Levinas. Mijn menselijkheid schuilt in de ander
Emmanuel Levinas1 werd in 19062 geboren, als zoon van een joodse boekhandelaar in de tweede stad
van Litouwen, Kovno (= Kaoenas). Hij groeide op in een omgeving waarin antisemitisme alom en perma-
nent aanwezig was, ook van staatswege. Er waren weliswaar geen pogroms in Kovno, zoals in de meeste
andere steden van het Russisch imperium, maar toch moest je je als jood gedeisd houden. Orthodoxe
Russen hadden er bijvoorbeeld schik in joodse mannen aan hun baard te trekken. Dan was het zaak je
vooral niet te verzetten, wilde je niet wegens ordeverstoring worden opgepakt. De verhalen gingen 'dat
de joden Litouwen letterlijk hadden overspoeld en dat ze de hele natie met brandewijn zouden hebben
vergiftigd, als de priesters de drankzuchtige gelovigen niet met het hellevuur hadden bedreigd.'3
De jonge Emmanuel raakte al vroeg vertrouwd met de Hebreeuwse Bijbel (tweemaal per week
kwam een leraar aan huis om de Bijbel te onderwijzen) en de Russische klassieken (ondermeer Poesjkin,
Tolstoj en Dostojevski). Hij was tien toen de Duitsers Litouwen overrompelden. Het gezin vluchtte naar
Kharkov in de Oekraïne. Emmanuel bezocht er het gymnasium en maakte er de Russische revolutie mee.
Op zeventienjarige leeftijd ging hij in Straatsburg filosofie studeren. In 1928 en 1929 liep hij in Freiburg
college bij de grote Duitse filosofen Edmund Husserl (1859-1938) en Martin Heidegger (1889-1976). Levi-
nas had grote bewondering voor hen, maar keerde zich toch geleidelijk van hen af, omdat hij hun filoso-
fie te onpersoonlijk en te abstract vond. Hij voelde zich zeer aangetrokken tot de Franse christelijk-
existentialistische filosoof Gabriel Marcel (1889-1973). In 1931 werd hij Frans staatsburger en ging les
geven aan een opleiding voor joodse leraren.
In mei 1940 werd Levinas, die inmiddels als adjudant-tolk in het leger werkte, opgepakt en als
krijgsgevangene ondergebracht in een Duitse Stalag. Hij leerde twee Franse priesters kennen en raakte
onder de indruk van hun onbaatzuchtigheid: iedereen kon bij hen met zijn problemen terecht. In 1945
kwam hij vrij. Samen met zijn vrouw en kinderen, die tijdens de oorlog ondergedoken waren geweest in
een klooster, probeerde hij een nieuwe toekomst op te bouwen. Al gauw werd hij geconfronteerd met
het ondraaglijke: zijn familie bleek door de nazi's te zijn uitgeroeid. Voortaan leefde hij met een 'tumor
in het geheugen': de holocaust. Het probleem van het lijden van de onschuldige zou hem niet meer los-
laten.
In 1946 nam Levinas de leiding van de École Normale Israélite Orientale op zich en begon filosofie
en de talmoedische teksten te onderwijzen. Hij deed van zich spreken in de jaren zestig, na de publica-
tie van zijn eerste hoofdwerk, Totalité et Infini (De totaliteit en het oneindige). Het bezorgde hem een
professoraat aan de universiteit van Poitiers en in 1967 van Parijs-Nanterre. In 1971 werd Levinas in
Amsterdam in tegenwoordigheid van koningin Juliana de Albert Schweitzerprijs uitgereikt voor zijn ver-
diensten op het gebied van de cultuurfilosofie. Van 1973 tot 1976 was hij hoogleraar aan de Sorbonne.
Hij publiceerde zijn tweede hoofdwerk: Autrement qu'être (Anders dan zijn, 1974). Een jaar later kreeg
hij in Leiden het eredoctoraat in de theologie als erkenning van zijn baanbrekend werk op het terrein
van de godsdienstwijsbegeerte. Op 25 december 1995 overleed hij te Parijs.
Levinas wist zich voortdurend geïnspireerd door de Tenach (de Hebreeuwse bijbel) en de Talmoed (rab-
bijnse aanvullingen op de Tenach). Hij ontwierp op diepgaande en zeer oorspronkelijke wijze een mens-
beeld dat in onze tijd van het grootste belang is. De kern van zijn filosofie bestond in ethiek. De vraag
naar gerechtigheid ging bij hem vooraf aan de vraag naar het Zijn.
In het denken van Levinas stond niet het 'ik' of zoiets als 'de wereld' centraal, maar de ander. Voor hem
gold 'dat de ander altijd belangrijker is dan ik'4: Wat ik ben, wordt bepaald door de ander die mij als het
ware gijzelt door een appèl te doen op mijn verantwoordelijkheid voor hem/haar. Dit appèl geeft mijn
leven inhoud en zin. 'Mijn menselijkheid schuilt in de ànder, dáár wordt ze aan de orde gesteld, daar
wordt ze waar gemaakt! In het naakte gelaat van de ander wordt mijn leugen aan de kaak gesteld, en
verschijnt (epiphanie!) de Waarheid die mijn waarheid is.'5
Het geven is het middelpunt van de relatie tot de ander. 'Dat rechtvaardigt het bestaan van de
materiële wereld. Ze maakt het mogelijk dat er überhaupt een tussenmenselijke relatie tot stand
komt.'6 De wereld heeft zin, omdat de ander zin heeft.
Volgens Levinas is er kwaad in de wereld, onder meer omdat een mens van zichzelf houdt (zich door
1
niets en niemand laat beperken, maar onbekommerd en ongestoord gelukkig is in zijn/haar egoïsme) en
kwetsbaar (verwondbaar, manipuleerbaar) is. Egoïsme en kwetsbaarheid zijn niet alleen maar negatief
te duiden. Ze zijn ook voorwaarde van verantwoordelijkheid: vanuit je zijn als een kwetsbaar geluk kun
je pas invoelen dat anderen zichzelf ook zo ervaren; alleen als je van het leven kunt genieten, kun je
begrijpen dat anderen dat ook willen; zonder genieten geen compassie. Voor verantwoordelijkheid is
echter een derde voorwaarde vereist: getroffen kunnen worden door de ellende van een ander. Deze
'ethische raakbaarheid' staat haaks op egoïsme.
'Geraakt worden door het lijden van anderen wil zeggen: opgeroepen worden tot herstel van hun
geluk. Wat dat geluk inhoudt, wordt in eerste instantie slechts bepaald door de mens tegenover mij.
Zonder meer ingaan op wat een ander vraagt, is al te simpel. Want de samenleving bestaat uit vele an-
deren (derden). Vandaar de volgende overwegingen: 1. Moet ik op zijn appèl ingaan of voor mijzelf kie-
zen? Dat laatste is van belang, minstens om een burn-out te voorkomen. Verantwoordelijkheid is dus
niet hetzelfde als zelfopoffering. 2. Waarom zijn geluk bevorderen, en niet dat van anderen? Met andere
woorden: hoe verdeel ik mijn zorg over vele anderen? 3. Als ik zijn geluk bevorder, wat zijn dan de ge-
volgen voor anderen? Moet je bijvoorbeeld een lustmoordenaar ter wille zijn?
Daarnaast moet ik, om geluk van derden te bevorderen, mensen verantwoordelijk stellen, door al-
le eventuele afstomping en verminking heen. Zo'n strenge benadering - de erkenning dat een mens om-
standigheden heeft, en niet is - is humaner dan mensen als speelbal van hun omstandigheden zien.'7
Denken was voor Levinas: theoretiseren ten dienste van iemands geluk. Vanuit de theorie kunnen regels,
politieke systemen, instituties, enzovoort ontwikkeld worden op grond waarvan mensen zo vrij mogelijk
samen kunnen leven, met ruimte om het eigen geluk te verwerkelijken. Mensen zijn niet in staat voor
elkaar het geluk te realiseren. Samenlevingen die het geluk of zelfs de rechtvaardigheid tot in details
proberen te organiseren, vervallen uiteindelijk altijd tot totalitarisme.
Volgens Levinas gaat 'ethische ervaring' vooraf aan kennis van het goede en aan goed handelen. Levinas
duidde de ethische ervaring aan als 'de ervaring van het gelaat van de ander'. 'De ander' was voor Levinas
vooral de wees, de weduwe, de vreemdeling, de zwerver, kortom de noodlijdende, de hulpbehoevende.
De ander is de volstrekt andere. Dat moet ik aanvaarden. Ik kan de ander niet reduceren tot een uitgave
van mezelf. 'De ander' past niet in mijn bekijken, overzien, samenvatten, berekenen, vergelijken, defi-
niëren, manipuleren en beredeneren; de andersheid van de ander verliest haar eigen karakter zodra ik
haar door zo'n activiteit wil vangen. De ander laat zich niet be-grijpen. De enige adequate manier om de
ander te nemen zoals hij/zij is, bestaat in hoogachting en dienstbaarheid. Alleen daardoor krijgt de
andersheid van de ander de kans zich aan mij voor te doen, mij aan te spreken, mij te raken.
De ander spreekt mij aan. Niet figuurlijk, zoals een boek of een kunstwerk mij aanspreekt, maar
zeer concreet: de mens spreekt mij aan en zodoende openbaart hij/zij zich aan mij als 'gelaat'. Dat wil
zeggen: hij/zij geeft zich te kennen als een volstrekt uniek wezen dat zich door mij niet kan laten in-
kapselen, en mij oproept hem/haar te vrijwaren van laster of hem/haar niet te vereenzelvigen met een
partij, een ideologie of zelfs maar een beroepsgroep. 'Het gelaat van de ander' is: dat wat in een ander
om respect vraagt, dat wat hem/haar onschendbaar maakt. 'Gerechtigheid is de erkenning van de ander
als ander.'8 De ander als ander erkennen is hem/haar benaderen vanuit zijn/haar zelfopenbaring, is ant-
woorden op de vraag: wie is hij/zij? Enkel de wie-vraag getuigt van authentieke erkenning. Het enige
antwoord op die vraag is het opnemen van verantwoordelijkheid in gerechtigheid: de ander de plaats
gunnen die hem/haar in zijn/haar andersheid toekomt.
De ervaring van het gelaat van de ander heeft het karakter van een gebod of appèl; ze is ongrijp-
baar: ze kan niet opgeroepen of beheerst worden door degene die dit appèl ontvangt. Goedheid komt
niet uit mezelf, maar is een antwoord op het appèl dat op me wordt gedaan. Dit appèl verheft me tot
een goedheid die ik van nature niet in me heb. 'Het gelaat van de ander provoceert mij tot hoogachting
waardoor een ander zelfstandig bestaan zich kan installeren in een wereld die aldus niet langer de mijne
is. Daardoor ontdek ik dat ik geen inhalig dier ben, maar bestemd voor een schenkend en dienend be-
staan.'9
Volgens Levinas is een direct kennen van God onmogelijk. God is slechts kenbaar via het gelaat, dus via
de ander. In het gelaat geeft de Oneindige zich te kennen. 'De ware religie is niet een beweging naar
omhoog, maar de aanvaarding van en de verantwoordelijkheid voor de andere mens als de Ander in
2
wiens Gelaat God zichtbaar wordt.'10 Het gelaat is niet een gelaatsuitdrukking, maar de op mij afkomen-
de Naaste, die gezag uitoefent in het vertolken van de tora (de 'onderwijzing' voor leven). Ik kan God
niet anders benaderen dan via de relatie met de Ander. Als die relatie 'gebeurt' in concrete daden, dan
is daar de openbaring van God. Anders gezegd: Gods openbaring is 'aanwezig in de ethische verhouding
van de Ander en Ik.'11 De Ander die als vertegenwoordiger van de tora mij benadert is bemiddelaar tus-
sen God en mij. 'God verheft zich tot zijn meest verheven en uiteindelijke tegenwoordigheid naarmate
er aan de mensen recht wordt gedaan.'12
Nooit kan ik over de Ander beschikken. Nooit kan ik de Ander brengen onder een bepaalde noe-
mer. Er blijft een gescheidenheid op grond van de relatie en een relatie dankzij de gescheidenheid.
Slechts dankzij het respecteren van de ander als Ander is het mogelijk een relatie optimaal te beleven.
'Het gelaat van de Ander komt in mijn wereld binnen als iets absoluut vreemds. Even vreemd als de ge-
boorte uit een mij volstrekt onbekend niets. Even vreemd als de dood die een overgang is naar een voor
mij onvoorstelbaar niet-meer-zijn.'13 De Ander staat volledig buiten mij. Hij/zij komt op mij af als een
volstrekt weerloze in wiens ogen te lezen staat: je zult niet doden. 'Hij voert geen dialoog met mij,
maar is de stem die gehoord wil worden, de stem die onderricht en mijn vrijheid ter discussie stelt. Zijn
verschijning van de belichaamt een principiële kritiek op het machtsdenken over de Ander.'14
De verhouding tot de Ander is een ethische verhouding. De Ander maakt mij vrij, omdat hij/zij mij in
staat stelt te kiezen voor hem/haar. 'Ik kom pas werkelijk met het andere in aanraking, ik merk pas
goed hoezeer ik een in mijzelf opgesloten bestaan leid, als dit doorbroken wordt door de Ander, die een
beroep doet op mijn hulp en bijstand.'15 Dankzij de Ander kan ik uit mijn beperkte zelfgenoegzaamheid,
uit het gesloten cirkeltje van het Ik, treden. Ik heb jegens de Ander een verplichting zonder dat iemand
mij kan vervangen. 'Mijn werkelijke vrijheid wordt gesticht en gerechtvaardigd door het beroep dat op
mijn verantwoordelijkheid wordt gedaan, zonder geweld, met een dwangloze dwang. Iets zegt mij te
antwoorden, belangeloos, want ik weet niets en kan het geheim niet kennen. Er wordt mij gevraagd iets
op me te nemen en of ik dat kan, dat is de essentie van mijn vrijheid.'16 Ik kan en mag mij niet onttrek-
ken aan het appèl van mijn Naaste. Ik kan de kwetsbaarheid niet te boven komen. Zij is mijn eerste vri-
jheid die dieper reikt dan de vrijheid van het soevereine Ik. Als ik de Ander niet serieus neem, sta ik
schuldig. Luister ik naar hem/haar, aanvaard ik hem/haar als de Ander die een beroep op mij doet, dan
opent zich voor mij de weg van de gerechtigheid. Wanneer ik mij laat leiden door de wil tot gerechtig-
heid, ben ik niet langer opgesloten in mijzelf, maar dan openbaart zich de diepmenselijke trek van de
gastvrijheid, die de voorwaarde is van een levende medemenselijkheid, grondslag van samenleven en
samenwonen in een naar gerechtigheid dorstende wereld. Op het fundament van de gerechtigheid kan
een nieuwe wereld opgetrokken worden van vrede en menselijkheid.
Het antwoord op het appèl van de Ander is de liefde. Liefde is niet zomaar een daad. De liefde ben ik
zelf. Zo is de liefde de realisering van de vrijheid. In het appèl van het gelaat en in het antwoord van de
liefde vindt het goede plaats.
'Bezig zijn met Levinas is een leerproces. Het houdt in het afleren van machtsdenken, ook het
denken van een machtige God die als een soort natuurkracht heerst. Het houdt in het steeds weer ont-
dekken van de ander. En het helpt om steeds opnieuw in elke situatie te zoeken wat de rechtvaardigheid
dient.'17
© Leen den Besten,
Zevenaar, 21 januari 2013.
1
Hoewel het werk van Levinas razend ingewikkeld is, vindt het toch in Nederland grote weerklank, getuige de vele
vertalingen ervan. Bij Ambo te Baarn verscheen
o Het menselijk gelaat (1969)
o De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit (1987)
o Van het zijn naar de zijnde (1988)
o De tijd en de ander (1989)
o De plaatsvervanging (1989)
o Anders dan zijn of het wezen voorbij (1991)
o Tussen ons. Essays over het denken-aan-de-ander (1994)
3
Bij Gooi & Sticht te Hilversum:
o Aan gene zijde van het vers. Talmoedische studies en essays (1989)
Bij Kok te Kampen:
o Ethisch en oneindig. Gesprekken met Philippe Nemo (1987)
o Humanisme van de andere mens (1990).
Voor wie filosofische teksten in de regel minder gemakkelijk toegankelijk zijn, beveel ik aan:
o Harry Berghs, Denk-wijzen. 1: Een inleiding in het denken van E. Levinas, L. Wittgenstein, A. Whitehead en
J. Habermas, Leuven, Amersfoort: Acco 1986.
o Jan C.M. van Engelen, Het gelaat: jij die mij aanziet. Een eerste inleiding in de filosofie van Emmanuel Le-
vinas, Hilversum: Gooi en Sticht 1987.
o Jan Keij, Eenvoudig gezegd. Levinas. Een nieuwe blik op mens en wereld, Kampen: Kok Agora 1993.
o Jan Keij, Emmanuel Levinas: variaties op een thema, Kampen 1994.
o Jan Keij, De filosofie van Emmanuel Levinas in haar samenhang verklaard voor iedereen, Kampen: Klement,
Kapellen: Pelckmans 2006.
o Jan Keij, Levinas in de praktijk. Een handleiding voor het best mogelijke helpen, privé en in de zorg, Zoe-
termeer: Klement 2012.
Voor wie zich wat meer diepgaand met Levinas wil bezig houden, noem ik:
o Luc Anckaert, Een kritiek van het oneindige. Rosenzweig en Levinas, Leuven: Peeters, Leende: Damon 1999.
o Baanders, Bas, Overgeleverd aan de toekomst. Emmanuel Levinas en de Talmoed, Budel: Damon 2007.
o H.L.K. Bleijendaal, Heidegger en Levinas over tijd, Amsterdam: VU Uitgeverij 1984.
o Herman Bleijendaal, Johan Goud & Eleen van Hove, red., Emmanuel Levinas over psyche, kunst en moraal,
Baarn: Ambo 1991.
o Th. de Boer, Van Brentano tot Levinas. Studies over de fenomenologie, Meppel: Boom 1989.
o Theo de Boer, Tussen filosofie en profetie. De wijsbegeerte van Emmanuel Levinas, Baarn: Ambo 1976.
o Th. de Boer & H.E.S. Woldring, red., Moderne Franse filosofen. Foucault, Ricoeur, Irigaray, Baudrillard, Le-
vinas, Derrida, Lyotard en Kristeva, Kampen: Kok Agora, Kapellen: DNB/Uitgeverij Pelckmans 1993.
o Luk Bouckaert, Emmanuel Levinas. Een filosofie van het gelaat, Nijmegen: B. Gottmer 1976; Leu-
ven/Amersfoort: Acco 1983.
o A.Th. Brüggemaan-Kruijff, Bij de gratie van de transcendentie. In gesprek met Levinas over het vrouwelij-
ke, Amsterdam 1993.
o R. Burggraeve, Van zelfontplooiing naar verantwoordelijkheid. Een ethische lezing van het verlangen: ont-
moeting tussen psychoanalyse en Levinas, Leuven: Centrum voor Metafysica en Wijsgerige Godsleer H.I.W
1985.
o Roger Burggraeve, Mens en medemens, verantwoordelijkheid en God. De metafysische ethiek van Emmanu-
el Levinas, Leuven: Acco 1986.
o Roger Burggraeve, Het gelaat van de bevrijding. Een heilsdenken in het spoor van Emmanuel Levinas, Tielt
/ Weesp: Lannoo 1986.
o Roger Burggraeve, Levinas over vrede en mensenrechten, Leuven: Acco 1990.
o Roger Burggraeve, De bijbel geeft te denken. Schepping, milieu, lijden, roeping, Gods passie en de ander,
vergeving, bevrijding van de ethiek, in gesprek met Levinas, Leuven, Amersfoort: Acco 1991.
o R. Burggraeve & L. Anckaert, red., De vele gezichten van het kwaad: meedenken in het spoor van Emmanu-
el Levinas, Leuven: Acco 1996.
o Paul Cobben, Postdialectische zedelijkheid. Ontwerp voor een Hegeliaans antwoord op Heidegger, Haber-
mas, Derrida en Levinas, Kampen: Kok Agora 1996.
o J. Davidse, red., Grote filosofen. Plato, Aristoteles, Thomas van Aquino, Descartes, Kant, Marx, Nietzsche,
Levinas en Wittgenstein in actueel perspectief, Kampen: Agora, Kapellen: Pelckmans 2000.
o Jacques Derrida, Geweld en metafysica. Essay over het denken van Emmanuel Levinas, Kampen: Kok Agora,
Kapellen: Pelckmans 1996.
o J. Duyndam, De meervoudigheid van de mens als voorwaarde van ethiek : een proeve van commentaar op
Emmanuel Levinas' Le temps et l'autre, Delft: Eburon 1984.
o Joachim Duyndam & Marcel Poorthuis, Levinas, Rotterdam: Lemniscaat 2003.
o Joachim Duyndam, Levinas. De grote filosofen, Moerdijk: Trouw Bibliotheek 2012.
o Johan F. Goud, Levinas en Barth. Een godsdienstwijsgerige en ethische vergelijking, Amsterdam: Rodopi
1984.
o Johan Goud, God als raadsel. Peilingen in het spoor van Levinas, Kampen: Kok Agora 1992.
o France Guwy, samenstelling en redactie, De ander in ons. Emmanuel Levinas in gesprek. Een inleiding in
zijn denken, Amsterdam: SUN 2008.
o Christina Hack, Een verrukkelijke zwakte. Over het vrouwelijke in het denken van Emmanuel Levinas, Kam-
pen: Kok Agora 1990.
o Nelly Christina Hack, Groter dan ons hart. De verhouding van God en mens bij Karl Barth en Emmanuel Le-
4
vinas met het oog op het nieuwe tijds denken, Zoetermeer: Boekencentrum 1993.
o H.J. Heering, red., Vier joodse denkers in de twintigste eeuw: Rosenzweig, Benjamin, Levinas, Fackenheim,
Kampen: Kok Agora 1987.
o J.J. van Hove, ‘Emmanuel Levinas. De existentie van het subject en de ander’, in: Theo de Boer e.a. Mo-
derne Franse filosofen - Foucault, Ricoeur, Irigaray, Baudrillard, Levinas, Derrida, Lyotard en Kristeva,
Kampen: Kok Agora, 1993, 75-91.
o Elisabeth Johanna Petronella Jansen, Over handelen gesproken. Studies over de competentie van de andra-
goog in het perspectief van de ontmoeting tussen een op het handelen georienteerde andragologie en de
filosofie van de verantwoordelijkheid van Levinas, Amsterdam: VU Uitgeverij 1985.
o A.F. de Jong, Lossen en binden. Beschouwing over een gebruikswijze van de term 'absoluut' in het werk van
Louis Althusser en Emmanuel Levinas, Amsterdam [s.n.] 1981.
o Auke de Jong, Perikelen in de ruimte tussen het goede en het zijn. Over de verhouding van Levinas tot Hei-
degger, Amsterdam: Vossiuspers AUP 2000.
o Thijs Johannes de Jong, Het gelaat en het onzichtbare bij Emmanuel Lévinas, Nijmegen: [s.n.] 1975.
o Victor Kal, Levinas en Rosenzweig. De filosofie en de terugkeer tot de religie, Zoetermeer: Meinema 1999.
o Jan Keij, De struktuur van Levinas' denken - in het perspektief van een ontwikkeling, Kampen: Kok Agora
1993.
o Jan Keij, De filosofie van Emmanuel Levinas: in haar samenhang verklaard voor iedereen, Kampen: Klement
2006.
o W.N. Krewani, Emmanuel Levinas. Denker des Anderen, Freiburg: Karl Alber 1992.
o Jan Otto Kroessen, Kwaad en zin. Over de betekenis van de filosofie van Emmanuel Lévinas voor de theolo-
gische vraag van het kwade, Kampen: Kok 1991.
o Etienne Kuypers & Roger Burggraeve, Op weg met Levinas, Leuven: Garant 1998.
o Arie Leijen, Profielen van ethiek. Van Aristoteles tot Levinas, Bussum: Coutinho 1998.
o Joan Nordquist, Emmanuel Levinas. A bibliography, Santa Cruz, CA.: Reference and Research Services 1997.
o Marie Alexander van Rhijn & Johanna Neeltje Korf, De context en de ander. Nagy herlezen in het spoor van
Levinas met het oog op pastoraat, Zoetermeer: Boekencentrum 1997.
o Renée Dirkje Neeltje van Riessen, Erotiek en dood. Met het oog op transcendentie in de filosofie van Levi-
nas, Kampen: Kok Agora 1991.
o Francois Poirie & Philippe Nemo, inl. door Rico Sneller, Emmanuel Levinas aan het woord. 11 gesprekken,
Kampen: Ten Have; Kapellen: Pelckmans 2006.
o Marcellinus Johannes Henricus Maria Poorthuis, Het gelaat van de Messias. Messiaanse Talmoedlezingen van
Emmanuel Levinas. Vertaling, commentaar, achtergronden, Zoetermeer: Boekencentrum 1992.
o P.N. Renes, 'Een verrukkelijke zwakte in het zijn...' Emmanuel Levinas' visie op het vrouwelijke, aan de
hand van de begrippen 'eros' en 'vruchtbaarheid', geevalueerd aan de hand van Simone de Beauvoirs visie
op dezelve, Amsterdam [s.n], 1987.
o R.D.N. van Riessen, Verder gaan dan Socrates? Over onderwijs, bezieling en innerlijkheid bij Kierkegaard en
Levinas, Leiden: Universiteit Leiden, 2012.
o Geurt Roffel, Het vergelijken van het onvergelijkbare. Denken over inter-individualiteit en subjectiviteit
bij Emmanuel Levinas: een studie van de artikelen Le moi et la totalité en La substitution, Utrecht: Boro-
ko 2002.
o F.J.M. Rouppe van der Voort, Intersubjectiviteit. Wederzijdse begrenzing van de psychoanalyse en de fe-
nomenologie van Levinas, Delft: Eburon 1991.
o Astrid Thoné, Van passiviteit naar passie: eros en lichamelijkheid in het werk van Emmanuel Levinas, Wa-
geningen, Nijmegen: [s.n.] 1999.
o Henri Veldhuis, Geen begrip voor de ander. De kritiek van Emmanuel Levinas op de westerse filosofie, in
het bijzonder op het denken van Husserl en Heidegger, Utrechtse thelologische reeks 9, Utrecht: Faculteit
der Godgeleerdheid, Rijksuniversiteit 1990.
o Naud van der Ven, Schaamte en verandering. Denken over organisatieverandering in het licht van de filoso-
fie van Emmanuel Levinas, Kampen: Klement, Nijmegen: Radboud Universiteit 2006.
o A.B.J. Verstege, Het subject-begrip bij Levinas en de opvoedkunde, Leuven, Amersfoort: Acco 1987.
o Ruud Welten, Zijn en waken: denken in het spoor van Emmanuel Levinas, Best: Damon 1995.
o Rudolphus Bernardus Jacobus Maria Welten, Fenomenologie en beeldverbod bij Emmanuel Levinas en Jean-
Luc Marion / Phenomenology and the prohibition of images in Emmanuel Levinas and Jean-Luc Marion,
Budel: Damon 2001.
Wie een biografie wil lezen, zie: Marie-Anne Lescourret, Emmanuel Levinas, Baarn: Ambo 1997.
2
Soms wordt als geboortejaar 1905 vermeld, in verband met de destijds aldaar gehanteerde Russische kalender.
3
Jos de Man, 'Filosoof van de nacht', in: HP/De Tijd, 10 maart 1995, 48.
4
Emmanuel Levinas, 'Waar ik de ander ontmoet? Overal, overal', in: Trouw 29 april 1995.
5
H.J. Heering, 'Over Emmanuel Levinas', in: In de Waagschaal 7 (11 maart 1978) 1, 22-23.
5
6
Levinas, a.w., in: Trouw 29 april 1995.
7
Jan Keij, 'Schep geluk, vraagt de mens tegenover mij', in: Trouw 13 mei 1994.
8
Wim Thys, De deugd weer in het midden. Van homo moralis naar homo ethicus, Kapellen: DNB/Pelckmans 1989,
54.
9
Ad Peperzak, 'Dank zij Levinas', in: Trouw 20 januari 1996.
10
R. Bakker, 'De filosofie van Levinas: Niet Ik, maar de Ander', in: Trouw 27 januari 1979.
11
Christina Hack, Geloof jij het nog? Het nieuwe denken in het oude Licht, Baarn: Ten Have 1995, 95.
12
Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Baarn: Ambo 1987, 85.
13
Juliaan Van Acker, De armoede van de welvaart. Een essay over het absurde van de rede en de zin van het inner-
lijke, Utrecht: Uitgeverij SWP 1990, 31.
14
R. Bakker, 'De filosofie van Levinas: Niet Ik, maar de Ander', in: Trouw 27 januari 1979.
15
Frits de Lange, 'Is Levinas wel een filosoof?' in: Hervormd Nederland 1 mei 1993, 23.
16
Esma Moukhtar, 'Eén en Ander over afstand', in: Cimedart. Faculteitsblad filosofie (Amsterdam) februari/maart
1997, 18.
17
Harry Zeldenrust, 'Liefde ben je zelf', in: Hervormd Nederland 13 januari 1996, 21.
6