Neurowetenschap en vrije wil
Marc Slors
1. Inleiding
Neurowetenschappen zijn in. Het idee dat onze geest zetelt in onze
hersenen is al meer dan een halve eeuw gemeengoed. Maar pas de
afgelopen decennia zijn we dankzij technologische hoogstandjes ook
echt in staat om in die hersenen te ‘kijken’ terwijl ze aan het werk
zijn. En daarmee, zo doen wetenschappers (en vooral ook
wetenschapsjournalisten) ons geloven, zijn we steeds beter in staat
om ‘in onze geest te kijken’. Resultaten van neurowetenschappelijk
onderzoek kunnen worden geïnterpreteerd als ontdekkingen over de
ware aard van ons denken, onze wil en ons bewustzijn. En dat
spreekt tot de verbeelding.
Niet zelden worden zulke ontdekkingen, met een zekere
gretigheid, gebracht als ontmaskeringen van traditionele ideeën
over de geest. Eén van de belangrijkste ‘ontmaskeringen’ betreft de
vrije wil. Een groot aantal neurowetenschappers beweert dat
onderzoek laat zien dat er eigenlijk niet zoiets bestaat als een vrije
wil. In dit hoofdstuk staat die bewering centraal: Welke
experimenten en onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het
idee dat de vrije wil een illusie is? Hoe verschilt de recente
wetenschappelijke aanval op de vrije wil van het traditionele
filosofische probleem met determinisme? En hoe houdbaar is de
bewering dat hersenwetenschap de vrije wil ondermijnt eigenlijk
vanuit filosofisch oogpunt?
2. Zijn bewuste beslissingen oorzaken van handelingen?
In 1965 publiceren twee Duitse wetenschappers, Kornhuber en
Deecke, een studie over de hersenactiviteit die voorafgaat aan
vrijwillige handelingen. Hun conclusie is dat met behulp van EEG—
een onderzoeksmethode waarbij hersenactiviteit wordt gemeten via
electroden die op de hoofdhuid zijn geplakt—te meten is hoe de
hersenen een handeling voorbereiden zo’n 1 tot 1,5 seconden
voordat de handeling wordt uitgevoerd (Kornhuber and Deecke
1965). Ze noemen de meetbare activiteit ‘bereidheidspotentiaal’.
Dat er voorafgaande aan een vrijwillige handeling neurale
voorbereidingen worden getroffen is niet verwonderlijk. Maar de
vraag is of zo’n neuraal beginpunt van een vrijwilige handeling
samenvalt met het vormen van de intentie of belissing die
handeling uit te voeren. Die vraag was de inzet van een serie
experimenten door Benjamin Libet. In 1983 publiceren Libet en zijn
medewerkers de resultaten daarvan (Libet et al. 1983). En daarmee
staan ze aan de wieg van het moderne neurowetenschappelijke
onderzoek naar de vrije wil: Libet’s experimenten bepalen nog
steeds het denkkader waarbinnen nieuwe onderzoeken naar onze
vrijheid worden opgezet.
De opzet van Libet’s experiment was eenvoudig: bedenk een
methode waarmee gemeten kan worden wanneer iemand een
bewuste intentie vormt om een handeling uit te voeren, meet
tegelijkertijd de bereidheidspotentiaal en vergelijk de uitkomsten.
Libet laat zijn onderzoek draaien om een heel simpele
vingerbeweging om de meetresultaten zo min mogelijk te
compliceren. Maar het idee is dat de resultaten ook gelden voor
andere vrijwillige handelingen. Om te meten wanneer iemand een
bewuste intentie vormt om een vingerbeweging te maken bedenkt
hij het volgende: Proefpersonen worden gevraagd om naar een klok
te kijken waarvan de wijzer in 2,56 seconden ronddraait. Op het
moment dat een proefpersoon vrijwillig besluit de gevraagde
vingerbeweging te maken moet ze onthouden waar de wijzer van de
klok stond. Wanneer tegelijkertijd de bereidheidspotentiaal gemeten
wordt blijkt keer op keer dat de bewuste intentie pas optreed nadat
de bereidheidspotentiaal al gemeten wordt. Met andere woorden: de
bewuste beslissing om een vingerbeweging te maken is niet de
werkelijke oorsprong van de vingerbeweging.
Zoals gezegd zette Libet met zijn experiment de agenda voor
verder hersenonderzoek. Zijn experimenten zijn uitgebreid
herhaald, telkens met vergelijkbare resultaten. En er zijn een groot
aantal variaties bedacht die een verdere detaillering opleveren van
het algemene plaatje dat Libet schetste waarin onbewuste
hersenactiviteit voorafgaat aan bewuste beslissingen. Zo blijkt dat
wanneer proefpersonen zelf mogen kiezen welke hand ze optillen de
bereidheidspotentiaal per hersenhelft optreedt; blijkbaar is de
beslissing welke hand word opgetild dus al voor het optreden van de
bereidheidspotentiaal genomen (Haggard and Eimer 1999).
Experimenten met andere methoden, zoals fMRI scans, laten zien
dat de tijd tussen de onbewuste oorsprong van een handeling en de
bewuste ‘beslissing’ in bepaalde situaties kan oplopen tot 10 (!)
seconden (Soon et al. 2008).
Libet interpreteerde zijn resultaten als regelrecht in strijd met
het beeld dat we van onszelf hebben als autonome, vrije beslissers.
En daarin werd en wordt hij gevolgd door een groot aantal
neurowetenschappers, psychologen en journalisten. Achter deze
interpretatie schuilt natuurlijk een specifiek idee van wat vrijheid
van de wil precies inhoudt. Dat idee maakt gebruik van wat de
negentiende eeuwse Amerikaans psycholoog en filosoof William
James de ‘ideo-motor theorie’ van intentioneel handelen noemde.
Bewust, intentioneel handelen omvat, volgens deze theorie, het
ervaren van een intentie om een handeling uit te voeren vlak
voordat de handeling ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Libet en
anderen vinden dat de bewuste intentie die volgens James aan een
handeling voorafgaat ook daadwerkelijk de oorsprong en oorzaak
van de handeling moet zijn wil er sprake zijn van vrije wil. Ik kom
daar zometeen nog op terug.
Wat Libet’s experiment en de variaties daarop laten zien is
vooral dat een bewuste intentie of beslissing niet de oorsprong is
van de handeling die daarop volgt. Die oorsprong ligt, op de
tijdsbalk, vóór die intentie of beslissing. Maar de Libet-achtige
experimenten laten wel degelijk ruimte voor de veronderstelling dat
de intentie of beslissing ten minste een onderdeel is van de causale
keten die leidt tot een handeling. Sterker nog, Libet laat zien dat we
in staat zijn bewust een bereidheitspotentiaal die onderweg is een
handeling te worden kunnen afbreken. Zoals hij het uitdrukt is er
geen sprake van een ‘free will’, maar wel van een ‘free won’t’.
In de afgelopen tien jaar, echter, is het idee dat bewustzijn
een causale rol speelt in het totstandkomen van een bewust gewilde
handeling sterk onder druk komen te staan. Libet’s onderzoek laat
het beeld ontstaan van bewustzijn als ‘doorgeefluik’; het causale
traject dat onbewust in het brein is begonnen kan tot een handeling
leiden als het luik open staat of kan afgebroken worden als het luik
dicht is. In het eerste geval zou het laatste gedeelte van het traject
bestaan uit een causale relatie tussen de bewuste intentie en de
handeling. De amerikaanse psycholoog Daniel Wegner, echter, laat
zien dat deze causale relatie een illusie is (Wegner 2002).
Daartoe maakt hij gebruik van een serie psychologische
experimenten. Om te beginnen zijn dat experimenten waarin
proefpersonen via een koptelefoon een gedachte in hun hoofd
krijgen geprent waarna hun bewegingen zo worden gemanipuleerd
dat die overeenkomen met de gedachte. Er is dus geen causale
relatie tussen gedachte en handeling. Niettemin oordelen de
proefpersonen wel dat ze zelf de oorzaak zijn van hun handelingen
(Wegner and Wheatley 1999). Blijkbaar is het vlak na elkaar
optreden van een gedachte en een handeling voldoende om de
gedachte als bewuste intentie en als oorzaak van de handeling te
ervaren. Wegner extrapoleert deze conclusie vervolgens aan de
hand van een grote hoeveelheid psychologische en
neurowetenschappelijke experimenten: ook in normale
omstandigheden gaat een gedachte, intentie of beslissing direct aan
een bewust gewilde handeling vooraf terwijl er geen causaal
verband tussen bewustzijn en handeling bestaat.
Of beter gezegd, er bestaat geen direct causaal verband.
Wegner verandert aan het plaatje van Libet subtiel. Bij Libet wordt
de bewuste intentie veroorzaakt door onbewuste processen in het
brein waarna het bewustzijn de handeling veroorzaakt. Wegner laat
zien dat de onbewuste processen die leiden tot het vormen van een
bewuste intentie in een iets later stadium ook verantwoordelijk zijn
voor de handeling. Zo maakt Wegner Libet’s werk af: bewuste
intenties, beslissingen, gedachtes etc. zijn noch de oorsprong, noch
de oorzaak van ons handelen.
3. Neurowetenschap en het filosofische vrije wil debat
In zijn boek Mind Time presenteert Libet zijn onderzoek als een
wetenschappelijk antwoord op een vraag waar filosofen tot nu toe
alleen over konden speculeren (Benjamin Libet 2004). Die suggestie
is om twee redenen misleidend.
Om te beginnen is filosofie geen quasi-wetenschappelijke
speculatie (al is dat wel de manier waarop veel filosofisch niet-
geschoolde wetenschappers naar filosofie kijken). In filosofische
debatten gaat het er vooral om tot een begripsanalyse te komen
van de notie ‘vrije wil’. Zo’n analyse kan duidelijk maken waarom de
vrije wil wel of niet in een wetenschappelijke wereldbeeld past, en
daar kunnen dan weer verdere conclusies uit volgen. Maar
begripsanalyse is geen quasi-wetenschappelijke activiteit; het kan
niet worden vervangen door empirisch onderzoek. Libet en Wegner
doen zelf, voorafgaande aan hun onderzoeken, ook aan
begripsanalyse—al doen ze dat niet expliciet—wanneer ze vrije wil
begrijpen als de causale effectiviteit van bewuste beslissingen. (In
de laatste paragraaf van dit hoofdstuk zal blijken dat er op deze
begripsanalyse het een en ander valt af te dingen).
Er is een tweede reden waarom de suggestie dat Libet een
wetenschappelijk antwoord geeft op een traditionele filosofische
vraag misleidend is. Wil er sprake zijn van vrije wil, dan dient er op
de één of andere manier voldaan te worden aan twee voorwaarden.
Om te beginnen moet er sprake zijn van keuzemogelijkheden. Als ik
uit vrije wil kies om naar Noorwegen op vakantie te gaan dan moet
het ten minste zo zijn dat ik ook had kunnen kiezen om naar een
ander land te gaan. De traditionele bedreiging voor deze
voorwaarde voor vrijheid is determinisme. Als alles wat in deze
wereld gebeurt, inclusief ons handelen, bepaald wordt door
noodzakelijke natuurwetten of door een Goddelijke predestinatie, is
het dan nog wel zinvol om over keuzemogelijkheden te spreken?
Over de vraag of determinisme de keuzevrijheid die nodig is
voor vrije wil uitsluit woedt een filosofische discussie. Maar stel dat
er een bevredigend antwoord op die vraag is. Stel dat we
probleemloos kunnen spreken over het feit dat ik meerdere opties
heb als ik bepaal waar ik naartoe ga op vakantie. Dan nog is dat niet
voldoende om mijn beslissing vrij te maken. Mijn keuze om naar
Noorwegen op vakantie te gaan is alleen vrij als het ook echt mijn
keuze is. Ik ben niet vrij in mijn keuze als de optie waar ik
uiteindelijk voor ga bepaald wordt door random processen, of door
sociale manipulatie, of……..door biologische processen die buiten
mijn controle vallen. Het probleem met deze voorwaarde voor
vrijheid is niet determinisme, maar controle: ben ik het wel die
uiteindelijk de beslissing neemt?
Het is belangrijk te zien dat neurowetenschap niets zegt over
determinisme. Of ons universum, waarvan ook onze hersens deel uit
maken, geregeerd wordt door uitzonderingsloze, determinische
wetmatigheden is een theoretische of metafysische kwestie. Libet,
Wegner en andere wetenschappers die zich met vrije wil
bezighouden zeggen er niets over. De bedreiging voor vrije wil die
velen zien in de resultaten van Libet en Wegner heeft niets te
maken met determinisme, maar alles met de afwezigheid van
controle. Het gaat er om dat niet ik mijn handelingen bepaal, maar
onbewuste processen waarop ik geen invloed kan uitoefenen. Het
filosofische debat over de vrije wil zoals dat voorafgaande aan
Libet’s experimenten werd gevoerd, daarentegen, werd juist
gedomineerd door de determinisme kwestie. En tot op zekere
hoogte is dat nog steeds zo. Het is daarom onjuist om te denken dat
de wetenschappelijke resultaten van de afgelopen 37 jaar de
filosofische problemen met vrije wil oplost.
4. Intenties en aandrang: de relevantie van het verschil
Vanuit filosofisch perspectief zijn er twee typen reacties op de
neurowetenschappelijke aanval op de vrije wil. Het eerste type
reactie accepteert de impliciete conceptuele analyse van vrije wil
die achter de experimenten van Libet en Wegner schuil gaat.
Volgens deze reacties is het inderdaad zo dat het uitoefenen van de
vrije wil inhoudt dat bewuste intenties, voorafgaande aan
handelingen causaal verantwoordelijk zijn voor die handelingen. Een
tweede type reactie stelt vraagtekens bij deze analyse. In deze
paragraaf bespreek ik een sterk voorbeeld van het eerste type
reactie: Alfred Mele’s stelling dat Libet’s experimenten nog genoeg
ruimte overlaten voor de bewuste wil (Mele 2006; Mele 2009).
Mele’s pleidooi begint met op te merken dat de terminologie
in Libet’s werk erg slordig en willekeurig is (zie (Bayne 2006) voor
een zelfde soort kritiek op Wegner). De bereidheidspotentiaal, de
onbewuste oorsprong van een handeling, wordt bijvoorbeeld
aangeduid als ‘aandrang’ (‘urge’), als intentie en als onbewuste
beslissing. Dezelfde diverse terminologie wordt gebruikt om de
bewuste beslissing die optreedt na het ontstaan van de
bereidheidspotentiaal aan te duiden. (Voor een mooi voorbeeld, zie
http://www.youtube.com/watch?v=IQ4nwTTmcgs&feature=related
waarin Patrick Haggard Libet’s experiment herhaalt. De
proefpersoon wordt geïnstrueerd om een toets in te drukken
‘whenever you intend and will to’, wat een seconde later wordt
geparafraseerd als ‘whenever the urge takes you’). Mele’s punt is
dat het voelen van een eerste aandrang om een handeling uit te
voeren nog niet hetzelfde is als het nemen van een beslissing of het
vormen van een intentie daartoe.
Wat Mele wil aantonen is dat het optreden van de
bereidheidspotentiaal een eerste aandrang representeert, terwijl de
bewuste activiteit vlak voor de handeling staat voor de werkelijke
beslissing die handeling uit te voeren. Daartoe analyseert hij de
experimenten waarin Libet liet zien dat we in staat zijn bewust het
neurale traject naar een handeling dat begint bij de
bereidheidspotentiaal af te breken. De instructie die Libet in die
experimenten aan proefpersonen gaf was om de neiging een
vingerbeweging uit te voeren op te laten komen maar om die
beweging uiteindelijk niet uit te voeren. De EEG’s lieten vervolgens
een bereidheidspotentiaal zien die in eerste aanzet gelijk is aan de
bereidheidspotentiaal die te zien is wanneer iemand de handeling
uiteindelijk wel uitvoert. Vlak voordat in ‘normale’ gevallen de
handeling zou worden uitgevoerd, ongeveer gelijktijdig met
wanneer in ‘normale gevallen’ bewustzijn van de intentie optreedt,
is te zien dat de premotor activiteit in het brein gestaakt wordt.
Libet concludeerde daarop dat hoewel bewustzijn niet de initiator is
van een handeling, het wel een onbewust geïnitiëerde handeling
kan stoppen. Bewustzijn heeft geen stemrecht, maar wel veto-recht.
De vraag is nu: is het optreden van de bereidheidspotentiaal
in de veto-experimenten te kenmerken als het nemen van een
beslissing of het vormen van een intentie om een handeling uit te
voeren? Mele’s antwoord is negatief. Om dat uit te leggen maakt hij
een verschil tussen twee soorten van intenties, distale en proximale.
Een proximale intentie is de intentie die optreedt vlak voor de
handeling wordt uitgevoerd; de intentie van het ideo-motor model
van intentioneel handelen. Een distale intentie is een intentie die in
de tijd gezien verder af ligt van de handeling. Denk bijvoorbeeld aan
de intentie om later op de dag de trein van tien over vijf te nemen.
In het geval van Libet’s experimenten wordt de distale intentie
gevormd op het moment dat de proefpersoon besluit mee te werken
aan het experiment en de instructies van de onderzoeker te volgen.
Op dat moment vormt ze de intentie om op een later tijdstip te doen
wat de onderzoeker vraagt. Deze observatie heeft twee
consequenties.
Allereerst impliceert het dat de oorsprong van de
vingerbeweging in de ‘normale’ experimenten (zonder veto) niet ligt
in het optreden van de bereidheidspotentiaal, maar in het nemen
van de beslissing mee te werken aan het experiment. Maar
daarnaast impliceert het erkennen van het bestaan van een distale
intentie (die Libet, Wegner en Haggard buiten beschouwing laten)
vooral dat in het geval van de veto experimenten de
bereidheidspotentiaal niet kan worden gezien als het vormen van de
intentie om een vinger te buigen. Immers, de proefpersoon heeft,
door in te stemmen met het experiment, expliciet de intentie
gevormd om de vinger uiteindelijk niet te bewegen. Er is daarom,
doorheen het hele experiment, geen moment waarop de
proefpersoon de intentie heeft de vinger te bewegen. Het optreden
van de bereidheidspotentiaal kan dus niet voor zo’n intentie staan.
Omdat de bereidheidspotentialen in het geval van de Libet’s
‘normale’ (niet-veto) experimenten als twee druppels water lijken op
de bereidheidspotentialen van de veto-experimenten is er geen
enkele reden om aan te nemen dat het in die gevallen wel om een
intentie of beslissing zou gaan.
Mele’s conclusie is dan ook dat de bereidheidspotentiaal staat
voor een eerste aandrang om een handeling uit te voeren. De
(proximale) intentie de handeling uit te voeren wordt gevormd op
het moment dat we bewust geen veto laten gelden over die
aandrang. Samenvattend ziet het totale tijdstraject van een bewust
gewilde handeling er dus als volgt uit: Een distale intentie leidt op
een gegeven moment tot het opkomen van een
bereidheidspotentiaal waarmee uiteindelijk bewust wordt
ingestemd. Zo ligt de uiteindelijke beslissing om een handeling uit
te voeren bij het bewustzijn.
Heeft Mele hiermee de vrije wil gered? Een aantal
kanttekeningen zijn op zijn plaats. Ten eerste zou het goed kunnen
dat het vormen van de distale intentie zelf een onbewuste
oorsprong heeft. Ten tweede bepaalt het vormen van een distale
intentie niet wanneer de bereidheidspotentiaal optreedt; dat blijft
een onbewuste aangelegenheid. Geen van deze punten, echter, lijkt
de crux van Mele’s argument te raken. De bereidheidspotentiaal kan
nog steeds niet worden gekenmerkt als intentie of beslissing en de
bewuste episode vlak voor de handeling wel. Het echte probleem
voor Mele zit hem in Wegner’s positie. Volgens Wegner is de causale
relatie tussen bewustzijn en handeling een illusie en wordt de
handeling in feite veroorzaakt door dezelfde onbewuste
breinprocessen die verantwoordelijk zijn voor de bewuste intentie.
Als dat klopt, is Mele’s karakterisering van de rol van bewustzijn een
phyrrus overwinning: het vormen van een proximale intentie mag
dan weliswaar aan het bewustzijn voorbehouden zijn, maar die
intentie is niettemin causaal krachteloos. De waarde van Mele’s
analyse is dus afhankelijk van de houdbaarheid van Wegner’s
model. Het is van belang hierbij op te merken dat Wegner’s model
van het causaal ineffectieve bewustzijn vooralsnog weinig kan met
het veto-recht dat Libet zei te hebben aangetoond.
5. Controle en het zelf: Waarom neurowetenschappers niet
radikaal genoeg zijn
Een tweede type filosofische reactie stelt vragen bij het door veel
neurowetenschappers (en Mele) gehanteerde begrip van ‘vrije wil’.
Libet schrijft alsof het paradigma van de uitoefening van vrije wil
bestaat uit het bewust vormen van een intentie die vervolgens een
handeling veroorzaakt. Vrije wil is, in de ogen van Libet en vele
andere hersenwetenschappers, dus zoiets als causale controle over
het handelen door het bewustzijn. Achter dit begrip van vrije wil
zitten twee aannames: 1. Ik ben vrij—ik kan mijn vrije wil uitoefenen
—als mijn handelingen voortkomen uit mijn intenties en beslissingen
en niet uit impulsen die niet tot mijn ‘zelf’ behoren. 2. Ik ben mijn
bewustzijn; het ‘zelf’ valt samen met het bewustzijn. Met de eerste
aanname lijkt niets mis. De tweede aanname is discutabel.
De gedachte dat ik mijn bewustzijn ben gaat ten minste terug
op Descartes en Locke. Het ‘ik’ of het ‘zelf’ valt voor deze filosofen
samen met het bewuste denken, ervaren en herinneren en staat
tegenover de onbewuste lichamelijke processen. Dit zeventiende
eeuwse dualisme vinden we in aangepaste vorm terug in de vroege
psychologie van het einde van de negentiende eeuw. In William
James’ werk, waaronder de ideo-motor theorie valt, bijvoorbeeld.
Maar ook in het werk van introspectionisten als Wundt en Titchener
en in het werk van Freud waar het bewuste ego tegenover het
onbewuste id staat. En hoewel de huidige psychologie zich in een
heel andere richting heeft bewogen, vinden we het, althans volgens
velen, terug in onze alledaagse psychologie (‘folk-psychology’). Veel
mensen zullen, wanneer het ze gevraagd wordt, intuïtief hun ‘ik’
identificeren met hun bewustzijn.
Toch gaat het hier om een stuk theorie; een theoretische
reconstructie—met duidelijke cultureel historische wortels—van de
alledaagse psychologie die we gebruiken om elkaar en onszelf te
begrijpen. Dat geldt voor de gedachte dat het ‘ik’ samenvalt met
het bewustzijn, maar zeker ook voor de gedachte dat vrije wil de
causale effectiviteit van dat bewustzijn is. En het is de vraag of deze
theorie de meest adequate beschrijving van onze alledaagse
psychologie geeft. In de enige studie naar de ‘folk-psychology of
free will’ (Nichols 2004) wordt niet over bewustzijn gesproken. En in
de praktijk van het alledaagse leven beschouwen we sommige
handelingen die niet door bewuste reflectie worden voorafgegaan,
laat staan daardoor kunnen zijn veroorzaakt, wel degelijk als vrije
handelingen van de persoon zelf. Denk bijvoorbeeld aan spreken.
Tijdens een gesprek vormen we normaliter niet eerst zinnen in ons
bewustzijn voordat we ze uitspreken—de ideo-motor theorie gaat
hier niet op. Toch beschouwen we normaliter datgene wat een
gesprekspartner zegt als datgene wat hij of zij echt zelf wil zeggen.
Of denk aan de spits die in een fractie van een seconde een kans
benut en een spectaculair doelpunt maakt. Zonder dat er sprake is
van bewuste reflectie is het de voetballer zelf die—in vrijheid—
scoort.
De identificatie van het ‘ik’ of het ‘zelf’ met het bewustzijn en
het idee dat vrij intentioneel handelen bewuste veroorzaking vereist
is dan ook in de filosofie niet door iedereen geaccepteerd. Een
willekeurige greep: Bayne, Horgan, Tienson en Graham lieten
recentelijk op verschillende manieren zien dat de fenomenologie
van intentioneel handelen niet strookt met de ideo-motor theorie die
Wegner en Libet veronderstellen (Bayne 2006; Horgan, Tienson, and
Graham, 2003). Het idee dat intentionele handelingen altijd vooraf
gegaan worden door bewuste intenties, is wellicht eerder ingegeven
door de identificatie van het zelf met het bewustzijn dan door
systematische observatie van verschillende vormen van intentioneel
handelen. Iets langer geleden liet Gilbert Ryle al zien dat spreken
over bewustzijn als initiator van handelen een optische metafoor is
die eigenlijk niet functioneert in ons alledaagse spreken over
intentioneel handelen (Ryle 1949). De initiator van een handeling—
in ons dagelijkse denken en spreken—is de persoon als geheel, en
niet het bewustzijn (zie ook Strawson 1959). En, om echt ver terug
te gaan in de tijd, het oud Griekse motto ‘ken uzelf’ was niet
bedoeld als een aansporing tot introspectie; het ‘zelf’ waarop de
Grieken duiden is niet het onmiddelijke bewustzijn maar omvat juist
ook die aspecten van het onbewuste die we alleen door
levenservaring kunnen leren kennen.
Kortom, zowel in de praktijk van het dagelijks leven als in
sommige vormen van filosofische theorievorming daarover kan het
‘zelf’ of het ‘ik’ dat als bron van van vrij handelen fungeert, best
onbewust zijn. ‘Maar is het niet zo dat we de bron van vrij handelen
juist associeren met reflectie, met het nemen van overwogen
beslissingen, met rationaliteit en met moraliteit?’ Jazeker, maar
overwegen, beslissen, rationaliteit en moraliteit vereisen niet
noodzakelijk bewustzijn. Niet voor niets spreekt Dijksterhuis van ‘het
slimme onbewuste’ (Dijksterhuis 2007). We zijn niets van waarde
kwijt wanneer we erkennen dat ons zelf zich niet alleen in ons
bewustzijn manifesteert.
De kritiek op de neurowetenschappelijke aanval op de vrije wil
die ik hier in het kort probeer te schetsen is niet, zoals in het geval
van Mele, dat die aanval verkeerd gemotiveerd is. De kritiek is dat
ze gericht is op een stroman. De positie van Libet en Wegner ligt
niet ver af van die van filosofen die wel degelijk in vrije wil geloven
(zie vooral Dennett 1984; Dennett 2003). Het belangrijkste verschil
van mening tussen deze filosofen en Libet en Wegner gaat noch
over de data, noch over de interpretatie daarvan, maar over het
idee dat ‘vrije wil’ noodzakelijk ‘bewuste veroorzaking’ betekent.
Een gedeelte uit een interview met Victor Lamme (NRC
Handelsblad, Wetenschapsbijlage, 19-6-2010) is hier illustratief.
Lamme is hersenwetenschapper en auteur van het boek De vrije wil
bestaat niet (Lamme 2010). In dit interview wordt gesproken over
‘zelfbewustzijn’ waar Libet en Wegner het woord ‘bewustzijn’
zouden gebruiken. Het gesprek gaat over de bepalende rol van
onbewuste processen:
Interviewer: In ons hoofd zit dus een zwijgende dubbelganger
die alle beslissingen neemt, en ons zelfbewustzijn kijkt
ernaar en denkt dan: ‘mwah ja, dat wil ik dan ook wel’.
Is dat ons lot.
Lamme: Ja. Zo is het. (…)
Interviewer: (…) Maar die belevenissen van die Dubbelganger,
dat zijn toch ook onze Eigen Belevenissen.
Lamme: Ja, want dat ben je natuurlijk ook zelf! Die ander is zelfs
je Echte Zelf. (…) De cruciale kwestie is dat jouw
zelfbewustzijn (dat je dus ten onrechte beschouwt als je
echte ik) dat Echte Zelf alleen maar opmerkt als dat wat
anders gaat doen. En dat kom je vooral tegen in nieuwe
situaties.
Het enige punt van discussie met Lamme’s stellingname hier,
gezien vanuit de filosofische reactie die ik probeer te beschrijven, is
de zin tussen haken in zijn laatste uitspraak. Misschien
vereenzelvigen velen van ons zich in theorie met hun bewustzijn, in
de praktijk doen we dat zeker niet en er zijn veel filosofen te vinden
die dat ook niet doen. Hersenwetenschappers als Lamme, Libet en
Haggard accepteren een zeventiende eeuwse theorie van vrije wil
(‘theorie’ staat hier voor ‘conceptuele theorie’ of conceptuele
analyse) die vervolgens op empirische gronden wordt verworpen. Ze
zijn daarmee in de ogen van sommige filosofen niet radikaal
genoeg; de theorie had voorafgaande aan empirisch onderzoek al
op fenomenologische en conceptuele gronden verworpen moeten
worden. Waar ze hadden moeten stellen dat de ‘gangbare’ theorie
van vrije wil niet klopt, stellen ze dat de vrije wil niet bestaat.
De vraag die overblijft na deze tweede filosofische reactie is
natuurlijk hoe de vrije wil gedacht kan worden als het ‘zelf’ ook
onbewust kan zijn. Hoewel echte beantwoording van die vraag
buiten het bestek van dit hoofdstuk valt, is dit een mogelijk kort
antwoord: door het zelf niet zozeer op te vatten als een ‘ding’ dat
causaal verbonden is met handelingen, maar veel meer als een
narratief construct; het verhaal dat we over onszelf vertellen
waarmee we eenheid en structuur geven aan ons leven (Dennett
1992; Schechtman 1996). Zon’n verhaal articuleert een set doelen
en waarden waarmee een persoon zich identificeert (Frankfurt 1988;
Watson 1975; Taylor 1992; Taylor 1976). Vrijheid wordt dan zoiets
als in staat zijn te handelen in overeenstemming met je waarden en
doelen, je goede voornemens en je plannen. Er is veel voor te
zeggen dat zo’n vrijheidsbegrip duidelijker een onderdeel is van
onze ‘common sense’ dan een begrip in termen van de causale
effectiviteit van bewustzijn.
Bibliografie
Bayne, Timothy. 2006. Phenomenology and the Feeling of Doing:
Wegner on the Conscious Will. In Does Consciousness Cause
Behavior?, ed. Susan Pockett, William P. Banks, and Shaun
Gallagher. Cambridge MA: MIT Press.
Dennett, Daniel C. 1984. Elbow Room: The Varieties of Free Will
Worth Wanting. The MIT Press, November 21.
———. 1992. Consciousness Explained. Back Bay Books.
———. 2003. Making ourselves at home in our machines: Review of
The Illusion of conscious will" by Daniel Wegner. MIT Press
2002. J. Math. Psychol. 47, no. 1: 101-104.
Dijksterhuis, Ap. 2007. Het slimme onbewuste: denken met gevoel.
Amsterdam: Bert Bakker.
Frankfurt, Harry G. 1988. The Importance of What We Care About:
Philosophical Essays. Cambridge University Press.
Haggard, P., and M. Eimer. 1999. On the relation between brain
potentials and conscious aware-ness. Experimental Brain
Research 126: 128–33.
Horgan, T., J. Tienson, and S. Graham, 2003. The Phenomenology of
First-Person Agency. In Physicalism and Mental Causation: The
Metaphysics of Mind and Action, 323-340. Charlottesville:
Imprint Academic.
Kornhuber, H.H., and L. Deecke. 1965. Hirnpotentialänderungen bei
Willkürbewegungen und passiven Bewegungen des Menschen:
Bereitschaftspotential und reafferente Potentiale. Pflügers
Arch 284: 17, 1.
Lamme, Victor. 2010. De vrije wil bestaat niet: over wie er echt de
baas is in het brein. Amsterdam: Prometheus.
Libet, B., C.A. Gleason, E.W. Wright, and D.K. Pearl. 1983. Time of
conscious intention to act in relation to onset of cerebral
activity (readiness-potential). The unconscious initiation of a
freely voluntary act. Brain: A Journal of Neurology 106 (Pt 3):
623-642.
Libet, Benjamin. 2004. Mind time: the temporal factor in
consciousness. Cambridge MA: Harvard University Press.
Mele, Alfred R. 2006. Free Will: Theories, Analysis, and Data. In Does
Consciousness Cause Behavior?, ed. Susan Pockett, William P.
Banks, and Shaun Gallagher, 187-205. Cambridge MA: MIT
Press.
———. 2009. Effective Intentions: The Power of Conscious Will.
Oxford University Press US, April 22.
Nichols, Shaun. 2004. The Folk Psychology of Free Will: Fits and
Starts. Mind & Language 19: 473-502. doi:10.1111/j.0268-
1064.2004.00269.x.
Ryle, Gilbert. 1949. The Concept of Mind. London: Hutchinson
House.
Schechtman, Marya. 1996. The constitution of selves. Cornell
University Press.
Soon, Chun Siong, Marcel Brass, Hans-Jochen Heinze, and John-
Dylan Haynes. 2008. Unconscious determinants of free
decisions in the human brain. Nature Neuroscience 11, no. 5
(May): 543-545. doi:10.1038/nn.2112.
Strawson, P.F. 1959. Individuals. Routledge.
Taylor, Charles. 1976. Responsibility for Self. In The Identities of
Persons, ed. Amélie Oksenberg Rorty, 281-300. Berkeley:
University of California Press.
———. 1992. Sources of the self: the making of the modern identity.
Cambridge University Press.
Watson, Gary. 1975. Free Agency. The Journal of Philosophy 72, no.
8: 205-220.
Wegner, Daniel M. 2002. The Illusion of Conscious Will. The MIT
Press.
Wegner, Daniel M., and Thalia Wheatley. 1999. Apparent mental
causation. American Psychologist 25, no. 7: 480-492.
Verder lezen
Dijksterhuis, Ap. 2007. Het slimme onbewuste: denken met gevoel.
Amsterdam: Bert Bakker.
Lamme, Victor. 2010. De vrije wil bestaat niet: over wie er echt de
baas is in het brein. Amsterdam: Prometheus.
Susan Pockett, William P. Banks, and Shaun Gallagher (eds.) 2006.
Does Consciousness Cause Behavior? Cambridge MA: MIT
Press.
Wegner, Daniel M. 2002. The Illusion of Conscious Will. The MIT
Press.