bezighoude met z.g. ‘neuroethiek’. Niet alleen zijn er ethische vragen te stellen over de toelaatbaarheid van bepaalde experimenten of het beschikbaar komen van middelen om ons cognitieve functioneren te verbeteren. Ook de neurowetenschappen zelf leren ons steeds meer over de aard en oorsprong van onze morele overwegingen. Op basis van zijn theorie van bewustzijn stelt Metzinger voor om neuroethiek uit te breiden met een specifieke tak: bewustzijnsethiek (Metzinger 2009: 187-239). Het gaat daarbij om de morele en existentiële consequenties van zijn eigen denken, waarvan sommigen verassend zijn. Ik beperk me hier tot één voorbeeld. Metzinger betoogt dat het mogelijk is om artifiëel bewustzijn te maken. Het gaat dan om zogenaamde ‘ego machines’. Hij is daarin niet alleen. Filosofen als Daniël Dennett betogen dit al decennia lang. Dennett heeft zelfs uitgebreid meegewerkt aan het maken van een bewuste Robot (Dennett 1995). Maar—en hierin verrast Metzinger—in feite is dit een onethische onderneming.iii Kunstmatige ego-machines zijn machines met een zelf-model dat ze kunnen betrekken op hun wereld-model. Als het mogelijk is om zulke systemen te bouwen—en daarvoor ziet Metzinger geen principiële obstakels—hebben zulke machines, aldus Metzinger, een gevoel van eigenaarschap. Hun waarnemingen zijn hun waarnemingen, hun gedachten zijn hun gedachten. En daarmee kunnen ze ook lijden, omdat ze negatieve emoties, of gewaarwordingen ook als ‘van zichzelf’ kunnen ervaren. Metzinger: ‘Een systeem dat niet aan zichzelf verschijnt kan niet lijden, omdat het geen gevoel van eigenaarschap heeft.’ (Metzinger 2009: 193). Op zichzelf hoeft dit geen belemmering te zijn voor het bouwen van ego-machines. Maar, en hier toont Metzinger zich realistisch, de eerste ego- machines zullen verre van perfect zijn. Simpelweg omdat er we niet alle technische obstakels in het bouwen van dergelijke machines kunnen voorzien. De eerste ego machines zullen dus verre van volmaakt zijn. En dat zullen ze zelf weten. Niet alleen dat weten, maar wellicht ook andere technische onvolkomenheden kunnen een bron van lijden zijn voor de eerste ego-machines. Metzinger vergelijkt het bouwen van ego-machines met het uitvoeren van een experiment waarin wetenschappers met opzet gemankeerde babies geboren laten worden. Het pleit voor Metzinger dat hij zijn theorie tot op de uiterste maatschappelijke consequenties onderzoekt. Maar als normatief ethische theorie fungeert Metzingers bewustzijnsethiek tegen de achtergrondaanname van een theorie over bewustzijn die, ondanks zijn grondigheid en scherpzinnigheid, nog steeds controversiëel is. Al is het alleen al omdat veel filosofen niet aan Metzinger’s eindconclusie willen: wij zijn, objectief bezien, niemand. Literatuur Botvinick, M. en Cohen, J. ‘Rubber hands ‘feel’ touch that eyes see’, Nature nr. 391, (1998) 765. Chalmers, D. (1996), The Conscious Mind, in Search of a Fundamental Theory. Oxford: Oxford University Press. Damasio, A. (1994), Descartes Error: Emotion, Reason and the Human Brain. New York: Putnam. Dennett, D.C. (1995), ‘Cog: Steps towards consciousness in robots’, in T. Metzinger, Conscious Experience. Thorverton: Imprint Academic. Dretske, F. (1995), Naturalizing the Mind. Cambridge MA.: MIT Press. Harman, G., ‘The intrinsic quality of experience Philosophical Perspectives nr. 4, (1990) 31-52. Jackson, F., ‘Epiphenomenal Qualia’, The Philosophical Quartely nr. 32, (1982) 127-36. Jackson, F., ‘What Mary Didn’t Know’, The Journal of Philosophy nr. 83, (1986) 291-5. Levine, J. (2001), Purple Haze: The Puzzle of Consciousness. New York: Oxford University Press. Metzinger, T. (1985), Neuere Beiträge zur Diskussion des Leib-Seele-Problems. , Frankfurt am Main: Peter Lang. Metzinger, T. (1993), Subjekt und Selbstmodell. Die Perspektivität phänomenalen Bewußtseins vor dem Hintergrund einer naturalistischen Theorie mentaler Repräsentation. Paderborn: Mentis. Metzinger, T. (1995), Bewußtsein. Beiträge aus der Gegenwartsphilosophie. Paderborn: Mentis. Metzinger, T. (1995), Conscious Experience. Thorverton: Imprint Academic. Metzinger, T. (2000), Neural Correlates of Consciousness. Empirical and Conceptual Questions. Cambridge, MA.: MIT Press. Metzinger, T. (2003), Being No One. The Self-Model Theory of Subjectivity. Cambridge, MA.: MIT Press. Metzinger, T. (2009), The Ego Tunnel. The Science of the Mind and the Myth of the Self Basic Books. New York: Basic Books Metzinger, T. (2009), Der Ego-Tunnel - Eine neue Philosophie des Selbst. Von der Hirnforschung zur Bewusstseinsethik. Berlin: Berlin Verlag. Nagel, T., ‘What is it like to be a bat?’, Philosophical Review nr. 83, (1974) 435- 450. Tye. M (1997), Ten Problems of Consciousness. Cambridge, MA.: MIT Press. Zahavi, D. (2005), Subjectivity and Selfhood: Invesitgating the First-Person Persective. Cambridge MA.: MIT Press. Noten i ‘Gevoel’ is hier de wat onhandige vertaling van het Engelse ‘sense’ in ‘the sense of ownership’. ii Interview met Metzinger in het tijdschrift Collapse (Vol. V, 2009), p. 194. iii Dennett’s robot Cog is overigens gebouwd vanuit een andere bewustzijnstheorie dan die van Metzinger en daarom vanuit Metzinger’s perspectief niet werkelijk bewust.