Mepschen, Paul (2013) De politiek van sloop. Stedelijke vernieuwing en de sociale constructie van 'gewone mensen' in Slotermeer.
Research Interests:
In: Tonkens, Evelien & Mandy de Wilde (2013) Als meedoen pijn doet. Affectief burgerschap in de wijk. Amsterdam: Van Gennep.
Hoofdstuk 11 De politiek van sloop Stedelijke vernieuwing en de sociale constructie van ‘gewone mensen’ in Slotermeer
Paul Mepschen
In de vroege herfst van 2009 bezocht ik een festival in Slotermeer waarop de vernieuwing van de wijk gevierd werd. ‘Geuzenveld-Slotermeer verandert’i stond te lezen op spandoeken en flyers. Bewoners informeerden zich over de plannen en werden verleid met kleurrijke beelden en filmpjes over de toekomst van de wijk. Een plaatselijk clubje volksdansers trad op, kinderen lieten hun snoet schminken of leefden zich uit op springkussens, buurtorganisaties presenteerden zich en bestuurders legden nog eens uit dat het beter, mooier en veiliger zou worden in de buurt. In de marge van het festival ontmoette ik echter een groep mensen in een minder feestelijke stemming: bewoners van de Louis Couperusbuurt en andere delen van Slotermeer. Zij waren in actie gekomen tegen de plannen om hun woningen en wijk te slopen. De Louis Couperusbuurt bestaat uit 670 woningen, vooral goedkope sociale huurwoningen. In de plannen voor de vernieuwing van Slotermeer zou het overgrote deel van deze woningen tegen de vlakte gaan. Op de plek van het buurtje zou een volledig nieuwe wijk worden gebouwd: hoger, ruimer, mooier en voor het grootste deel duurder. Een meerderheid van de sociale huurwoningen zou worden vervangen door koopwoningen en huurwoningen in de vrije sector. Ongeveer dertig procent van de terug te bouwen huizen zou bestaan uit sociale woningbouw.ii Een centraal figuur in het verzet tegen deze plannen was Rick. Ik ontmoette hem op het festival. Rick was een geboren Amsterdammer van vijftig, die een goedkoop maar klein appartement deelde met zijn partner en drie katten. De tweekamerwoning van 32 vierkante meter was weliswaar klein, maar Rick genoot van zijn tuintje, het vele groen rond de woning en de ruime parkeermogelijkheden. Hij werkte als voorman bij een tuindersbedrijf en was verantwoordelijk voor de aanleg
1
van binnentuinen en hoven in nieuwbouwprojecten in de stad. De Amsterdamse stadsvernieuwing was hem dan ook niet vreemd en hij vertelde dat hij veel mensen kende die, zoals hij dat noemde, ‘weg waren gesloopt’ of ‘gedeporteerd’. Maar Rick had nooit verwacht dat de ‘sloopwaanzin’ zijn kant op zou komen. De Louis Couperusbuurt was ‘netjes en gewoon’. Het was een respectabele wijk. Rick benadrukte ook dat hij zijn buren zag als hardwerkende en gewone mensen.
‘Ik zie elke morgen de mensen naar hun werk gaan! Ja? Vijftig tot zestig procent gaat keurig netjes naar het werk. En de overige veertig procent kun je opdelen in ouderen en werklozen. Die werklozen zorgen voor overlast. Dat is niet het grootste deel van de buurt.’
Ondanks het feit dat ongeveer veertig procent van de bewoners van zijn buurtje een migratie-achtergrond had, stelde Rick dat ‘de wijk hier (…) voor het grootste deel witte mensen is’. Sloop associeerde hij met sociale problemen en grote concentraties van postmigranten. Er waren in zijn ogen dus geen goede redenen voor de sloop van zijn wijk. Ik vroeg hem naar Mohammed Bouyeri, de moordenaar van filmmaker Theo van Gogh, die ten tijde van de moord in de Louis Couperusbuurt woonde. Dat had voor enige opschudding gezorgd in 2004, toen journalisten en zelfs tv-crews plotseling de wijk indoken, op zoek naar het getto. Maar Rick reageerde:
‘Dus omdat er één gestoorde Marokkaan in de wijk zit is het een slechte wijk? (…) Ja, dus ik kan me niet verplaatsen in het feit dat hier dus inderdaad Mohammed B. heeft gewoond dat wij daarmee over een kam worden geschoren. Wat bewijst het? Wat bewijst het? Haha...’
Rick verdedigde de respectabiliteit van zijn wijk. Er woonden ‘gewone Amsterdammers’: hardwerkend, autochtoon, netjes. Hij sprak over de sloop in termen van vernedering en verdringing:
‘Wat ze in mijn ogen doen is dat de mensen die er wonen worden verdreven en weer in achterstandsbuurten worden gedouwd.’
2
In tegenspraak met het politieke vertoog over Slotermeer als achterstandswijk, lokaliseerde Rick de achterstandsbuurt elders. De Louis Couperusbuurt was in zijn ogen een respectabele plek.
De multiculturele achterstandswijk en populisme
Multiculturele achterstandswijken als Slotermeer staan in veel opzichten symbool voor een vraagstuk dat Nederland al meer dan een decennium in zijn greep houdt: het veronderstelde gebrek aan leefbaarheid. Achterstandswijken figureren als het podium waarop zich een zogenoemd multicultureel drama afspeelt (Scheffer 2000). Ze komen zo symbool te staan voor een breed gedeelde notie dat Nederland het huis niet op orde heeft (Duyvendak 2011). In het publieke debat figureren deze wijken als plekken van sociale desintegratie, waar bovendien een armoedecultuur dreigt te ontstaan (zie Blokland-Potters 1998). Allerlei vormen van sociale angst en onzekerheid worden op de multiculturele achterstandswijk geprojecteerd: de veronderstelde afname van sociale cohesie, onzekerheid over de nationale identiteit, de opkomst van de islam in de publieke sfeer en problemen met migratie, segregatie en integratie (Van Eijk 2010). Die wijken worden in toenemende mate geconfronteerd met wat de Franse socioloog Loïc Wacquant ‘ruimtelijke stigmatisering’ noemt (2012). Mensen hebben te kampen met het vaak negatieve imago van hun wijk, die bij buitenstaanders associaties oproept met een groot scala aan sociale problemen. Bewoners verliezen, vaak tot hun grote frustratie, de controle over hun collectieve representatie en identiteit (Simmel 1965). In deze context moet Ricks opmerking begrepen worden dat de Louis Couperusbuurt voor het overgrote deel uit witte mensen bestaat. Deze is illustratief voor de intieme relatie die in Nederland wordt gesuggereerd tussen de respectabiliteit van een wijk en het aantal postmigranten. In ‘leefbaarheidsmonitoren’, die de leefbaarheid van Nederlandse wijken meten, geldt een hoge concentratie niet-westerse allochtonen in een wijk immers als objectieve factor voor een lagere leefbaarheidsscore (zie Uitermark 2011). Dat Rick de leefbaarheid en respectabiliteit
3
van zijn wijk verdedigde door het multiculturele karakter ervan te ontkennen resoneert, kortom, met een breder vertoog dat migratie en multiculturalisme associeert met sociale problemen en desintegratie. De toverwoorden in de aanpak van het gebrek aan leefbaarheid in achterstandswijken zijn ‘sloop’ en ‘vernieuwing’: grootschalige herstructurering moet zorgen voor meer sociale mix en daarmee een verbetering van het leefklimaat. Hoewel de term ‘vernieuwing’ een belofte van vooruitgang en een mooiere wijk inhoudt, lukt het vaak niet bewoners mee te nemen in dat vernieuwingsverhaal. Integendeel: stedelijke vernieuwing leidde de afgelopen decennia steeds weer tot debat, onvrede en verzet (zie Hellinga 2005; Uitermark 2011). Het is een van de belangrijkste arena’s waarin de relatie tussen burgers, overheid en instituties inhoud krijgt, waarin burgers vormgeven aan hun verhouding tot de staat en hun kijk op ‘de politiek’. In het spreken over de voorgenomen sloop trekken autochtone bewoners grenzen tussen zichzelf, de elite en soms postmigranten. Met het in beeld brengen van de zelfopvatting en de leefwereld van autochtone wijkbewoners in een gestigmatiseerde, multiculturele wijk meen ik een bijdrage te leveren aan de analyse van een hot topic in Nederland: de opkomst van het populisme. Populisme rust op de constructie en verbeelding van de notie van ‘het volk’. Het stelt politiek voor als een strijd tussen het volk (als underdog) en de elite (Panizza 2005: 3). Die definitie is erg algemeen en beantwoordt nog niet de vraag waarom en wanneer populistische politieke constructies resoneren met de geleefde werkelijkheid van mensen. Hoe wordt ‘het volk’ geconstrueerd? Hoe krijgt zo’n zelfopvatting en blik op de werkelijkheid vorm en betekenis? Dat is wat ik onderzoek door de etnografische lens te richten op de Louis Couperusbuurt. Het hoofdstuk onderzoekt de context waarin een notie van ‘het volk’ betekenis krijgt in het dagelijks leven van mensen. Om die context te begrijpen plaats ik (de herstructurering van) Slotermeer eerst in haar historische context.
Amsterdam Nieuw-West
Amsterdam Nieuw-West, het stadsdeel waarvan Slotermeer deel uitmaakt, is de afgelopen decennia razendsnel veranderd van een populair district voor
4
Amsterdammers uit de arbeiders- en middenklasse, tot een stadsdeel dat voor ongeveer vijftig procent uit (post)migranten bestaat en kampt met een verslechterd imago. Vaak wordt die transformatie door bewoners, media en politici besproken als een overgang van homo- naar heterogeniteit. Dat is te simpel: religieuze, sociaalpolitieke en klassentegenstellingen waren als gevolg van de verzuiling en sociaaleconomische differentiatie altijd al tastbaar aanwezig in het stedelijke landschap (Hellinga 2005; Heijdra 2010). Toch is de wijk door de komst van postmigranten vanaf de jaren tachtig sterk veranderd. Een deel van de ‘oorspronkelijke stedelingen’ (Nio et al. 2008), bestaand uit autochtone 50-plussers, spreekt over deze veranderingen in termen van het inkrimpen van de eigen leefwereld, achteruitgang en afnemende vertrouwdheid. De ontwikkeling van Nieuw-West is exemplarisch voor een bredere transformatie in Nederland van een moderne en verzuilde welvaartsstaat naar een samenleving die eerder omschreven kan worden als postmodern en neoliberaal. De Westelijke Tuinsteden werden gebouwd op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van 1934, ontworpen door de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren. Dat plan had een basis in de ideologieën van de moderne stedenbouw: de utopische beweging voor de tuinstad van Ebenezer Howard en het functionalisme en ‘organicisme’ van het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM). Moderne planning was een reactie op verstedelijking en de opkomst van de industriële arbeidersklasse – een instrument voor het organiseren van fatsoenlijke woonomstandigheden, sociale stabiliteit en een gecontroleerde vorm van verstedelijking. De constructie van de Westelijke Tuinsteden in de jaren vijftig was een kans om moderne idealen over stedelijke organisatie en design te verwezenlijken (Van Rossem 2010; Oudenampsen 2010). De Amsterdamse arbeidersklasse moest ‘bevrijd’ worden uit de oude, bedompte volkswijken. Licht, lucht en ruimte was het nieuwe devies. Het AUP moet begrepen worden in het verlengde van de Amsterdamse volkshuisvesting (Hellinga 2005). Het verbeteren van de positie van arbeiders stond in het sociaaldemocratische Amsterdam voorop; moderne architecten en politici zagen voor de stedenbouw een centrale rol weggelegd in het organiseren van sociale cohesie en het disciplineren en verheffen van burgers (cf. Blom et al. 2004). Nieuw-West
5
symboliseerde het geloof in vooruitgang, verheffing en maakbaarheid dat de naoorlogse jaren van economische groei en modernisering kenmerkte. En het district wist tot begin jaren negentig een grote populariteit te behouden: het kende relatief weinig werkloosheid en criminaliteit en veel goede sociale woningbouw. Onder beleidsmakers, ambtenaren en stedelijke adviseurs ontstond vanaf 1990 echter grote zorg over de toekomst van Nieuw-West (Hellinga 2005, p. 8). De angst was dat een combinatie van fysieke neergang van de woningen en een opeenstapeling van sociale problemen in de nabije toekomst zou leiden tot een neerwaartse spiraal en ‘gettoïsering’. De concentratie van goedkope sociale woningbouw en de verwachte groei van het aantal etnische minderheden werd neergezet als een gevaar voor de stabiliteit in de stad (Hellinga 2005; cf. Uitermark 2003). De ontwikkeling van de Bijlmer diende als schrikbeeld. Als antwoord op dit scenario werden grootschalige plannen ontwikkeld voor de sociale en ruimtelijke herstructurering van Nieuw-West. Die omslag was onderdeel van een brede administratieve heroriëntatie in de jaren tachtig (Hajer 1989) en hangt samen met de opkomst van neoliberale ideeën over stedelijke ontwikkeling. Net als in andere delen van de wereld begonnen beleidsmakers te focussen op de branding en marketing van de stad en het veranderen van het beeld en de demografische compositie van bepaalde plekken. Stedelijke gebieden moesten competitief en ‘entrepreneurial’ worden: zaken die afhankelijk zijn van de mate waarin steden in staat zijn bewoners en bezoekers met een hoog inkomen aan te trekken (cf. Harvey 1989; Hall and Hubbard 1998; Swyngedouw 1996). Deze transformatie kan begrepen worden als een verschuiving in strategie en focus: van sociale naar ruimtelijke maakbaarheid (Oudenampsen 2010). Waar beleid er eerder op gericht was de regulering van de stad te combineren met de emancipatie van stadsbewoners en het creëren van ruimte voor biografische en sociale mobiliteit, is ruimtelijke maakbaarheid tegenwoordig vooral gericht op de ‘verheffing’ van bepaalde locaties om nieuwe stedelijke populaties aan te trekken (ibid.: 33). Deze verschuiving staat voor een vorm van stedelijke regulering waarin ‘gentrificatie’– het herscheppen van stedelijke ruimte voor nieuwe en welgestelde groepen (Slater et al. 2004, p. 1145) – de sine qua non werd voor het verbeteren van leefbaarheid en het vernieuwen van wijken (Uitermark et al. 2007, p. 128). Vanaf de jaren tachtig werd sociale woningbouw steeds meer gezien als een belemmering voor
6
een goed functionerende woningmarkt (Uitermark 2011, p. 16). Bovendien werden woningbouwverenigingen verzelfstandigd tot marktspelers: corporaties die ‘hun eigen broek op moesten gaan houden’ en zich steeds meer aan de controle van overheid en huurders onttrokken (ibid.). De consensus over bouwen en wonen verschoof. De stedelijke vernieuwing in de volkswijken richtte zich minder op de huidige bewoners en meer op gedroomde toekomstige populaties. Dat betekent niet dat idealen van sociale maakbaarheid verdwenen. Het nieuwe beleid richtte zich niet alleen op fysieke vernieuwing van wijken, maar had ook een sociale en economische dimensie. De invloed van neoliberale ideologieën op stedelijke ontwikkeling en huisvesting stuitte in Nederland op institutionele en politieke grenzen. Oude institutionele arrangementen en maatschappelijke ideeën leefden voort in de ontwikkeling en uitvoering van nieuw beleid, die gentrificatieprocessen vertraagde en hun sociale gevolgen lenigde (Van Gent 2012). Daarbij komt dat de nadruk op (on)leefbaarheid niet alleen begrepen moet worden als het resultaat van neoliberalisering. Onder beleidsmakers leefden daadwerkelijk grote zorgen over nationale en sociale cohesie, segregatie en de handhaving van orde in multiculturele stadswijken (zie Blokland-Potters 1998; Van Eijk 2010). Veiligheid op straat, de integratie van postmigranten en onvrede onder autochtone bewoners werden belangrijke maatschappelijke thema’s en functioneerden als een motor voor de transformatie van grootstedelijk beleid. De gedachte van sociale maakbaarheid bleef in dat beleid belangrijk, maar veranderde van karakter. De nadruk kwam te liggen op het verbeteren van de ‘sociale infrastructuur’ in wijken: ‘de formele en informele kaders die burgers in staat stellen met elkaar sociale relaties aan te gaan’ (Duyvendak 2002, p. 166).iii De fordistische pipe dream van sociale mobiliteit, emancipatie en vooruitgang – en de vergroting van de leefwereld van bewoners van achterstandswijken – boette aan kracht in ten gunste van meer bescheiden idealen met de wijk als kader: sociale cohesie, samenleven in de buurt en actief burgerschap. De versterking van de sociale infrastructuur in de wijk speelt ook in de stedelijke vernieuwing in Slotermeer een belangrijke rol. De herstructurering gaat vergezeld van een heel scala aan projecten gericht op leefbaarheid, integratie, dialoog, wijkbinding en actief burgerschap (zie Costera Meijer, De Wilde, Elshout en Tonkens in dit boek). Desondanks voelt een deel van de Amsterdamse bevolking zich in een
7
snel veranderende stedelijke werkelijkheid buiten de boot vallen. Het huidige beleid leidt, zeker als sprake is van grootschalige sloop en nieuwbouw zoals in Nieuw-West, tot situaties waarin vooral bewoners die er allang wonen zich slecht herkennen in de plannen met hun wijk of buurt en waarin zij bovendien het gevoel hebben het slachtoffer te zijn van zowel symbolische als materiële verdringing. Zij hebben sterk het gevoel geen stem te hebben en voelen zich niet of nauwelijks gerepresenteerd.
Een vertoog van stemloosheid en verdringing
Voor Stadgenoot, de corporatie die eigenaar is van de woningen in de Louis Couperusbuurt, was grootschalig fysiek ingrijpen in de wijk onvermijdelijk. Ik sprak met Martine, die als gebiedsontwikkelaar verantwoordelijk was voor de vernieuwing in Slotermeer. Zij stelde dat het al jaren klachten regende over de Louis Couperusbuurt. De corporatie had bovendien zelf te kampen met veel illegale onderhuur, wietplantages in de huizen, bewoners met drankproblemen en moeilijkheden met het verhuren van de woningen. Martine:
‘Daar zullen natuurlijk allerlei redenen voor zijn, maar enkele daarvan zijn duidelijk: de woningen zijn klein en de buurt is slecht. Voor sommige mensen zijn die kleine woningen prima natuurlijk. dat besef zit er bij ons natuurlijk ook wel. Waar wij wel mee te maken hadden is dat nieuwe bewoners uiteindelijk weinig anders te kiezen hadden en niet per se iets toevoegden aan de kwaliteit van de buurt. Ze hadden niet echt een buurtnotie of een verantwoordelijkheidsgevoel voor zo’n buurt.’
De oplossing voor deze problematiek was duidelijk: meer differentiatie in woningaanbod en bevolkingssamenstelling. Om de sociale en economische infrastructuur van de wijk te verbeteren was fysiek ingrijpen noodzakelijk. Voorstanders van de sloop verheugden zich op de vernieuwing van hun wijk. Een van hen was Fatima, een 28-jarige Marokkaans-Nederlandse vrouw, die zich naast haar werk bezighield met allerlei sociale activiteiten in de wijk, gericht op met name vrouwen en ouderen. Ze wilde graag in de Louis Couperusbuurt blijven wonen,
8
was ook wel bezorgd of dat na de sloop nog wel kon, maar bleef toch een voorstander van de vernieuwing. Haar woning was gewoon vreselijk, stelde ze. Sterker nog, toen ze voor het eerst ging kijken was ze ontzettend geschrokken. De achterdeur kon niet open omdat de tuin helemaal overgroeid was. De muren hadden alle kleuren van de regenboog. Het was een vreselijk zootje. Vóór haar hadden meer dan tien mensen de woning al geweigerd. Toch besloot ze de woning te accepteren, voornamelijk omdat ze geen keus had. Ze hield van haar wijk, maar niet van haar woning:
‘Het is gewoon een piepklein woninkje van 32 vierkante meter. Je kunt er helemaal niks, ik heb niet eens een douchebak. Tandenpoetsen moet in de keuken. En het huis is gewoon heel slecht onderhouden; de muren zijn heel slecht; gewoon nog een kachel. En de woning is héél erg gehorig, ik weet alles wat de buurman doet. Je hebt dus geen privéleven, je hoort echt alles van elkaar. Stel dat ik gewoon een boek aan het lezen ben of zo, dan hoor ik echt alles wat ze zeggen.’
Fatima was daarom toe aan iets anders. De vernieuwing van Slotermeer bood in haar ogen perspectief op een mooiere woning. In de late winter en het vroege voorjaar van 2008 werden de eerste publieke bijeenkomsten georganiseerd over de vernieuwing van Slotermeer, waaronder ook een avond in de Louis Couperusbuurt. Oorspronkelijke stedelingen refereerden soms aan deze bijeenkomst als ‘de wolkjesavond’ – hen werd gevraagd te discussiëren over problemen en irritaties in de wijk en in wolken op grote vellen papier hun dromen over de toekomst op te schrijven. De bijeenkomsten waren onderdeel van een traject dat enkele maanden eerder was begonnen en waarvoor een extern bureau was ingehuurd: de Joop Hofman Alliantie (JHA). De bedoeling was dat de JHA, in het kader van de bewonersparticipatie, onderzoek deed in de wijk en ‘de agenda van de wijk ophaalde’. Vijf veldwerkers van JHA organiseerden een serie van activiteiten om de wijk te leren kennen en bewoners te ontmoeten. Een groep actieve wijkbewoners werd gevraagd in een begeleidingsgroep zitting te nemen. De JHA claimde in het eindrapport dat meer dan 1600 bewoners van Slotermeer op een of andere manier in het project hadden geparticipeerd.iv
9
Terugkijkend stelden veel bewoners dat ze ten tijde van dit onderzoek niet wisten waar het voor diende. De activiteiten van het bureau waren onderdeel van een traject dat zou leiden tot de formulering van plannen voor de vernieuwing van Slotermeer, maar bewoners stelden achteraf dat ze daarvan niet op de hoogte waren. Hadden ze geweten dat de toekomst van hun woning op het spel stond, hoorde ik vaak, dan hadden ze opgepast met wat ze zeiden. ‘Niemand heeft mij ooit gevraagd of ik mijn huis gesloopt wilde hebben,’ stelde Rick bijvoorbeeld. De vragen die wel gesteld werden waren algemener. Welke problemen kwamen bewoners in de wijk tegen? Welke dromen over de toekomst hadden ze? Veel bewoners grepen hun kans: eindelijk hadden ze de mogelijkheid hun beklag te doen. Toen ik Rick hierover sprak verschoof de focus van zijn verhaal van het verdedigen van de respectabiliteit van de wijk naar het opsommen van problemen: prostitutie aan huis, inbraken, geluidsoverlast en burenruzies. Bewoners als Rick hadden vooral klachten over gebrek aan onderhoud aan de woningen en de publieke ruimte en over het toewijzingsbeleid van de corporatie.
‘Wat er hier is gebeurd is een verkeerd woningtoewijzingsbeleid. Mensen uit de Jellinek [kliniek voor verslaafden, PM], mensen met psychiatrische problemen, criminelen. Dat hebben ze bewust gedaan, in onze ogen. Geen wonder dat je problemen krijgt.’
Die klachten resoneren dus met de verhalen van Martine en Fatima, maar werden door tegenstanders van de sloop geheel anders geïnterpreteerd. Het ‘gebrekkige onderhoud’ en ‘slechte toewijzingsbeleid’ zagen sommige bewoners als een strategie om de sloop te legitimeren. Toen de fractievoorzitter van de PVDA, die in de periode 2006-2010 in het stadsdeel een absolute meerderheid had, in een raadsdebat ook nog eens over de Louis Couperusbuurt en omliggende buurten zei ‘Slotermeer-Zuid is het slechtste deel van Slotermeer’, zagen bewoners dit als onderdeel van de symbolische sloop van de wijk. Zij waren dan ook woedend. In het voorjaar van 2008 concludeerde de JHA in een rapport dat bewoners van Slotermeer weliswaar allerlei klachten over de wijk hadden, maar hun wijk absoluut niet wilden verlaten.v Over de Louis Couperusbuurt schreef de JHA :
10
‘Bij alles wat bewoners opperen is betaalbaarheid het belangrijkste meetpunt waarop bewoners baseren of er wel of niet iets moet gebeuren.’
Voor bewoners stond voorop dat het financieel mogelijk moest zijn om in de wijk te blijven wonen. De plannen voor de vernieuwing van Slotermeer waren toen al volop in voorbereiding. In maart 2009 werden bewoners nogmaals uitgenodigd voor een bijeenkomst. Dit was de dag waarop zij voor het eerst van de concrete sloopplannen hoorden. Een van de bewoners, Marian, herinnerde zich de avond goed. Marian was opgegroeid in een sociaaldemocratisch middenklassegezin, in een wijk in Amsterdam Nieuw-West, slechts zes minuten op de fiets van waar ze nu woonde in de Couperusbuurt. Ze was single, had een baan in het onderwijs op een school voor kinderen met fysieke beperkingen. Toen ik haar voor het eerst sprak, begin 2010, was ze net vijftig geworden. Ze woonde sinds begin jaren tachtig in de Couperusbuurt; het was haar eerste woning nadat ze het ouderlijk huis had verlaten. Geboren en getogen in Nieuw-West kende ze de praktijk van sloop en nieuwbouw goed.
‘Ik heb alles wel zien gebeuren hoor, eerst in Osdorp. Met pijn in mijn hart en tranen in mijn ogen, dat ik dacht, mijn god, wat zijn ze hier aan het doen! De flat waar ik met mijn ouders heb gewoond, waar ik geboren ben (...) Alles wordt in een keer zo, hup, weggemaaid. Je krijgt een soort bombardementsgevoel. Een onmachtsgevoel, zo van: platgewalst. Zo van platgooien die handel. (...) Alsof een deel van je leven, je bestaan wordt weggesloopt.’
In tegenstelling tot Fatima en Martine benadrukte Marian geen goede reden te zien voor de sloop van de Louis Couperusbuurt, die voor haar dan ook onverwacht kwam.
‘Ik heb de hele wijk natuurlijk zien veranderen [demografisch, PM], maar ik heb dat eigenlijk altijd heel leuk gevonden. (...) Ik heb me ook ontzettend verbaasd over het feit dat wij een Vogelaarwijk zijn. Ik dacht echt: mijn hemel. En op zo’n avond is door de PVDA gezegd dat dit de slechtste wijk van Slotermeer is.
11
Ik heb geen idee waar mensen dat vandaan halen, maar het steekt wel heel erg. Dan denk ik, hoe komen jullie daar nou bij?’
Marian herinnerde zich de bijeenkomst van maart 2009 als dramatisch en emotioneel.
‘Ik kwam daar binnen en toen hadden ze allemaal van die kaarten opgehangen van de wijken, die hadden ze ingekleurd. (...) ’s Middags was er ook zo’n bijeenkomst geweest – nou die was helemaal uit de hand gelopen, dat had ik al gehoord. Mensen waren flink tekeergegaan. De bijeenkomst ’s avonds hebben ze toen aangepast. Er werd medegedeeld; er was helemaal geen discussie mogelijk. De discussie werd gewoon afgekapt. Er werd medegedeeld. En dan kon je een paar vragen stellen, maar dat was heel beperkt.’
In december 2009 werd tijdens een raadsvergadering in het Tuinstadhuis het definitieve besluit genomen over de vernieuwingsplannen. Honderden bewoners waren erbij en volgden de raadsvergadering op televisieschermen in allerlei zaaltjes; in de raadszaal zelf was onvoldoende ruimte. Enkele bewoners hadden zich opgegeven om in te spreken. Een bewoonster stelde bijvoorbeeld dat de ‘echte reden’ voor de herstructurering in haar ogen de centrale locatie van de wijk was: dichtbij de Sloterplas, bij treinstation Sloterdijk en vlakbij Schiphol.
‘De grijze pakken zien eurotekens: de huidige bevolking van Slotermeer is van het verkeerde soort en moet vervangen worden.’
Zij drukte met die woorden een sentiment uit dat ik tijdens mijn onderzoek steeds weer tegenkwam: het gevoel, de overtuiging, dat de vernieuwingsplannen werden gedreven door grote financiële belangen waarop ‘gewone mensen’ geen invloed hadden. Een buurtactiviste genaamd Greet sprak de volgende woorden tijdens een van de publieke bijeenkomsten over de vernieuwing van Slotermeer:
‘Er wordt zoveel gesproken over het grotere goed en het algemeen belang. Maar wat wordt er bedoeld? Bedoelt men het algemeen belang van bewoners of het
12
algemeen belang van de mannen van het grote geld? De stad en de corporaties hebben besloten, jaren geleden al, dat ze een grote transformatie van Slotermeer willen. En nu pas worden wij uitgenodigd om te “participeren”. We mogen onze mening geven, maar wie bepaald wat de juiste mening is? Het grote geld?’
Tijdens een andere bijeenkomst stelde een andere bewoonster, Lydia:
‘Wij wonen op een prachtige maar dure locatie en dat mag niet, mensen met een klein inkomen hebben al weinig en dus mogen ze ook niet mooi wonen, en daarom is er een, ik noem het maar een deportatieplan bedacht (....) Ik zeg bewust “deportatie” omdat het lijkt op wat er in Zuid-Afrika gebeurd is: de mensen uit hun huizen jagen en naar een plek verbannen waar ze niet willen zijn. Alleen omdat hun huidskleur anders is. Bij ons geldt niet de huidskleur maar de dikte van de portemonnee. Er is geïnventariseerd hoe de bevolkingssamenstelling in Geuzenveld-Slotermeer eruitziet. Dat is: laagopgeleid, grote werkloosheid, vroegtijdige schoolverlaters, ouderen met AOW, met of zonder klein pensioentje. En aan die populatie heb je niet veel of eigenlijk niks wat betreft hun bestedingspatroon. Dus weg ermee.’
Tegenstanders van de vernieuwingsplannen spraken dus over het participatietraject als een farce. Waar het lokale bestuur en corporaties spraken in termen van ‘samen plannen maken’, benadrukten bewoners dat ze in hun ogen geen werkelijke inspraak, geen werkelijke stem hadden. Dat gevoel werd nog eens versterkt door het verhaal dat een van de lokale PVDA-wethouders gezegd zou hebben: ‘Jullie kunnen hoog en laag springen, gesloopt wordt er toch!’ Dit verhaal werd doorverteld, circuleerde en won zo aan symbolische betekenis. Bovendien hadden bewoners ook zelf, vaak achteraf tot hun frustratie, bijgedragen aan de metaforische afbraak – de stigmatisering – van de buurt. Dit werd nog eens bevestigd door een van de buurtwerkers die ik sprak:
‘Je kent die mensen toch wel, in de Couperusbuurt? Ze hebben zelf de politiek en de corporatie heel veel argumenten voor sloop gegeven. Heel veel geklaagd. Klagen kunnen ze heel goed, in die wijk. Over woonomstandigheden. Over daar
13
een drugspand, daar illegalen, daar niet goed. (...) Ze klagen steen en been en wisten niet dat ze hun eigen graf aan het graven waren.’
Onder tegenstanders van de sloop overheerste een gevoel van stemloosheid, dat Marian als volgt samenvatte:
‘Ik heb geen moment het gevoel gehad dat er ruimte was voor echte discussie. Je voelde gewoon dat alles al beslist was.’
Die opmerking illustreert dat er in de ogen van de tegenstanders van sloop geen democratische ruimte was waar hun stem gehoord werd: er kwam geen representatieve link tot stand tussen de eisen en verlangens van mensen en ‘de politiek’. Dat vertoog van stemloosheid werd ingevouwen in een breder vertoog over gewone mensen die bedonderd, bedrogen en verdrongen worden door een elite met een eigen agenda. De woede hierover en het gevoel geen stem te hebben en niet te worden gerepresenteerd evolueerde in de alledaagse constructie van een front tussen ‘wij’ en ‘zij’ – ‘het volk’ versus ‘de ander’, gewone, respectabele mensen versus een politieke en institutionele elite, ‘het grote geld’ of ‘de grijze pakken’.
Scheefwoners en postmigranten
Dit ‘verdringingsvertoog’ poneert ‘gewone mensen’ tegenover een gewantrouwde overheid en corporaties. Het op gentrificatie gerichte beleid betekent een breuk met de traditie van de Amsterdamse volkshuisvesting. Was sociale woningbouw in het verleden een recht en werd een hoog percentage sociale woningbouw gezien als een aanwinst voor de stad, vanaf de jaren negentig veranderde dit. Sociale woningbouw kwam in een kwaad daglicht te staan als de oorzaak van sociale problemen (Uitermark et al. 2007, p. 128): het zou leiden tot concentraties van armoede, segregatie en gebrek aan perspectief. De nadruk kwam te liggen op de noodzaak het aantal sociale woningen te verminderen en huiseigenaarschap te bevorderen. In deze transformatie articuleren expliciet liberale ideeën over individuele verantwoordelijkheid, goed burgerschap, keuzevrijheid en eigenaarschap.
14
Huiseigenaarschap wordt gelinkt aan individuele verantwoordelijkheid en autonomie, wat weer positief verbonden wordt met meer leefbaarheid en betrokkenheid bij de wijk. In deze context wordt sociale woningbouw het onderwerp van conflict en strijd, waarin ook stereotype beelden van postmigranten als ‘buitenstaanders’ een rol spelen. Toen Marian zich in maart 2009 realiseerde dat er plannen waren voor de sloop van de Couperusbuurt was ze bang dat haar hele leven overhoop werd gehaald. Zowel zij als Rick vertegenwoordigden een groep bewoners voor wie de sloop van de Couperusbuurt grote persoonlijke, financiële gevolgen zou hebben. Beiden bewoonden een goedkope sociale huurwoning, waarin ze respectievelijk zestien en dertig jaar geleden arriveerden, toen ze een nog veel lager inkomen hadden. Beiden waren er ondertussen financieel op vooruit gegaan, maar in hun goedkope woning blijven wonen. Het percentage van hun inkomen dat ze aan huur besteedden was dus sterk gedaald. Mensen als Rick en Marian worden in politieke debatten tot ‘scheefwoners’ gerekend: mensen met een relatief hoog inkomen in een sociale huurwoning. De afgelopen decennia is een nieuwe consensus ontstaan, waarin sociale woningbouw niet langer wordt gezien als een voorziening voor alle inkomensgroepen, maar alleen voor mensen met een laag inkomen (zie Uitermark 2011). Niet voor Rick en Marian dus, die met hun relatief hoge inkomens allang hadden moeten verhuizen. Maar Rick en Marian wilden helemaal niet verhuizen. Hun lage huur maakte het mogelijk dingen te doen die ze niet zouden kunnen als ze in Amsterdam een huis moesten kopen of zouden moeten huren op de commerciële markt. Toen ik bij Marian op bezoek kwam zag ik in de hal van haar woning een enorme kaart van de wereld, met tientallen pinnetjes erin, die aangaven welke plekken ze al bezocht had. Ze vertelde me:
‘Op een gegeven moment kreeg ik een relatie, ben ik hier gaan samenwonen. Toen heb ik ook nog op het punt gestaan iets te kopen. Toen ging ik naar zo’n hypotheekkantoor. Op mijn salaris had ik dan een tophypotheek nodig. Die mevrouw die daar zat zei: “U zit nu op een lage huur. De overgang zal wel zwaar worden.” Vijf- à zeshonderd gulden per maand meer. Dat was toen een
15
enorm bedrag, een jaar of vijftien geleden. Toen dacht ik: maar ik wil auto kunnen blijven rijden, op vakantie kunnen gaan.’
Rick en zijn partner hadden buiten de stad een Japanse tuin waar ze veel tijd doorbrachten in het weekend en de zomer. Als echte dierenvrienden doneerden ze bovendien aan de dierenbescherming en vergelijkbare organisaties – en dat wilden ze blijven doen. Ik vroeg Rick in een van onze gesprekken of hij zou overwegen een appartement te kopen als de sloop door zou gaan.
‘Nee, want dan moet ik mijn hele leven anders gaan indelen en dat ben ik gewoon niet van plan. (...) Wij hebben een boot, ik heb een grote speedboot waar ik heel veel mee weg ben. Om te varen, weet je wel. Dat zijn ook dingen wat geld kost. En ik kan dat allemaal doen omdat ik er genoegen mee neem dat ik kleiner woon. Ze hebben het wel over scheefwonen, maar ja, wat is scheefwonen? Ik zit hier op 32 vierkante meter bij mekaar. Wij betalen 240 euro per maand. Dat is een klein bedrag, dat geef ik wel toe. Maar wat heb ik ervoor? 32 vierkante meter!’
Geconfronteerd met de sloopplannen, zagen zowel Rick als Marian dus de dreiging dat niet alleen hun woning, maar hun leefstijl ‘gesloopt’ zou worden. Beiden zouden gedwongen zijn een dure woning te zoeken op de oververhitte Amsterdamse woningmarkt. En dat betekende dat ze een groot deel van de zaken waaraan ze waarde hechtten zouden moeten opgeven. Dit versterkte bij beiden een gevoel van verdringing, zoals duidelijk werd uit Marians woorden:
‘Mag ik ook wonen? Heb ik als alleenstaande ook nog rechten? Moet ik wijken voor al die gezinnen? Men is van mening dat ik hier niet hoor. (...) Ik ben het er gewoon niet mee eens. Ik wil gewoon niet weg. Ik had best weg gekund als ik had gewild, maar ik heb geen zin om krom te liggen voor een grote en dure woning.’
16
Rick antwoordde op het verwijt dat hij ‘scheefwoont’ met een alternatieve visie op wat scheefwonen is. Hij stelde:
‘Je kunt dat wel scheefwonen noemen maar als ik ga kijken wat sommige mensen betalen die huursubsidie hebben... Die zitten op een woning van bijna honderd vierkante meter en die woning zou eigenlijk veel meer moeten kosten. Wel achthonderd of negenhonderd euro als je het vergelijkt met wat ik heb. Die mensen krijgen huurtoeslag. Alles. Ja, dan denk ik: wat is dan scheefwonen? Hè? Mensen die prachtig wonen en wij die daarvoor betalen of ik? Ze betalen maar driehonderd euro. Dus ja, wat is dan scheefwonen?’
In Ricks commentaar op de notie ‘scheefwonen’ zien we zijn ideeën over ‘witheid’ terugkomen. De gewone, hardwerkende Nederlander staat in Ricks verhaal tegenover de allochtone ander. De hardwerkende Nederlander wordt daarin het slachtoffer van verdringing, niet alleen door ‘de elite’ maar ook door (post)migranten, Rick vertelde me hoe hij jaren geleden, in een ander deel van Nieuw-West, een winkel had. In een ‘witte buurt’ die langzaam bevolkt werd door postmigranten. Toen zijn ‘witte klanten’ vervolgens wegtrokken ging zijn zaak failliet: allochtonen hadden geen interesse in zijn producten.
‘Nu word ik wéér weggedreven uit mijn woning. En waarom? Omdat er grotere woningen moeten komen. En waarom moeten er grotere woningen komen? Voor allochtonen! Want Hollandse mensen zijn max met z’n vieren. Dus ik word nu weer weggedreven.’
Deze benadering van de sloop- en vernieuwingsplannen in de wijk stond niet op zichzelf. De herstructurering in Slotermeer versterkte een onder sommige autochtone bewoners breder levende, maar natuurlijk ook omstreden, opvatting dat postmigranten door een politieke elite werden voorgetrokken en autochtonen werden verdrongen. Marian distantieerde zich uitdrukkelijk van dit soort opvattingen, maar anderen, zoals Rick, zagen in de sloop een poging autochtone bewoners te verdringen ten gunste van postmigranten. In die benadering articuleert bovendien opnieuw het
17
idee van de autochtone stemloosheid - de notie dat gewone mensen niet politiek gerepresenteerd worden, terwijl (post)migranten juist wel gehoord en bovendien begunstigd of bevoorrecht worden.
Postfordistisch affect en populisme
De herstructurering van de Westelijke Tuinsteden, een van de grootste stedelijke vernieuwingsprojecten van Europa, is exemplarisch voor de overgang van een fordistische naar een ‘postfordistische’ samenleving (Harvey 1990; Muehlebach 2011). Het modernistische Nieuw-West was een materiële uitdrukking van het naoorlogse fordisme: van de optimistische, op de toekomst gerichte aspiraties van de wederopbouw – een maatschappijvorm die door Tony Judt recent wat nostalgisch is samengevat als ‘de tijd van collectieve doelen’ (Judt 2010, vertaling PM). Het einde van dit vooruitgangsoptimisme tekent het ‘postfordisme’. De ontwikkeling van Amsterdam is exemplarisch voor deze transformatie. Nieuw-West – ooit het paradepaardje van de modernistische avant-garde – is in toenemende mate neergezet als ‘niet van deze tijd’, een anachronisme. Bewoners van Nieuw-West nemen die beeldvorming persoonlijk: voor hen betekent het dat zij ‘niet meer van deze tijd zijn’. Filosoof Gijs van Oenen betoogde onlangs dat het verzet tegen de stedelijke vernieuwing in Nederland gezien moet worden als een van de bronnen voor het Fortuynisme (2012). Van Oenen stelt dat onvrede en rancune over de intransparante manier waarop grootschalige projecten tot stand komen een uitweg vinden in populistische politiek. Dit is in Slotermeer goed herkenbaar. Stedelijke vernieuwing en huisvesting zijn maatschappelijke arena’s waarin de relatie tussen burgers, de staat en instituties vorm krijgt. Sociale woningbouw was bovendien een belangrijke pijler van de naoorlogse, fordistische welvaartsstaat. Huisvesting en stadsplanning waren van onschatbare symbolische en materiële betekenis om mensen te binden aan het project van de wederopbouw en om de belofte van sociale mobiliteit en maatschappelijke vooruitgang na te komen. In de massale bouw van sociale woningen na de Tweede Wereldoorlog lag een wereldbeeld en belofte verscholen: een geloof in collectieve voorzieningen, maakbaarheid en een sterke en verzorgende staat, en optimisme over de mogelijkheid van sociale mobiliteit en toenemende gelijkheid in
18
een sociaal kapitalisme. In de jaren van massale woningnood bood de overheid door middel van het huisvestingsbeleid letterlijk een thuis. Dat beleid kan daarom gezien worden als index van een affectieve relatie die burgers met een (verzorgende) overheid cultiveerden (Muehlebach en Shoshan 2012, p. 329). Zo bekeken gaat de strijd over de sociaal-ruimtelijke toekomst van Slotermeer over veel meer dan de sloop van woningen. De afbraak van sociale woningbouw staat symbool voor een bredere transformatie van de emotionele relatie tussen de staat en burgers, waarin veel mensen zich in toenemende mate verlaten, verdrongen en niet serieus genomen voelen. In die transformatie ontstaat de symbolische en affectieve ruimte waarop populistische politiek zich kan enten; de sociale infrastructuur waarin rechtspopulistische politiek wortel kan schieten. Dat is zeker het geval als onvrede over ‘de elite’ verbonden wordt met stereotype beelden van (post)migranten en gevoelens van ressentiment en cynisme richting beiden. Dat laatste is echter niet onvermijdelijk. Wijs geworden door jaren van strijd, zijn actieve bewoners, autochtoon én allochtoon, in Nieuw-West zelf hard bezig plannen te maken voor betere participatie. Naar die plannen moet serieus geluisterd worden. Met meer en creatievere vormen van bewonersparticipatie kan de transformatiedrift in het stedelijke vernieuwingsbeleid getemperd worden (Uitermark 2007). De huidige bewoners van herstructureringswijken moeten weer uitgangspunt van stedelijke ontwikkeling worden. Hún stemmen dienen doorslaggevend te zijn en niet de neoliberale belangen van een ondernemende stad en de ideologie van gentrificatie. Dat betekent een breuk met de liberalisatie van de woningmarkt, een kleinschaliger aanpak van de vernieuwing van wijken en een terugkeer naar de traditie van de Amsterdamse volkshuisvesting. Dat kan door opnieuw de nadruk te leggen op een gedifferentieerde maar sociale woningbouw, waardoor de overspannen woningmarkt in Amsterdam serieus wordt aangepakt en ook mensen met lage - en middeninkomens een plek behouden in Amsterdam. De crisis, die ertoe heeft geleid dat de woningen in de Louis Couperusbuurt ondanks alle ophef voorlopig gewoon blijven staan, biedt een uitgelezen kans het hele herstructureringsbeleid opnieuw te overdenken.
19
Geuzenveld-Slotermeer bestond tot 2010 als zelfstandig stadsdeel en ging daarna op in het nieuwe stadsdeel Nieuw-West.
i ii ! iii!
Dit percentage werd in de loop van het proces bijgesteld naar 40 procent.
Het gaat hier om de definitie van het ministerie van VWS in de welzijnsnota 1999-2002.
iv Zie Brunel et al. (2008) voor een visie van bewoners op het participatietraject. http:// www.meerwaldt.nl/downloads/20080825_EvaluatieVanParticipatie.pdf v
Het rapport, Wat vinden bewoners, is online beschikbaar. Een bewonerscommissie in de Louis Couperusbuurt heeft zelf in 2009 een enquête gehouden over de sloopplannen. Dat leverde 220 ingeleverde enquêteformulieren op. Van de deelnemers was zeventig procent tegen en dertien procent voor sloop.
20
Mepschen, Paul (2013) De politiek van sloop. Stedelijke vernieuwing en de sociale constructie van 'gewone mensen' in Slotermeer.
Uploaded by
Paul Mepschen
20 Pages
Sign up
Before we can start your download,
please take a moment to join our community
of 21,070,037 academic researchers.

Download PDFs for
over 5.7 Million papers

Share your papers
with other researchers

See analytics on your
profile & papers

Follow other people
in your field
