(With Arjen Dijkstra, Piter van Tuinen and Djoeke van Netten), Wiskunde als familiebedrijf. Menelaus Winsemius lijkrede op Adriaan Metius (1571-1635). E.H. Waterbolk-reeks 4 (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2012).
Abstract:
Edition of Menelaos Winsemius' funeral oration on the Franeker Professor of Mathematics Adriaan Metius. Except for a facsimile (and a translation into Dutch) of the original edition from 1636, the book gives an introduction to Metius' life and work by Arjen Dijkstra and myself, as well as a bibliography (by Djoeke van Netten) and a short introduction to the eulogy (by the translator Piter van Tuinen).
Research Interests:
Menelaus Winsemius’ lijkrede op Adriaan Metius (1571-1635)
Wiskunde als familiebedrijf
‘Vaarwel Grote Geest! De Melkweg heeft voor jou een sterrenstraat geplaveid. De gouden ether is voor jou gaan stralen. De met edelstenen ingelegde marmeren hemelpoorten hebben jou binnengelaten. De bewegende sterren hebben voor jou nieuwe harmonieën ontworpen. Om je te steunen hebben ze een koor van sterren meegezonden dat wijd en zijd straalt.’ Pier Winsemius, Adriani Metii Epicedium, r. 296-301
Wiskunde als familiebedrijf Menelaus Winsemius’ lijkrede op
Adriaan Metius (1571-1635)
Bezorgd, vertaald en ingeleid door Arjen Dijkstra Goffe Jensma Djoeke van Netten Piter van Tuinen
groningen 2012
Spin of Rete van het papieren astrolabium dat bij de werken van Adriaan Metius werd verkocht. Opvallend is de tulpvorm van dit instrument. Museum Boerhaave, BOERH f 18183
i nhoud
De E.H. Waterbolk-reeks is in 2005 opgezet door de toenmalige Commissie Geschiedschrijving RuG. Zij staat momenteel onder redactie van prof.dr. K. van Berkel Vormgeving: Cor Krüter Productie: Cicero
Afbeelding omslag: Adriaan Metius. Professorenportret. Olieverf op hout. Onbekende artiest. Museum Martena Franeker. Afbeelding omslag achterzijde: De astronoom. Olieverf op doek. Johannes Vermeer, 1668. Museum Het Louvre, Parijs. Op tafel ligt Metius’ Institutiones astronomicae (1614 of 1621).Welu, James,‘Vermeer’s “Astronomer”. Observations on an Open Book’, The art bulletin. An illustrated quarterly, 68-2 (1986) 263-267. Afbeelding binnenkant achterflap:Willem Jansz. Blaeu. Papieren astrolabium, opgedragen aan Adriaan Metius. Dit astrolabium is gesneden uit papier, ingekleurd met inkt en op karton geplakt. Het instrument is gemaakt aan de hand van observaties van Tycho Brahe. Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg (SUB), Signatur: KS 189/925. Trefwoorden: wiskunde – Neolatijn – Gouden Eeuw – universiteits geschiedenis –wetenschapsgeschiedenis – Friesland – Alkmaar – landmeetkunde – astronomie – zeevaartkunde – geschiedenis
© Rijksuniversiteit Groningen 2012
Woord voora f
[7] Arjen Dijkstra en Goffe Jensma (m.m.v. Djoeke van Netten)
Redactie
Wi sk unde als fam il ie be drijf: leve n e n we rk van Adri a an M etius ( 1571-1635)
[9] Piter van Tuinen [55]
De li j k re de al s ge nre
Menelaus Winsemius
Uit het Latijn vertaald door Piter van Tuinen [69]
De li j k re de op A driaan M etius
G e ra adple egde l ite ratuur
[197] Djoeke van Netten [204]
Bi bli og ra f i e van A driaan M etius
978-90-367-5587-0
woord voora f
de bezorgers/schrijvers/vertalers van dit boekje kwamen elkaar tegen in de kring rond Klaas van Berkel en diens project ‘Universiteit Groningen 1614-2014’. In het kader van het vierhonderdjarig bestaan van de Groninger universiteit schrijft Van Berkel een breed opgezette geschiedenis van de Groninger universiteit als ‘de’ universiteit van het Noorden. Ieder op zijn/ haar eigen wijze deden de auteurs onderzoek naar aspecten van het leven en werk van de van origine Alkmaarder wiskundige Adriaan Metius, hoogleraar aan de Friese universiteit te Franeker. Dat werk leidde hier tot een becommentarieerde heruitgave van de belangrijkste eigentijdse biografie van Metius, namelijk de lijkrede door Menelaus Winsemius uit 1635. Hoe het werk aan dit boekje verdeeld is geweest valt gemakkelijk op te maken uit de inhoudsopgave.Voor ons is belangrijker het plezier waarmee we elkaar vonden in onze gemeenschappelijke onder zoeks in te resse. Graag bedanken we Klaas van Berkel die ons in de gelegenheid stelde om dit plezier ook in de vorm van een publicatie gestalte te geven en om zo de geschiedenis van de wetenschapsbeoefening in de Noordelijke Nederlanden in het algemeen en die van de Groninger universiteit in het bijzonder een dienst te bewijzen. Rest ons nog op te merken dat dit boekje, hopelijk onder een gelukkig gesternte, is voltooid op de 440ste geboortedag van onze hoofdpersoon Adriaan Metius: 9 december 2011. De redactie
Plano van Adriaan Anthoniszoon over de gregoriaanse kalender (Alkmaar 1595). Detail. Adriaan Metius ging later deze houtgravures van zijn vader gebruiken voor zijn Eeuwighe handt-calendier (1627). Tresoar (Geschenk van de Freonen fan Tresoar, 2012).
Woord vooraf 7
Arjen Dijkstra en Goffe Jensma (m.m.v. Djoeke van Netten) 1 ‘Hij wenste zich er volledig op toe te leggen om in zijn vaders voetsporen te treden en gedragen door de vleugels van de geometrie en de aritmetica van sterren getal en baan te onthullen.’2
adri aan m etius w i sk unde al s fam il ie be drijf
1. inleiding wetenschapsgeschiedenis heeft soms veel weg van een meeslepend heldenverhaal. Tegen de heersende, traditionele opvattingen in houden geniale natuurwetenschappers heroïsch vast aan door hen ontdekte nieuwe waarheden. Galileo Galilei is wel het bekendste voorbeeld. Tegen de conservatieve inquisitie van de katholieke kerk verdedigde hij in zijn eentje de moderne wetenschap: ‘e pur se muove’ – en toch beweegt ze! In deze narratieve structuur staan het geloof van de goegemeente en de wetenschappelijke waarheid van het individu scherp tegenover elkaar. In veel wetenschapshistorische literatuur (vooral van populariserende snit) als ook in vele romans en films wordt deze
1 De auteurs van deze inleiding hebben eerder ieder op hun eigen wijze onderzoek verricht naar aspecten van Metius’ leven en werk. Goffe Jensma schreef in 1981 een doctoraalscriptie en in 1985 een artikel over Metius; zie Jensma, Adriaan Metius, en Idem, ‘Uit het huis van Arcerius’. Arjen Dijkstra hoopt binnenkort zijn dissertatie Between academics and idiots, een cultuurgeschiedenis van de wiskunde in Friesland in de zeventiende eeuw te verdedigen. Djoeke van Netten zal in april 2012 promoveren op Willem Jansz. Blaeu. Een van de hoofdstukken uit haar boek is gewijd aan Metius’ publicaties en zijn contacten met zijn drukkers-uitgevers. Het boek Koopman in kennis, zal verschijnen bij de Walburg Pers te Zutphen. 2 OFAM, 28/19-22.
De oudst bekende afbeelding van Adriaan Metius (1594). Gravure door Jacob de Gheyn III. Zie: Van Regteren Altena, Jacques de Gheyn, I, 38. Rijksmuseum, Amsterdam. RP-P-1913-2540
8 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 9
tegenstelling vervolgens telkens weer opnieuw gebruikt en daarmee herbevestigd als ijzersterke plot.3 Het is maar de vraag in hoeverre zo’n tegenstelling tussen geniale vernieuwers en traditionele geborneerdheid de beste manier is om naar de geschiedenis van de natuurwetenschappen te kijken. En als er één tijdgenoot van Galilei is die dit beeld ogenblikkelijk logenstraft, dan is het wel Adriaan Metius van Alkmaar. In alles lijkt hij Galilei’s tegenpool te zijn geweest. In zijn eigen tijd gold Metius als een van de succesvolste en productiefste universitaire wiskundigen, maar zijn carrière was overduidelijk niet gebouwd op de koppige vasthoudendheid van een geniale ontdekker. Hem typeerden eerder eigenschappen als meegaandheid, burgerlijk familiebesef, ambachtelijkheid, nuchtere handelsgeest en praktisch inzicht. Zijn succes was eerder een kwestie van aanpassingsvermogen dan van originaliteit. Om dat te zien moet men zich echter ook in Metius’ geval door een forse portie retoriek en beeldvorming heen werken, vooral van zeventiende-eeuwse snit. Men moet het Latijn van zijn belangrijkste biograaf Menelaus Winsemius proeven en diens redevoering wegen in het licht van de weinige en ook fragmentarische bronnen die verder over Metius bekend zijn.4 Uitgaande van Winsemius’ lijkrede proberen we in deze inlei3 Enkele mooie voorbeelden zijn: Ahndori, Sterrenburcht (over Tycho Brahe), Banville, Kepler; Brod, Tycho’s path to god; Sobel, Galileo’s daughter. Over de oorsprong van deze tegenstelling zie Vermij, Een kleine geschiedenis van de wetenschap. In werkelijkheid lag dit alles veel genuanceerder; zie bijvoorbeeld Finocchiaro, Defending Copernicus and Galileo, en Idem, Retrying Galileo. 4 Winsemius’ lijkrede is lange tijd niet beschikbaar geweest. Pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw kwam ze in de universiteitsbibliotheek van Groningen weer voor het licht; zie Van Winter, Hoger onderwijs, 52.Voor zeventiende-eeuws gebruik zie noot 53 hierna; het stuk werd verder in de achttiende eeuw gebruikt door Vriemoet, Athenarum en in de negentiende door Moll, ‘Geschiedkundig onderzoek’ en Boeles, Frieslands Hoogeschool. Een tweede origineel exemplaar wordt bewaard in de bibliotheek van museum Boerhaave te Leiden, een derde in de Gottfried Wilhelm Leibniz Bibliothek in Hannover (signatuur:
ding precies dát te doen.We plaatsen Metius’ leven in een bredere historische en vooral wetenschapshistorische context. De wiskunde waarin Metius zo bedreven was, omvatte in de vroegmoderne periode veel meer dan wat daaronder tegenwoordig wordt verstaan.Wiskunde was alle kennis die gebaseerd was op rekenen met getallen. Zo breed werd ze opgevat dat zowel de muziekleer als het eenvoudig optellen en aftrekken er onder vielen en zowel de optica als de astronomie in al haar verschillende vormen en gedaantes (zoals bijvoorbeeld ook de astrologie). Een astronoom was in de eerste plaats een wiskundige. Het was belangrijker dat hij kon berekenen wanneer welke ster waar aan de hemel zou verschijnen dan dat hij sterren observeerde. 5 Ook Metius komt uit de bronnen naar voren als een wiskundige die op veel van deze terreinen kundig was en die deze kundigheid ook ijverig nastreefde. Zijn voorliefde voor de wiskunde en zijn brede opvatting van het vak had Metius vooral overgenomen van of in ieder geval gemeen met zijn vader Adriaan Anthonisz, maar ook meer in het algemeen werden zijn opvattingen en werkzaamheden sterk bepaald door de omgeving waarin hij in opeenvolgende fasen van zijn leven verkeerde. Allereerst was dat zijn eigen familie. Niet alleen Metius’ vader maar ook drie van zijn vijf broers waren mathematici.Vervolgens hoorden de Metii tot de Alkmaarse en West-Friese burgerij en in die kring komt men veel meer van dergelijke mathematisch aanCm 377:36-51), een vierde in de Nationale Bibliotheek van Zweden in Stockholm (signatuur: 108 B 8 b Br. Metius). 5 Een eerste inleiding op de zeventiende-eeuwse wiskunde geven Bos, ‘De zeventiende eeuw’, en Alberts, ‘Mathematics in the Netherlands’; voor uitgebreidere inleidingen op de geschiedenis van de natuurwetenschappen in het algemeen en de wiskunde in het bijzonder zie: Struik, Geschiedenis van de wiskunde, Struik, Land van Stevin en Huygens en Van Berkel, In het voetspoor van Stevin. De specifiek Friese situatie wordt behandeld door Schippers, ‘Fuotprinten’, en in de omvangrijke inleiding van Terpstra, Friesche sterrekonst. Arjen Dijkstra’s binnenkort te verschijnen dissertatie zal een aanvulling op deze werken zijn.
10 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 11
gelegde, innoverende en doorgaans niet-academisch opgeleide wetenschappers en uitvinders tegen. Soms waren ze aan elkaar, soms dus ook aan de Metii verwant.6 Metius leefde in de vroegkapitalistische, verstedelijkte maatschappij die zich in de tweede helft van de zestiende eeuw op het Nederlandse grondgebied ontwikkelde en hij hield er een opvatting over wetenschap op na die bij uitstek maatschappelijk gericht was.Wetenschap moest, zo merkte hij zelf op, het nut van het gemenebest dienen.7 Meer precies doelde hij daarmee op het welzijn en de welvaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.Toegepast op zijn vak betekende dit dat hij, ook als universitair geleerde, sterke nadruk legde op vijf onderdelen van de wiskunde: rekenkunde, geometrie, astronomie, zeevaartkunde en krijgskunde. De eerste twee waren basisvaardigheden, die iedere student geacht werd te beheersen. Natuurlijk waren ze ook van belang voor Metius’ verdere onderwijs. De astronomie vormde het sluitstuk van Metius’ vak. Metius zelf vond de astronomie het belangrijkst: ‘… de hemelen vertellen de glorie van God’, stelt hij in de opdracht van een van zijn eerste werken.8 Aritmetica en geometrie stonden in dienst van de astronomie, zij waren voor Metius ‘als de vleugels van de menselijke geest’ om de hemel te beschouwen.9
6 Dat de familie van Metius tot de familie was van Cornelis Drebbel, zie gegoede burgerij behoorde kan onder Tierie, Cornelis Drebbel, 24. andere hieruit worden geconcludeerd 7 Het meest kernachtig in zijn aan dat vader Anthoniszoon zelf burgehet Amsterdamse stadsbestuur meester was, dat zijn zoon Anthonie gerichte voorwoord in Metius, Astrouwde met een burgemeestersdochtronomische en Geografische Onderwijter uit Alkmaar en dat Adriaan Metius’ singhe (1632), fol. 2 e.v. tweede vrouw een burgemeesters8 Opdracht aan de curatoren van de dochter uit Schagen was. Dat in deze Franeker academie Metius, Universa kringen verschillende wiskundigen astronomia, II fol. *2v (1605).Vgl. rondliepen wordt betoogd door SnelPsalmen 19:2. ders, ‘Alkmaarse natuurwetenschap9 Opdracht aan de Staten Generaal in pers’. Opmerkelijk in dit verband is Metius, Doctrinae sphaericae 6, (1598). nog dat de vrouw van Frederik de Zie ook Idem, Institutiones astroHoutman, een leerling van Adriaan, nomicae, fol. ***3r (1614). Metius
Dat was niet echt uitzonderlijk, in de vroegmoderne tijd was de astronomie aan de universiteiten doorgaans ook een veel beoefend deel van de wiskunde. De vestingbouwkunde en de zeevaartkunde dienden daarnaast zowel de veiligheid van de Republiek als ook de overzeese handel. Mee dankzij de zeevaartkunde kon vooral de Grote Vaart – de buiten-Europese handel – zich ontwikkelen tot een bloeiende bedrijfstak die op zijn beurt een fundament was onder de bloei van de Gouden Eeuw. Als enig lid van de familie bracht Metius het tot hoogleraar wiskunde. Dat roept uiteindelijk de vraag op welke verschillen en overeenkomsten er waren tussen de autodidacten-wiskunde, zoals deze binnen zijn familie en binnen de stedelijke milieus in de Republiek werd beoefend, en anderzijds de universitaire onderwijspraktijk. 2. metius: literatuur, bronnen, leven In zijn tijd was Metius een van de bekendste en meest zichtbare Nederlandse wiskundigen. In later tijd is over hem echter niet veel geschreven. Bijna uitsluitend in seriële werken – dus daar waar het streven naar volledigheid van een reeks ertoe verplichtte – zijn afgeronde levensbeschrijvingen opgenomen.10 Zo heeft Willem Boeles in zijn Frieslands hoogeschool en het Rijksathenaeum (1878/81) een veel geciteerd biografisch portret van Metius geschreven als onderdeel van de reeks levensschetsen van Franeker hoogleraren. Boeles combineerde daarin informatie uit oudere
ontleent de beeldspraak aan Plato. 10 De belangrijkste uit recente tijd zijn (in volgorde van publicatiedatum): Beek, De geschiedenis van de Nederlandse natuurwetenschap, 26-34; Christianson, On Tycho’s island , 322;Van Berkel e.a., A history of science in the Netherlands, 525-526; Jensma, ‘Uit het huis van Arcerius’; Van Berkel, ‘Het onderwijs in de wiskunde in Franeker’, m.n. 215216 en 220-222; Jensma, Adriaan Metius; Terpstra, Friesche sterrekonst, 53-64; Schippers, ‘Fuotprinten’, 83-86; Snelders, ‘Alkmaarse natuurwetenschappers’, 105-108; NNBW I, 1325-1327; Boeles, Frieslands Hoogeschool II, 70-75 en Vriemoet, Athenarum, 98-112.
12 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 13
gedrukte biografieën met aan de Franeker archieven ontleende gegevens. Zonder enige twijfel is van de oudere, door Boeles gebruikte levensschetsen de lijkrede door de medisch hoogleraar Menelaus Winsemius de belangrijkste.Voor een biografie van Metius is het de enige bron uit de eigen tijd waarin een volledige levensschets wordt gegeven.Winsemius (zie voor een paar opmerkingen over hem de inleiding van Piter van Tuinen hierna) was, doordat hij als collega en vriend Metius zo’n twintig jaar van dichtbij had meegemaakt, in staat om veel feitelijke informatie over de overledene aan te bieden. Zeker in de zeventiende eeuw werd iedere lijkrede uitgesproken onder het motto ‘over de doden niets dan goeds’. Hoewel dit ook voor Winsemius’ verhaal opgaat, lijkt hij toch een betrouwbaar beeld te geven. Een eerste verklaring daarvoor is dat voor zijn rede geldt wat voor lijkredes in het algemeen opgaat, namelijk dat ze voor een publiek werden uitgesproken voordat ze werden gedrukt. Hetzij vooraf in het hoofd van de redenaar, hetzij achteraf, ergens in de gang van het manuscript naar de drukker, had dit een corrigerende werking. Bovendien zaten in dit geval in het gehoor ook Metius’ weduwe en zijn broer Anthonie en zij waren vanzelfsprekend zeer goed in staat om foutieve informatie te bekritiseren en te corrigeren. Probeert men achteraf Winsemius’ beeld van Metius te toetsen aan het fragmentarische materiaal dat archieven en literatuur opleveren dan mag men concluderen dat Winsemius over het algemeen correcte informatie geeft. Hooguit overdrijft hij, omwille van de regels van de retorica en omwille van de nagedachtenis van zijn vriend hier en daar wat. Zo blijkt uit het verhalende overzicht dat Winsemius geeft van de belangrijkste werken van Metius, dat de lijkredenaar goed was ingevoerd in het oeuvre van Metius. Daarnaast is het bijvoorbeeld mogelijk om enkele van de ‘beroemde’ studenten die Winsemius noemt te identificeren; ook daarin lijkt hij dus dichtbij de waarheid te zijn gebleven.11
11 OFAM, 56/22-25-57/1-6. 12 OFAM, 53/18-21. 13 Te weten van Andreas Libavius, Alchymia (Tresoar, sign. 411 Ntk fol);
Tenslotte is Winsemius hier en daar ook kritisch over zijn overleden vriend. Ook al verhaalt hij niet over de echte schaduwkanten van Metius’ leven, hij vervalt beslist niet in een hagiografie. Een voorbeeld van het laten zien van schaduwkanten is de alchemistische interesse die Winsemius Metius toeschrijft; Metius zou veel geld hebben verspild aan zijn zoektocht naar de steen der wijzen en Winsemius is daarover zeker niet onverdeeld positief.12 Twee tegenwoordig in Tresoar ondergebrachte boeken over alchemie getuigen van Winsemius’ correcte weergave van de feiten. Ze werden door Metius indertijd aan de Franeker universiteitsbibliotheek geschonken.13 Ook zijn er aanwijzingen dat Metius deelnam aan alchemistische experimenten op het Sjaerdemaslot van de Franeker edelman Carel van Sternsee.14 Er komen uit de bronnen ook zaken naar voren die niet in de lijkrede worden genoemd. Zo kwam Metius rond 1610 hard in aanvaring met Henricus de Veno, de toenmalige hoogleraar in de filosofie. Vermoedelijk was dit omdat De Veno de universiteitsetiquette doorbrak en veel te vriendelijk met zijn studenten omging, maar mogelijk had het ook met zijn al te moderne opvattingen over de filosofie te maken. 15 Metius ‘twistzieke’ gedrag in deze affaire kwam hem te staan op een korting van 100 gulden op zijn salaris. Later zou een dergelijke straf hem nog een aantal keer worden opgelegd, maar dan voor openbare dronkenschap.16 Ook dat laat Winsemius onvermeld. Deze inleiding gaat vooral dieper in op Metius als wiskundige en als lid van wat we hier het ‘familiebedrijf Metius’ noemen. De contacten die hij onderhield met zijn vader en zijn broers zijn
en idem, Syntagma selectorum (Tresoar, sign. 412 Ntk fol); en Aureolus Paracelsus, Bücher und Schriften (Tresoar, sign. 234 Gnk fol). 14 Dat blijkt uit de nalatenschap van deze Van Sternsee. Daarin werden drie distilleerketels en vele glazen en potten aangetroffen. Dat Metius en Van Sternsee hebben samengewerkt blijkt uit een gezamenlijke aankoop van steenwol, ‘twelcke sij gebruikt hebben tot eenige distellatien’; Breuker, ‘Die Metius oan Alchemy?’, 30; zie ook Dijkstra, Between academics, hoofdstuk 4. 15 Lüthy en Spruit, ‘The doctrine, life and Roman Trial’, 1129-1130. 16 Boeles, Frieslands hoogeschool II, 72.
14 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 15
van belang om de hoogleraar Metius beter te kunnen begrijpen. Zelf heeft hij trouwens nooit een gezin gehad. Hij trouwde weliswaar twee keer maar beide huwelijken bleven kinderloos.Voor verdere biografische gegevens verwijzen wij naar (de vertaling van) de lijkrede en de annotatie daarbij. 3. stad van herkomst: alkmaar menelaus winsemius pakte in zijn lijkrede breed uit en zette Metius’ leven onmiddellijk in Europees perspectief. Metius, zo begon hij de eigenlijke levensbeschrijving,17 was ter wereld gekomen in een jaar waarin de christelijke wereld in de slag bij Lepanto (1571), één van de grootste zeeslagen ooit, een glorieuze overwinning op de Turken had behaald.Winsemius gaf daarmee ook de Europese reikwijdte van Metius’ werk en roem aan. Geleerdheid was toentertijd ondergebracht in de bovennationale gemeenschap van geleerden die – men gebruikte daarvoor het Latijn – door brieven en door persoonlijk contact met elkaar in verbinding stonden. En inderdaad, Metius’ werk was binnen deze Republiek der Letteren niet onopgemerkt gebleven. In de jaren van zijn vorming reisde hij door Europa, later kwamen vanuit geheel Europa leerlingen bij hem op college en mee dankzij hen werden zijn boeken weer door geheel Europa verspreid.18 Het begin van Metius’ roem kunnen we echter beter dichter bij huis zoeken, in Alkmaar. In verschillende van zijn boeken refereerde Metius – bescheidener dan Winsemius – aan zijn eigen geboorte: ‘Daer is een vrundt gheboren tot Alcmaer in Noort17 OFAM, 16/11-16. 18 Van Netten, Koopman in kennis, hoofdstuk 3. Illustratief mag in dit geval zijn dat Metius’ werk al in de eerste helft van de zeventiende eeuw op de index van door de rooms-katholieke kerk verboden boeken staat, zie Novus index librorum, 6. Daar staan aanwijzingen welke pagina’s uit Metius’ werk verwijderd moeten worden, voor het boek in bezit mag worden genomen. Tot aan het begin van de negentiende eeuw bleef Metius op dergelijke lijsten voorkomen, zoals bijvoorbeeld: Indice, 11.
Plattegrond van Alkmaar uit de zeventiende eeuw. De vestingwerken rond de stad zijn ontworpen door Adriaan Anthonisz. In: Blaeu, Toonneel der steeden.
16 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 17
hollandt.Anno 1571 op den 9. December nae d’oude stijl’.19 Zijn jeugd kan ook zo in verband worden gebracht met een cruciale militaire gebeurtenis, namelijk met het mislukte Spaanse beleg van Alkmaar in 1573. Het bekende zinnetje ‘Van Alkmaar de victorie’ markeert een keerpunt in de Nederlandse geschiedenis. Een maandenlang Spaans beleg van de stad werd doorstaan en daarmee werd het Spaanse leger voor het eerst sinds het begin van de Opstand in de jaren zestig een halt toegeroepen. Deze turbulente gebeurtenissen in zijn geboortestad zal Metius zelf nauwelijks bewust hebben meegemaakt. In 1573 was hij nog geen twee jaar oud. Toch hadden ze om verschillende redenen een immense invloed op zijn leven en werk.Veel van wat hij later meemaakte en ook veel van zijn werk stond in het teken van de strijd tegen Spanje. De oorlog bood ook kansen. Het dwong Nederlandse wiskundigen tot een wetenschapsopvatting waarin praktisch nut centraal stond. Daar komt bij dat juist zijn vader, Adriaan Anthoniszoon, als vestingbouwkundige op beslissende wijze aan deze overwinning bijdroeg.20 Hij nam de leiding bij het opwerpen van de verdedigingswerken die de Spanjaarden uiteindelijk buiten de stad hielden.21 Mede door deze succesvolle inspanningen kwam Adriaan Anthonisz in contact met de bovengewestelijke Staten-Generaal en met de stadhouders Willem van Oranje, Maurits en Willem Lodewijk. Deze laatsten hadden een spilfunctie in ’s lands verdediging.Van deze patroon/cliëntcontacten maakten Adriaan Anthonisz’ zonen, Adriaan Metius voorop, later dankbaar gebruik. Wetenschapshistorisch passen zowel het leven van Adriaan Anthonisz als dat van zijn zoon Adriaan en diens broers goed in het Alkmaarder stedelijk milieu. Ook al hanteert Winsemius hier duidelijk een gemeenplaats,22 zijn opmerking dat Alkmaar boven andere steden uitsteekt door het grote aantal wetenschappers
19 Onder andere in: Metius, Instituti21 Direct na het beleg werd de stad onum Astronomicae, 77 (1621) of in onder Anthonisz’ leiding nogmaals het Latijn (‘natus est amicus….’) in versterkt om zo ook een eventuIdem, De genuino usu, 90/91 (1624). ele toekomstige aanval te kunnen 20 Voor literatuur over Anthonisz zie afslaan; Bitter, ‘Ommuurd’, 74-77. noot 28 hierna. 22 Zie OFAM, 10/13 met noot 27.
van naam dat deze stad in de zestiende eeuw voortbracht is toch meer dan een cliché.Winsemius somt een hele rij met namen op van beroemde Alkmaarse wetenschappers en eindigt deze met generatiegenoten van Metius, onder wie de uitvinder-filosoof Cornelis Drebbel (1572-1633), de zeeman-astronoom Frederik de Houtman (1571-1627) en de uitgever-instrumentmaker Willem Jansz. Blaeu (1571-1638).23 Alle drie groeiden ze, net als Metius, op in Alkmaar in de jaren 1570 en alle drie zijn ze ook nu nog min of meer bekende historische figuren. Het intellectuele klimaat in Alkmaar, met zijn relatief grote aandacht voor wiskunde kan, zoals de historicus Snelders suggereert, wellicht in verband worden gebracht met de overwegend doopsgezinde en dus erg individualistische achtergrond van vele van deze niet-academisch gevormde mensen.24 Een andere, veel betere, verklaring is echter dat de wiskunde in zijn toepassingen behulpzaam was bij de herinrichting van stad en land in de zestiende eeuw. Alkmaar groeide in de periode tussen 1500 en 1625 sterk, namelijk van ca. 4.000 tot ca. 12.000 inwoners. In 1573, twee jaar na Metius’ geboorte, had de stad 8.000 inwoners.25 Niet alleen de stad zelf, maar ook ondernemers en grondbezitters profiteerden van de uitvinding van nieuwe werktuigen, van nieuwe technieken om de omliggende plassen en meren droog te malen en te bedijken, van rekenkundige kennis en van manieren om stad en land in kaart te brengen.26 4. adriaan anthonisz in dit milieu was ook Metius’ vader opgegroeid. Adriaan Anthonisz werd in – hoogstwaarschijnlijk27 – 1541 geboren als zoon
23 Ook oudere literatuur benadrukt de wetenschappelijke prestaties van Alkmaarse geleerden, zoals Sierick Siercksma al deed in de toelichting bij Joan Blaeu’s Toonneel der steden (1652), zie hieronder noot 53. 24 Snelders, ‘Alkmaarse natuurwetenschappers’, 119.Vis, ‘Centrum van de Hollandse reformatie’, 137, schat dat in 1576 de Alkmaarder doopsgezinde gemeente groter was dan de gereformeerde. 25 Bitter, ‘Ommuurd’, 77. 26 Hierover:Van Berkel, In het voetspoor
18 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 19
van een welgesteld Alkmaars burger.28 Anthonis Heertgisz (gestorven 1574) was een ondernemer die vele ambten in het stadsbestuur bekleedde en die onder andere ook waagmeester was geweest.29 Getuige een aantal leningen die hem in 1543 en 1561 werden verstrekt, voorzag hij onder andere in zijn levensonderhoud door op grootschalige wijze zout te zieden.30 Adriaan Anthonisz zou zich, dus ontwikkelen tot een figuur van nationale statuur. Zijn loopbaan begon echter gewoontjes als landmeter en kaartmaker (vanaf 1566). In 1568 werd hij als landmeter geadmitteerd voor het Hof van Holland en op de acte werd toen aangetekend dat hij zich al van jongs af aan aangetrokken had gevoeld tot de geometrie.31 Zijn belangstelling, zo weten we bijvoorbeeld uit het werk van zijn zoon Adriaan, beperkte zich echter niet tot de landmeetkunde.32 Wiskunde was voor hem een breed vak. Hij begaf zich in openbare, nationale
van Stevin, 13-34; Struik, Land van Stevin en Huygens, i.h.b. 57-62. 27 Opmerkelijk is dat Winsemius over Adriaan Anthoniszoon zegt dat hij bij zijn dood ‘octogenario maior’ was – ‘in de tachtig’. Dit strookt niet met 1541 als geboortejaar zoals Belonje, ‘Biografische notities’, 43 geeft, een geboortejaartal dat in latere literatuur steeds is overgenomen; zie Westra, Nederlandse Ingenieurs, 36, en Wortel, ‘Adriaen Anthonisz’, 175. Omdat hij zeker in 1620 stierf, zou dit immers inhouden dat hij bij zijn dood hooguit negenenzeventig jaar oud zou zijn geweest. Uit archiefstukken blijkt het ongelijk van Winsemius. Adriaan Anthonisz was op 14 juni 1607 56 jaar oud en op 18 maart 1615 73 jaar. Adriaan Anthonisz is derhalve tussen 18 maart en 14 juni 1541 geboren; Regionaal archief Alkmaar, Notariële archieven, toegangsnummer 10.3.003, rubriek 1.7, deel 36. Literatuur over Adriaan Anthonisz: NNBW I, 157, Belonje, ‘Biografische notities’; Wortel, ‘Adriaen Anthonisz’; Westra, Nederlandse ingenieurs, 36-44 en meest recent Vermij, Calvinist Copernicans, 54-57. Belonje, ‘Biografische notities’. Kaptein, ‘Streekcentrum in wording’, 103 en Bitter, ‘Ommuurd’, 71. Adriaan Metius was, in ieder geval tijdelijk, mede-eigenaar van deze familiezaak. In 1615 verkocht hij zijn deel van de ‘zoutkeet te Alkmaar’; Regionaal Archief Alkmaar, Notariële archieven, oud inventaris nummer 52, acte van 11 juni 1615. Westra, Nederlandse ingenieurs, 36. In Metius, Maet-constigh liniael, III, 14 (1626C) maakt Adriaan Metius mel-
28
debatten, bijvoorbeeld over de invoering van de juliaanse kalender, de grootte van het getal pi en een nieuw waargenomen ster in het sterrenbeeld Cassiopeia in 1572.33 Hij ontwierp instrumenten. Zo kennen we van hem een tellurium, waarin – voor die tijd heel verrassend – op copernicaanse wijze de aarde om de zon draaide, en een astrolabium.34 Ook zijn – wiskundige – belangstelling voor muziek en muziektheorie typeert hem.35 Van beslissend belang voor Adriaan Anthonisz’ carrière was dat hij in het beleg van Alkmaar zijn wiskunde ten dienste stelde van het maatschappelijk belang. De wijze waarop hij in Alkmaar het zogenaamde Italiaanse systeem van vestingbouw heel praktisch – misschien speelde de korte tijd die onder oorlogsdruk beschikbaar was hier een rol – wist aan te passen aan Nederlandse omstandigheden, was vernieuwend.36 Waar in Italië de vestingen hoog werden opgetrokken in rots en steen, gebruikte hij in het laaggelegen Nederland liever aarde om bolwerken op te werpen en grachten te graven. Het succes van deze wijze van stadsverdediging maakte, dat Willem van Oranje, de aanvoerder van het Staatse leger in hem geinteresseerd raakte. In de jaren tussen 1573 en 1607 versterkte Adriaan Anthonisz vervolgens in opdracht van de Staten-Generaal maar liefst een dertigtal Nederlandse steden en ging hij ook herhaaldelijk het land in om vestigingen te inspecteren. In 1584 werd hij benoemd tot ‘superding van nagelaten papieren van zijn vader waarin hij snuffelt en die hij dus blijkbaar onder zich had. Ook op vele andere plaatsen in zijn werk staan verwijzingen naar prestaties van zijn vader. Zie bijvoorbeeld ook: Breugelmans en Dekker, ‘Adriaan Anthonisz’, 144-145. 33 Over pi: Moll, ‘Geschiedkundig onderzoek’, 116-177;Vermij, Calvinist Copernicans, 55. Adriaan Anthonisz schreef een pamflet over pi als reactie op een voorstel van een zekere Simon van der Eycke en op verzoek van Willem van Oranje; over Cassiopeia: Metius, Fundamentale Onderwijsinghe, 104 (1627). Over het tellurium:Vermij, Calvinist Copernicans, 56, en http://adcs. home.xs4all.nl/beeckman/Iv/adr. anth-tell.html (opgehaald 9 december 2011). Dit blijkt bijvoorbeeld uit Metius, Maetconstich liniael, 41-42 (1626C). Westra, Nederlandse ingenieurs, 94. Westra, Nederlandse ingenieurs, 39. Belonje, ‘Biografische notities’, 44. Wortel, ‘Adriaen Anthonisz’, 216.
29 30
34
35 36 37 38 39
31 32
20 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 21
intendent van de fortificatiën van Holland’.37 Hij stierf in 1620.38 Zijn huwelijk met Swij Dircksdr. (gest. 1612) leverde in ieder geval zes zonen en twee dochters op.39Vier van de zoons – Dirck, Adriaan, Anthonie en Jacob – volgden hun vaders voetspoor en hielden zich, ieder op zijn eigen manier, veelvuldig bezig met de wiskunde. Op zijn tournees langs de Nederlandse vestingwerken nam Adriaan Anthonisz vaker dan eens zijn zoons mee.40 5. dirk en anthonie metius deze familiaal opgezette wetenschapspraktijk maakt de Metii bijzonder, maar niet uniek. Meer dan tegenwoordig was het indertijd gebruikelijk dat zonen in de voetsporen van hun vaders traden. Instrumentarium en boeken werden van vader op zoon overgeërfd net als – tenminste even belangrijk – symbolisch en sociaal kapitaal als vakkennis en netwerk- of patronagecontacten.41 In de geschiedenis van de wiskunde is de Italiaanse familie Cassini het klassieke voorbeeld van een hele dynastie van astronomen en cartografen. Ook in de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis komt men, onder andere in de families Snellius, Van Langren of Blaeu, volop zeventiende-eeuwse voorbeelden tegen.42 De oudste van de zonen van Adriaan Anthonisz was Dirck (gest. 1599/1600) die zichzelf ook wel Dirck Adriaenszoon (van)
De zoons heetten respectievelijk een van de in dat geval niet met Dirk, Adriaen, Anthonis, Jacob, Jan name genoemde zoons als helper en Abraham, de dochters Barber genoemd; Westra, Nederlandse ingeen Trijntje.Van dezen waren Dirk nieurs, 60. en Trijntje in 1620 al overleden en 41 Cooper, ‘Homes and Households’, leefde in 1635 alleen Anthonie nog 231-232. (zie noot 53 hierna). 42 Over de familie Snellius: De Wreede, 40 Drie van zijn zoons hielpen hun Willebrord Snellius; over de familie vader bij zijn werkzaamheden. In Van Langren:Van der Krogt, Globi 1594 deed Dirck (Adriaensz SchelNeerlandici en voor de familie Blaeu: ven) dat, in 1610 Jacob en in 1602 Van Netten, Koopman in kennis en de Anthonie. Ook voor 1595 wordt daar genoemde verdere literatuur.
Schelven noemde.43 Hij was net als zijn vader, met wie hij in 1594 op een inspectietocht naar Dordrecht reisde, landmeter en ingenieur.44 In 1599 nam hij als ‘boordwiskundige’ deel aan een expeditie van de Hollandse vloot naar de Canarische eilanden, die niet alleen hem, maar ook de expeditieleider Petrus van der Does (1564-1599) fataal werd. Ook de op navigatietechniek gerichte wiskundige belangstelling vinden we bij vader Adriaan Anthonisz. Diens tabellen van de declinatie van de zon werden door Lucas Waghenaer in diens bekende Spieghel der Zeevaert gepubliceerd. Dergelijke lijsten werden gebruikt om de positie van een schip te kunnen bepalen op open zee.Waghenaers boek was indertijd de eerste gedrukte zeemansgids met een systematische opzet.45 Ook de derde zoon die wiskundige werd, Anthonie Metius, was landmeter voor de provincie Holland en mathematicus van de Staten van Holland. Winsemius merkt op dat hij in 1635 nog steeds een salaris ontving van de Staten van Holland.46 Van hem zijn diverse kaarten bewaard gebleven.47 Hij stierf in 1648 en was de langstlevende van de broers.48 6. jacob metius anthonie metius was in 1635 aanwezig op de begrafenis van zijn broer Adriaan en dus ook bij het uitspreken van Winsemius’
43 Ook Adriaan Anthonisz gebruikte soms de achternaam Van Schelven. De naam Metius houdt ongetwijfeld, zoals Winsemius (OFAM, 29/21-25) ook opmerkt, ook verband met Latijn metior – afmeten, maar kan volgens goed humanistisch gebruik tegelijk zijn afgeleid van de naam van de wiskundige uit de Oudheid Meton als ook van Latijn meta – schelf; zie Wortel, ‘Adriaen Anthonisz’, 175. Westra, Nederlandse ingenieurs, 60. Skelton, ‘Bibliographical note’, v. OFAM, 19/22-23. Bijvoorbeeld Donkersloot-De Vrij, Topografische kaarten, 70 en zie ook Westra, Nederlandse ingenieurs, 60. In het Gelders Archief te Arnhem en in het Westfries Archief te Hoorn zijn verder verschillende kaarten van zijn hand te vinden. 48 Anthonie was, volgens OFAM, 19/18-19 de enige van het gezin 44 45 46 47
22 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 23
lijkrede. Door hem in zijn rede driemaal rechtstreeks aan te spreken, voert Winsemius hem op als een soort getuige à charge.49 Dit is vooral belangrijk waar het de geschiedenis van de jongste van de Metii betreft, Jacob Adriaansz.50 Achteraf is Jacob Metius (ca. 1580-1628) de meest besproken Metius gebleken. Hij is door velen genoemd als de uitvinder van de telescoop en omdat dit instrument zo’n vast onderdeel is in de geschiedenis van de wetenschappelijke revolutie is er in de afgelopen eeuwen enorm veel over geschreven.51 Over de vraag wie het instrument daadwerkelijk als eerste heeft uitgevonden wordt tot op de dag van vandaag gediscussieerd.52 Winsemius wijdt een lange passage aan deze Jacob en laat zien hoe ook in de tijd zelf al de vraag speelde wie hier de eerste rechten had. In de meer recente literatuur is deze passage nog weinig gebruikt, wat een reden is om er hier aandacht aan te besteden.Veel van wat uit andere bron over Jacob Metius als persoon wel bekend is geworden, lijkt nu te zijn gebaseerd juist op deze lijkrede en is waarschijnlijk afkomstig is uit de familiekring van de Metii zelf, misschien zelfs wel van Antonie Metius.53 Ook al lijkt deze
die Adriaan overleefde. Zie ook is Zuidervaart, ‘True inventor’, 21. noot 53 hierna. 52 Een goede analyse van de discus49 OFAM, 19/20-21, 22/22, 23/17-18. sies door de tijd heen geeft vooral Vgl. Waterbolk, ‘Van scherp zien’, Zuidervaart, ‘Echte uitvinder’, en: 197-198. Idem, ‘True inventor’. 50 OFAM, 19/24 e.v. 53 In de onder noot 51 genoemde lite51 Moll, ‘Geschiedkundig onderzoek’; ratuur zijn meestal indirect passages De Waard, Uitvinding;Van Helden, overgenomen ook over Jacob MeInvention. Het meest recent is Van tius.Verder is Van der Woude, Kronyk, Helden e.a. (red.), The origins of the 187-188 gebaseerd op Winsemius: telescope. De Waard, Uitvinding en ‘…die (onder andere konststukVan Helden, Invention, geven veel ken) gemaekt heeft een Verre-Kyker relevante primaire bronnen, maar met dewelke, men volmaektelyk de lijkrede van Winsemius is door onderscheide konde zien de letteren, hen niet gebruikt. De enige die – die 2 a 3 Mylen verre stonden: gelyk indirect – naar het stuk verwijst (en den kurieusen in ’t breedt kan lezen die het trouwens bij vergissing dain …’. De enige wat uitgebreidere teert op 1634 in plaats van op 1636) biografische vermelding die in ieder
informatie daardoor betrouwbaar, naar het ons voorkomt is Winsemius’ verhaal toch minder feitelijk dan men zou denken. De context waarin namelijk de feiten betekenis krijgen is die van een topisch verhaal over ‘de uitvinder’. Dat verhaal ziet er bij Winsemius als volgt uit. Hij zet Jacob neer als een sociaal zwakke man. Als jongen kon hij niet leren en zo sociabel als Adriaan en de andere broers waren, zo schuw was deze Jacob. Zo mensenschuw zelfs dat hij op school niet was te handhaven. Hij was ook praktisch ‘analfabeet’. Bij een buurman van zijn ouders – een brillenslijper – raakte Jacob echter bekend met de techniek van het glasslijpen en juist daarin raakte hij uiterst bedreven. De tragisch ingevulde plot van dit verhaal wordt bepaald door het contrast tussen Jacobs sociale en intellectuele handicap en zijn uiteindelijke succes. Dit verhaal, dat in de loop van de tijd (bijvoorbeeld door Descartes)54 verder werd aangedikt, of misschien beter: ingedikt, staat bewijsbaar op gespannen voet met de werkelijkheid. Uit andere bron weten we namelijk dat ook Jacob samen met zijn vader als
geval ogenschijnlijk van vóór 1635 waarschijnlijk zelfs de uitgeschrestamt is van de hand van Sierck ven tekst van deze passage hebben Fongers Siercksma (1624-1665), een gekregen van zijn zwager Anthonie notaris te Alkmaar, die voor Joan Metius, die was getrouwd met zijn Blaeu’s Toonneel der steden (1652) de dertig jaar oudere halfzus Aeltgen; beschrijving van de stad Alkmaar http://home.planet.nl/~ico/kwaropstelde. Daarin vinden we een vrij tier/kwartier.htm#BM758 (opgelange passage over Jacob Metius haald 26 juli 2011). Het sterfjaar van die in enigszins andere vorm ook is deze Anthonie was echter niet 1636, afgedrukt in Fasel, Alkmaar en zijne zoals hier vermeld, maar 1648. Ook geschiedenissen, 43. Het heeft er de de passage door Descartes in zijn schijn van dat de passage is geschreDioptrique uit 1637 kan zo worden ven op 24 juni 1628: toen ‘…wierd thuisgebracht; geciteerd bij Van Helte Alkmaer begraven Jacob Adriaensz den, Invention, 52. Daar is net als bij Metius ….’. In dat geval is het onSiercksma sprake van het maken van mogelijk dat Siercksma deze passage brandglazen uit ijs. zelf heeft geschreven; hij was toen 54 Descartes, Over de methode, 143-144 nog maar vier jaar oud. Siercksma (met toelichting). zal ongetwijfeld zijn inlichtingen en 55 Westra, Nederlandse ingenieurs, 44.
24 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 25
landmeter meeging op inspectietochten langs de Nederlandse vestingsteden. In die hoedanigheid tekende hij zelfs kaarten.55 De typering ‘analfabeet’ zullen we dan ook niet al te letterlijk moeten nemen en interpreteren als ‘niet (erg) geschoold in het Latijn’.56 Het beeld dat Winsemius hier van Jacob Metius schetst als een praktisch ingestelde uitvinder, is door de eeuwen heen vaak herhaald. Een uitvinder is een man die, zoals John Dos Passos dat eeuwen later treffend over Thomas Edison opmerkte, ‘… never worried about mathematics or the social system or generalized philosophical concepts [...] whenever he read about anything he tried it out; whenever he got a hunch he went to the laboratory and tried it out.’57 Wat er zich in zo’n werkplaats precies afspeelt blijft uiteraard geheim totdat er een octrooi wordt verleend. Vraag is achteraf natuurlijk wat Jacob in zijn werkplaats precies uitprobeerde.Was het toeval dat hij de werking van de telescoop ontdekte, zoals Winsemius meent, of lag er systematisch onderzoek aan ten grondslag, zoals Jacob zelf eerder suggereerde? Winsemius meent namelijk dat Jacob door de trial and errorstrategie van zo’n gedreven uitvinder bijna per ongeluk een concave (holle) en een convexe (bolle) lens in elkaars verlengde plaatste. Zo fabriceerde hij – Eureka! – een telescoop. Maar dit spoort niet met de tekst van de octrooiaanvraag door Jacob Metius zelf. Daar spreekt Jacob namelijk helemaal niet van toeval, maar van twee jaren noeste arbeid en van onderzoek van ‘… verborgen konsten, die met het gebruijck en appropieeren van ’t glas, bij eenighe ouden te weghe gebracht sijn geweest…’.58 Een octrooi is de enige manier voor een uitvinder om zijn uitvinding te gelde te maken en dat geldt, zoals in de literatuur vaker dan eens is opgemerkt, zeker voor een relatief simpel na te
56 Merk op dat Winsemius zelf ook zegt dat Jacob met de grootste moeite het alfabet en het Latijn leerde; OFAM, 19/25-20/1. 57 Dos Passos, USA, 252. 58 Octrooiaanvraag ca. 15 oktober 1608 bij de Staten-Generaal.Voor de tekst, zie Van Helden, Invention, 39-40; zie ook Vermij, ‘The telescope’, 90-92, voor een bevestiging van de gang van zaken omtrent de octrooiaanvraag uit de koker van afgevaardigden naar de Staten van Holland uit Medemblik.
maken instrument als de telescoop.59 En dus vroeg Metius als beloning voor zijn jarenlange werk bij de Staten-Generaal in oktober 1608 zo’n patent aan. Helaas voor hem zonder succes. Iemand anders, de Middelburgse brillenmaker Hans Lipperhey, was hem namelijk voor geweest.60 Net als Jacob Metius, maar dan een week eerder, had ook deze zijn ‘instrument om verre te sien’ getoond aan Prins Maurits, de stadhouder van Holland en ook hij had vervolgens bij de Staten-Generaal octrooi aangevraagd. Dat was op 2 oktober 1608. In zijn rol als legeraanvoerder had Maurits een voorliefde voor dergelijke ‘gadgets’ en hij showde er ook graag mee.61 En omdat juist op het moment dat Lipperhey zich meldde, de vredesbesprekingen gaande waren die in 1609 tot het Twaalfjarig Bestand zouden leiden, kregen de volop aanwezige buitenlanders het instrument te zien. De gelegenheid leverde een fraaie anekdote op over de Spaanse legeraanvoerder Spinola die geschrokken meende dat de telescoop het voortaan mogelijk maakte om op afstand gericht te schieten op bepaalde personen.Waarop Maurits’ broer Frederik Hendrik – vrij vertaald – heel puntig zou hebben gerepliceerd: ‘… we zullen onze mensen verbieden om juist op u te schieten.’62 Al met al was binnen de kortste keren tout geleerd Europa op de hoogte en raakte de telescoop ingeburgerd. Al in 1609 demonstreerde Rudolf Snellius het instrument tijdens zijn colleges
59 In principe is een telescoop niets anders dan dat een holle en een bolle lens in elkaars verlengde worden geplaatst; zie bijvoorbeeld Van Helden, The invention, 9-16. Recentelijk is aangetoond hoe belangrijk het diafragma in de constructie van de eerste telescoop was, zie Willach, ‘The long road’. 60 In oudere literatuur – en dan met name in De Waard, Uitvinding – wordt vaak een derde kandidaat uit Nederland genoemd, namelijk de Middelburgse brillenmaker Sacharias Jansen. Huib Zuidervaart toonde recent aan dat Jansens rol nihil was; Zuidervaart, ‘The true inventor’. 61 Vermij, ‘Telescope’, 79-80. 62 “[N]ous deffendrons à nos gens de ne tirer point à vous”, Zoomers, Embassies, 13-15; citaat en een vertaling Ibidem, 43 en 55, 63 De Waard, Journal, 12; Galilei was ook niet de eerste die systematisch de zon bestudeerde met behulp van een telescoop – dat waren vader en
26 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 27
in Leiden en in de tweede helft van dat jaar beschikte Galilei over de telescoop die hem beroemd zou maken.63 Hij nam met het apparaat de manen rond Jupiter waar en voegde daarmee een argument toe aan de verdediging van het copernicaanse, heliocentrische stelsel. Tragisch in deze geschiedenis was ondertussen dat Galilei de roem verwierf en dankzij zijn Sidereus Nuncius uit 1610 binnen de kortste keren een van de bekendste geleerden in Europa was geworden, terwijl noch Lipperhey, noch Metius octrooi op het instrument kregen. Een forse geldelijke beloning vanwege de Staten-Generaal en een aansporing om toch vooral hun instrumenten te verbeteren was alles wat er voor hen van overheidswege in zat.64 Lipperhey reageerde anders dan Metius. Hij toonde veerkracht en produceerde telescopen die hij tegen goed geld aan de man bracht. Jacob Metius daarentegen, zo vertelt Winsemius, werd wrokkig. Hij zette zich weliswaar aan de verbetering van zijn telescoop, maar de deur van zijn werkplaats bleef voortaan angstvallig gesloten. Zonder octrooi maakt een echte uitvinder zijn geheim niet openbaar. Jacobs gevoelens van miskenning blijken ook uit de opzienbarende en tot nu toe onbekende aanval die tegen Galilei zelf werd ingezet, niet door Jacob, maar vanuit een blijkbaar door zijn broer Adriaan georganiseerde Metius-partij. Een van diens leerlingen, de alchemist MarcellusVranckheim, schreef in 1609/1611 namelijk over Jacob Metius en diens telescoop: ‘Maar let op, ik noem je nog … Jacob Metius … de uitvinder van een kijker waarmee hij een toren of welk ander object dan ook op een afstand van drie Hollandse mijlen zeer nauwkeurig opmeet, alsof hij er vlak voor oog in oog mee staat, en waarmee hij vanaf de kust Engeland duidelijk waarneemt. Ook andere observaties meldt hij over het oppervlak van de maan, de Melkweg, de sterren die de astronomen tot nu toe de ‘nevelachtigen’ hebben genoemd en over andere dwaalsterren rond Jupiter, een
zoon Fabricius in Oost-Friesland. Zie voor de discussie rond de ontdekking van de zonnevlekken: Reeves en Van Helden, On sunspots, in het bijzonder pagina 30-36. 64 Zie laatstelijk Vermij ‘Telescope’, 83.
voor de vroegere generaties ongehoorde primeur.’65 Zo goed is de kijker en zo zeer voelt het Metius-kamp zich gepasseerd dat deze briefschrijver Galilei zelf, die had geclaimd dat hij er als eerste ontdekkingen mee deed, begint toe te spreken: ‘… Hoe weinig scheelde het, mijn waarde Galilei, of je was als mosterd na de maaltijd gekomen met die kijker van je en je op het nippertje gebrachte observaties! En je Sidereus Nuncius was een Callipides geweest, een imitatie,66 als niet op de valreep, naar men zegt, de Hollander niet een probleem had gehad, een jongeling was het zelfs, sneller in het uitvinden van een dergelijk instrument dan in het bekend maken van zijn uitvinding. Je erkent zelf ook dat je – nadat het gerucht hierover verspreid was – tot het uitvinden van net zo’n instrument gekomen bent. Met behulp daarvan heb je die observaties het licht doen zien over het gezicht van de maan, talloze vaste sterren, de kring van de Melkweg, sterrennevels en de vier planeten en hun omwenteling om Jupiter. Maar denk erom, nu ik je de tweede prijs geef, stik niet van woede.’67 Dit sluit aan bij de rede van Winsemius die ook het verhaal van de telescoop vertelt als een geschiedenis van gemiste kansen.
65 ‘Sed ecce tibi alterum huic conboekje uit 1611 en moet – getuige civem! Iacobus Metius est (frater de inhoud – in de tussentijd nog Adriani Metij,Viri ob singularem in zijn bewerkt; Burggrav, Biolychnium Scientijs Mathematicis praestantiam seu Lucerna, cum vita ejus, cui accensa Clarissimi ) qui Perspicillum inest mysticé vivens jugiter, cum morte venit, quo turrim vel corpus aliud ejusdem expirans; omnesque affectus quodlibet tribus milliaribus Holgraviores prodens (Franeker 1611). landicis dissitum, velut pede collato, Zie ook Dijkstra, Between academics, & ad oculum dimetitur exactis hoofdstuk 4.Vriendelijk dank aan simè, & Angliam è littore suo clarè Henk Nellen (Huygens Instituut). prospicit, & alia de Lunae globo; de 66 De naam Callipides is ontleend aan Galaxia; de Stellis, quas Nebulosas een Grieks spreekwoord. Hij duidt hactenus dixerunt Astronomi; de een hardloper aan die niet vooruitalijs circa Iovem erraticis prodit komt en nooit de finish haalt, een inaudita veterum aevo novitate.’ druktemaker die niets presteert. Deze door Vranckheim op 1609 geErasmus (Adagia, I, 6, 43) associeert dateerde brief is opgenomen in een de naam met de Atheense toneel-
28 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 29
Wat had Adriaan wel niet kunnen ontdekken als Jacob de verbeterde versie van zijn instrument aan hem en aan de wereld had kunnen openbaren! Maar door het debacle was Jacob kopschuw geworden, te schuw ook om zijn bloedeigen broer Adriaan zijn verbeterde telescoop te laten zien en gebruiken. Broer Anthonie – blijkbaar minder een bedreiging – had wel mogen kijken en wist wonderlijke zaken te vertellen. En zo was hij de enige die uit ervaring kon spreken.We komen er in een volgende paragraaf nog op terug. Het verhaal van de praktische uitvinder, zoals Winsemius dat hier vertelt, wordt op een spannende manier afgesloten. Jacob nam zijn geheim mee in zijn graf en vernietigde zelfs zijn uitvinding. Noch prins Maurits, noch de dominee aan zijn doodsbed vermochten hem te vermurwen, ‘…zulx dat hij gestorven weesende de perfectie van de konst met hem is begraven’.68 Door de manier waarop hij feitelijke details in een topische
speler Kallippides (5e/4e eeuw de hoc divulgato, ad consimilis v.C.). Hij was een knappe imitator Organi inventionem te devenisse die beweging kon nabootsen terwijl confitearis ipsemet, cujus beneficio hij stil bleef staan.Vranckheim Observationes illas prodidisti in maakt dus een aardig woordgrapje Lunae facie; fixis innumeris; lacteo als men in de Nuncius ook de betecirculo; stellis nebulosis; & quatuor kenis (ijl)bode mee hoort klinken. Planetis, eorundemque circa Iovem 67 ‘Quam penè, τάς µηχανάς µετά periodis. Age verò, dum alteram τον πόλεµον mi Galilee, [Galitibi muralem cedimùs, ne Isthmum leus Galileus Matheseos in illustri Sinapi bibas.’ Patavina Professor] & perspicillum 68 Fasel, Alkmaar en zijne geschiedenisillud tuum cum Observationibus? sen, 23 (d.d. 24 juni 1628). Het εκ τών υπερβερεταίον Et Sidegeannoteerde exemplaar van Fasels reus Nuncius tuus Callipides erat, geschiedenis, aanwezig op het nisi inter caesa & porrecta, quod Regionaal archief Alkmaar, verwijst aiunt, nescio quid additum fuisset naar de tekst van Siercksma die operae homini Batavo, & adhuc op zijn beurt schatplichtig was imberbi, qui citiùs Instrumentum aan de lijkrede van Winsemius; tale invenerit, quàm ejus à se reperti zie Regionaal archief Alkmaar, famam sparserit, adeo ut rumore archiefblok nr. 95.001, rubriek 1,
narratieve structuur plaatst, is Winsemius’ versie van Jacobs leven het verhaal van de uitvinder zoals men dat nadien veel vaker in de geschiedenis van de natuurwetenschappen tegenkomt – bijvoorbeeld bij Edison. Ook in de tijd zelf staat deze narratieve structuur niet op zichzelf, maar is ze vergelijkbaar met bijvoorbeeld de verhalen over de spectaculaire uitvindingen van de duikboot en het perpetuum mobile door Metius’ plaatsgenoot Cornelis Drebbel. Zoals Metius en Lipperhey hun uitvinding aan Prins Maurits aanboden, zo presenteerde Drebbel zijn perpetuum mobile aan Jacob I van Engeland. Deze beide kunsten hadden symbolische meerwaarde. Met een telescoop kan men, zo leert de boven aangehaalde anekdote, dingen zien die voor anderen verborgen blijven. In het belang van de staat kan men er de bedoelingen van de vijand mee ‘doorzien’, net zoals Drebbels perpetuum mobile op vergelijkbare wijze de eeuwigdurende geldigheid van het staatsapparaat zichtbaar maakte.69 Wat dit betreft staat de telescoop ook in een veel oudere traditie. Al sinds de twaalfde eeuw ontleenden schrijvers en geleerden metaforen aan het terrein van de optica. Deze metaforiek had religieuze connotaties. Met een bril of een telescoop kan men ook verborgenheden in de ziel waarnemen. Het is op grond van deze overlevering verklaarbaar, dat in 1607 of 1608, dus nog voordat Jacob Metius en Lipperhey door hun octrooiaanvragen in de openbaarheid traden, er in Nederland een anoniem pamflet kon verschijnen met de veelzeggende titel Nieuwen, klaren, Astrologen-Bril, tot versterking van veel schemerende ooghen, die niet wel en connen sien die duystere Jesuyten Comeet-sterre: Onlanghs verschenen in in den noordtwesten etc.70 Uitvindingen konden echter
inv.nr. 37. Het testament van Jacob Metius uit 1613, dat in de literatuur vrijwel onopgemerkt is gebleven, biedt weinig aanvullende gegevens. Daaruit kan slechts geconcludeerd worden dat aanvankelijk zijn vader de belangrijkste erfgenaam was en daarna zijn broers aan de beurt kwamen. Zie Regionaal archief Alkmaar, Notarieel Archief, inv. no. 61, fol. 13: 21-2-1613 Testament Jacob Adriaansz. Met dank aan Ineke Sandbrink die ons een kopie van het testament toestuurde. 69 Wolfe, Humanism, Machinery, and Renaissance Literature, 65-68. 70 Wolfe, Humanism, machinery, and Renaissance literature, die laat zien
30 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 31
op de gebruikte beeldentaal wel degelijk invloed hebben. In 1602 verscheen geheel passend in deze traditie van aan de optica ontleende metaforiek het door Tymen Honich geschreven pamflet: Een christalijnen bril voor den E. Magistraet der stadt Sneeck in Vrieslandt. Waerdoor sy aenschouwen moghen het schoone voornemen haerder predicanten, soo sy de hooghe overheyt nae haer wil mochten ghebruycken. Ongetwijfeld ingegeven door het succes van de telescoop werd bij een heruitgave de titel aangepast: Een christalynen bril daar door men zien kan van Holland af, tot in Engeland toe, eenigher oproeriger predicanten bedrijf. 7. adriaan metius of jacob metius nu wel of niet kan worden aangemerkt als eerste uitvinder van de telescoop, vast staat natuurlijk wel dat zijn broer Adriaan als één van de eerste astronomen ter wereld kennis nam (of in ieder geval had kunnen nemen) van de werking van het instrument. Dat is een intrigerende gedachte, want had Adriaan Metius dan niet ook de heldenrol kunnen spelen die nu aan Galilei is toebedeeld? Deze vraag, die getuige het hierboven aangehaalde citaat van Metius’ leerling Vranckheim in de tijd zelf ook al wel werd gesteld, moet ontkennend worden beantwoord. Toch is ze vruchtbaar om de juiste reikwijdte van Metius’ leven en werk te kunnen begrijpen. Wat Metius hier namelijk in de weg stond was dat in alles wat hij deed, en ook in wat hij naliet, de praktische, instrumentele en ook commerciële aspecten sterk overheersten. Adriaans opvoeding tot wiskundige begon aan huis. Zijn vader bracht hem, zo vertelt Winsemius, de eerste beginselen van de wiskunde bij.71 Ongetwijfeld zal dat onderwijs breed van karakter zijn geweest, maar ook gebaseerd op de praktijk zoals zijn vader die beoefende: de vestingbouw, de landmeetkunde en de cartografie.
dat ook dit pamflet op zijn beurt ‘bril’ staat. Zie ook Reeves, Galileo’s in een lange Europese traditie van Glassworks. metaforisch gebruik van het begrip 71 OFAM, 17/25-18/1.
Als enige van de zes broers volgde Adriaan een universitaire studie. Zijn vader stuurde hem naar de Latijnse school in Alkmaar (waar ook Cornelis Drebbel leerling was) en daarna, in 1589, naar de toen net nieuwe universiteit van Franeker. Het was de bedoeling, zoals Winsemius opmerkt, dat Adriaan er rechten zou gaan studeren, om later een lucratief, hoog openbaar ambt te kunnen bekleden. Metius wijzigde zelf zijn plannen.72 De liefde voor de wiskunde bleek zo sterk dat hij zich daarop steeds meer ging toeleggen. Hij deed dit in wat we zouden kunnen kenmerken als een tweede familieverband. Metius maakte namelijk deel uit van een groepje ijverige en ambitieuze studenten die samen in het huis van de hoogleraar Grieks Johannes Theodoretus Arcerius woonden en die elkaar daar, ook buiten de colleges om, in hun studies oefenden. Het was een ‘gezin’ met discipline.Winsemius merkt op dat het zijn eigen regels had en zelfs een roulerende voorzitter.73 Na zijn vijf Franeker studiejaren (1589-1594) schreef Metius zich in aan de universiteit van Leiden, waar hij echter maar kort verbleef en waar hij onder andere college volgde bij de hoogleraar wiskunde Rudolf Snellius (1546-1613). Nog in hetzelfde jaar vertrok hij op Grand Tour. Hij begon deze bij de Deense astronoom Tycho Brahe.74 Ook daar maakte hij deel uit van een
72 Winsemius meent dat Metius drie jaren lang in Franeker studeerde en daarna naar Leiden vertrok. De inschrijving in het Leidse Album studiosorum dateert echter van 12 mei 1594 (vijf jaar na zijn Franeker inschrijving). Het zou eventueel kunnen zijn dat Metius al langer in Leiden was voordat hij zich inschreef; vergelijk OFAM, 28/5-25 en 30/5. 73 Jensma, ‘Huis van Arcerius’, 455457; Jensma wijst op de beschrijving van Sibrandus Siccama in een brief Taecke van Aysma uit 1616 als de oudste bron van deze studiegroep, Martin Engels publiceerde zowel de tekst van de brief als een vertaling in het Nederlands op zijn website http://home.wanadoo.nl/ mpaginae/ 74 Over Brahe: Thoren, Lord of Uraniborg en Christianson, On Tycho’s Island. Dat �������������������������� Metius Leiden zou hebben verlaten omdat het ramistisch ingestelde onderwijs van Rudolf Snellius zijn vader tegen de borst zou stoten, zoals Boeles en Moll beweren, lijkt ons een negentiendeeeuwse misvatting; Boeles, Frieslands Hogeschool, II-1.,71 en Moll, ‘Ge-
32 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 33
pseudo-familieverband, een ‘familia’.75 De edelman Brahe had op het Deense eiland Ven een observatorium gebouwd om astronomische waarnemingen te doen. In theoretisch opzicht ging Brahe niet zo ver als Copernicus. Hij hield vast aan een geocentrisch wereldbeeld (waarbij de aarde in het midden staat) en probeerde dat door middel van talloze waarnemingen te onderbouwen. Zijn naam dankte hij aan het uitgebreide, innovatieve en qua maatvoering ook enorme instrumentarium dat hij tot dat doel ontwierp. Mee op grond daarvan trok hij vele jonge studenten uit heel Europa aan, die hem als ‘famuli’ – ‘knechten’ – assisteerden bij zijn waarnemingen. Onder hen waren vrij veel Nederlanders.76 Sommigen werden voor lange tijd opgenomen in zijn huishouden, anderen bleven korter en kwamen om zelf enige waarnemingstechnieken onder de knie te krijgen. Metius verbleef in de jaren 1594/95 waarschijnlijk enkele maanden bij Brahe.77 Metius’ Franeker studie- en huisgenoot Johan Isaac Pontanus (1571-1638) was iets eerder al aangekomen en verzorgde gedurende zijn driejarig verblijf Brahe’s Latijnse correspondentie. Waarschijnlijk heeft Pontanus Metius bij Brahe geintroduceerd; zijn vader was consul vanwege de Republiek in Elseneur en hij zal over een goed Deens netwerk hebben beschikt.78 Voor de wiskundigen uit de Republiek die hem bezochten – misschien kan men tot op zekere hoogte zelfs zeggen: voor de Nederlandse wiskunde als geheel – lijkt Brahe bepalend te zijn geweest voor de verdere ontwikkeling van de praktische en instrumentele opvatting die zo kenmerkend was voor mensen als Adriaan Anthonisz. De wiskunde die Metius in de omgeving van Alkmaar van zijn vader geleerd had, wist hij bij Brahe naar een hoger plan te tillen. Hij kwam er, in een kring waarin het Latijn de voertaal was, in aanraking met internationaal georiënschiedkundig onderzoek’, 122. 75 Christianson, On Tycho’s Island, passim, en i.h.b. 58-59. 76 Christianson, On Tycho’s Island, 159. 77 Christianson, On Tycho’s Island, 322. 78 Christianson, On Tycho’s Island, 322 79 en 191, vermeldt ontmoetingen tussen Brahe en Pontanus’ vader Isaac Pietersz in 1594 en 1596 en suggereert dat Metius tegelijk met Pietersz aankwam op 19 juli 1594. Christianson, On Tycho’s Island,
Frontispice van Adriaan Metius, Primum mobile (1631). Adriaan Metius is hier afgebeeld tussen de grootste astronomen uit de geschiedenis. Van linksonder naar rechtsonder: Copernicus, Ptolemeus, Hipparchus, koning Alfons de Wijze en Tycho Brahe. Tresoar, B 38329 kluis
34 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 35
teerde wetenschappers van formaat en leerde de praktijk van de astronomische waarneming op wetenschappelijke wijze onder woorden te brengen en op schrift te stellen in Latijnse traktaten. Pontanus en Metius waren niet de enige Franeker/Nederlandse studenten die bij Brahe studeerden. Eerder al had de Groninger hoofdeling Rudolph (van) Wicheringe drie jaar op Ven doorgebracht;79 hij zou later in Franeker rechten gaan studeren.80 En na hen bezocht nog Frans Gansneb van Tengnagel Tycho.81 Deze uit Kampen afkomstige edelman zou uiteindelijk met Tycho’s dochter trouwen en een gedeelte van diens geestelijke nalatenschap uitgeven. Beiden verbleven jaren in het gevolg van Brahe.82 Het zou heel goed kunnen zijn dat Metius op zijn beurt nog weer andere vrienden introduceerde. Zo bezocht zijn stadgenoot Willem Blaeu de Deense astronoom een jaar ná hem en ook Rudolf, de zoon van de wiskundehoogleraar Snellius in Leiden, bij wie Metius colleges had gelopen, assisteerde de Deense astronoom een tijdje.83 Terug in de Republiek hielden al deze studenten op hun beurt weer contact met elkaar. Dit gezelschap was niet zo intiem als de studenten uit het huis van Arcerius in Franeker, maar de banden waren wel zo sterk, dat ze bijvoorbeeld elkaars instrumenten gebruikten en publicaties becommentarieerden.84
8. instrumenten en boeken winsemius merkt op hoe Metius levenslang voordeel had van zijn verblijf bij Brahe.85 Hetzelfde geldt voor de jaren die hij in Jena spendeerde. Na zijn vertrek van Ven en na een kort verblijf aan de universiteit van Rostock gaf Metius daar privaatcollege. In deze werkcolleges avant le lettre paste hij de stof uit de theoretische colleges van de hoogleraar wiskunde aldaar praktisch en aanschouwelijk toe. Legde de hoogleraar bijvoorbeeld Euclides’ definitie van een lijn uit, dan liet Metius de praktische consequenties van zo’n definitie zien. Daarbij richtte Metius zich op de geometrie en op de astronomie, vakken die de rest van zijn carrière zouden kleuren. Opvallend is hier ook Metius’ aandacht voor de werking van instrumenten. Op basis van een – bewaard gebleven – collegedictaat mag worden aangenomen dat hij deze instrumenten niet alleen toonde, maar er de studenten zelfs mee liet oefenen.86 Het astronomische gedeelte van zijn lessen was bovendien de basis voor zijn eerste boek: Doctrina Sphaerica, uitgegeven bij Zacharias Palthenius in Frankfort. In al zijn latere boeken over astronomie bouwt hij voort op dit eerste werk. Na zijn terugkeer in Nederland in 1597 of 1598 werkte Metius een tijdlang samen met zijn vader, die inmiddels was uitgegroeid tot de belangrijkste vestingbouwkundige in de Republiek en die als fortificatiemeester geregeld contact had met de stadhouders Maurits en Willem Lodewijk. Zo kwam Metius met Willem Lodewijk in aanraking, die net als Maurits de wiskundige wetenschappen hoog aansloeg.87 In Franeker was al in 1594 een hoogleraar in de mathesis aangesteld, Johannes Roggius. Diens mislukking maakte het pad vrij voor Metius.88 Stadhouder Willem Lodewijk had, zo meent Winsemius, er de hand in
85 OFAM, 31/22-24. cript in Tresoar kunnen worden 86 Universitätsbibliothek Tübingen, geraadpleegd. manuscript Mc 25; zie ook Röcke- 87 Waterbolk, ‘Met Willem Lodewijk lein, Die lateinischen Handschriften, I, aan tafel’, 304-310. 106-107; en Ibidem, II, 330 en 337. 88 Boeles, Frieslands hoogeschool, I, 31Binnenkort zal, in de vorm van een 38 en Ibidem, II-1, 62-66; Boeles afdruk van de microfilm, dit manusmaakte daarvoor onder meer
80 81 82 83
84
287, heeft Wicheringe niet geidentificeerd en noemt hem ‘Rudolphus Groningensis’. ASF, 122. ASF, 226. Christianson, On Tycho’s Island, 366-372. Christianson, On Tycho’s Island, 254256 (Blaeu) en 358-371 (Snellius), zie ook De Wreede, Willebrord Snellius, i.h.b 20, 47 en 101. Dit weten we omdat ze het niet
nalieten om elkaar te vermelden in die publicaties. Zo schrijft Pontanus over Metius in zijn bezorging van Robert Hues, Tractatus de globis, 81. Ander voorbeeld is Joan Blaeu, de zoon van de uitgever Willem Blaeu, die een lijstje publiceert waarin hij zijn vader, het boek van Hues en Metius achter elkaar opsomt; zie: Blaeu, Institution astronomique, fol. B2 verso.
36 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 37
dat Metius een plek kreeg als buitengewoon hoogleraar in de wiskunde. Twee jaar later al werd hij tot gewoon hoogleraar benoemd, een functie die hij vervolgens 35 jaar lang zou vervullen.89 Als academisch wiskundige was Metius in meer dan één opzicht een praktisch en commercieel ingesteld geleerde. Het duidelijkst wordt dit als we zijn publicatielijst wat beter bekijken. Er kunnen op die lijst drie typen boeken worden onderscheiden: rekenboeken, astronomieboeken en boeken over geometrie. Metius’ boeken lijken allemaal al erg veel op elkaar, maar de boeken die tot hetzelfde type gerekend kunnen worden, zijn zelfs bijna kopieën van elkaar. Bijna, want Metius wist ze iedere keer zo aan te passen en te vernieuwen, dat ze voor het koperspubliek aanlokkelijk bleven.90 Metius’ boeken over de astronomie waren academische, doorgaans in het Latijn geschreven handboeken voor (zijn) studenten. Hij meende dat zijn werk pas goed kon worden begrepen wanneer de lezer ervan ook over de in deze werken zelf beschreven instrumenten zou beschikken. Zo publiceerde Metius over het gebruik van astrolabia, kwadranten, sextanten, eeuwigdurende kalenders en verschillende andere astronomische meetinstrumenten. Vervolgens voegde Metius instrumenten toe aan zijn boek, en wel in een papieren vorm. In meerdere van de bewaarde exemplaren van zijn boeken zijn sporen aan te wijzen van ooit ingebonden en door de gebruiker verwijderde papieren instrumenten, zoals astrolabia, instrumenten waarmee de stand van de sterren kon worden berekend (zie illustratie ##).91 In zijn teksten verwees Metius ondertussen graag naar Willem Janszoon Blaeu als een vaardig maker van instrumenten.92 De ene hand
gebruik van de lange passage in geschool?’, 157-158. Winsemius’ lijkrede, OFAM, 35/13- 90 Van Netten, Koopman in kennis, 37/16. Zie ook het nog te verhoofdstuk 3. schijnen proefschrift van Dijkstra, 91 Zie bijvoorbeeld het exemplaar van Between academics, hoofdstuk 2. Metius, Institutionum astronomica89 Over Willem Lodewijk en Metius, rum (1608) in Museum Boerhaave zie OFAM, 34/19-21 en 37/16-19 te Leiden, of Metius, De genuino en ook Waterbolk, ‘Heeft de Hoousu utriusque globi tractatus (1626)
De novis ab autore inventis instrumentis. Afbeelding uit Metius, Institutionum astronomicarum (1608). Afgebeeld is een astronomisch waarnemingsinstrument, samengesteld uit sextant en een astrolabium, waarmee de positie van hemellichamen kan worden afgemeten. Tresoar, A 4668 kluis.
38 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 39
waste hier de andere, want toen Blaeu in de jaren 1620 ook papieren astrolabia begon te publiceren, drukte hij daarbij een opdracht af aan zijn vriend Metius.93 De keuze voor de te beschrijven instrumenten typeert Metius’ wetenschapspraktijk. Om goed astronomisch onderzoek te doen was een instrument dat de afstand tussen twee sterren kon bepalen veel nuttiger dan bijvoorbeeld een telescoop (waarover aanstonds meer). Metius richtte zich dan ook op de meetinstrumenten, zoals de astronomische sextant en het kwadrant. In 1608 publiceerde hij een boekje met daarin een handleiding voor de constructie en bouw van een sextant,94 en in 1614 publiceerde hij aanwijzingen voor een verbeterde versie van het nautisch kwadrant.95 Dit laatste instrument paste weer precies bij de praktische sfeer die al zijn boeken ademen: Metius wilde de schipper op zee helpen bij het vinden van diens route, of algemener geformuleerd: zijn doel was het de Republiek der Nederlanden en de grote vaart op Indië vooruit te helpen. In deze toegepaste vorm van wiskunde en astronomie stond Metius in een bredere Europese beweging. In navolging van Brahe was deze praktijkgerichte vorm van wetenschap langzaam doorgedrongen tot de Europese hogescholen en universiteiten. Metius was een van de bekendste verspreiders van deze houding.96
in de universiteitsbibliotheek van lende exemplaren in ‘uitgevoerde’ München. vorm bewaard gebleven. De platen 92 In bijna alle werken van Metius waarop het astrolabium was gedrukt staat zo’n verwijzing. De eerste al werden dan uitgesneden en vervolin het werk van 1598, zie: Megens op een houten of kartonnen tius, Doctrinae sphaericae, 14 (1598). ondergrond geplakt. Die kartonnen Opvallend is dat wanneer hij een of houten platen werden dan in een boek uitgeeft bij een concurrent boekband gebonden, waardoor een van Blaeu, hij toch naar Blaeu echt boek ontstond. blijft verwijzen. Zie bijvoorbeeld, 94 Dijksterhuis, Dijkstra en Nicolaije, Metius, Fundamentale onderwysinghe, ‘Werktuigen van wiskunde’, 134fol. (?) 2, recto (1627), zie ook: 136. Van Netten, Koopman in kennis, 95 Metius, Nieuwe geographische onderhoofdstuk 3. wysinghe, 30-31 (1614A). 93 Van dit astrolabium zijn verschil96 Metius lijkt daarmee op een
Ook voor niet-astronomische instrumenten toonde Metius’ eenzelfde aandacht, zij het wat later in de tijd. Zo liet hij zien dat zijn sextant ook gebruikt kon worden voor landmeetkundige doelen en later publiceerde hij uitvoerig over dergelijke instrumenten en praktijken.97 Daarnaast stelde hij allerhande tabellen samen. Met sommige daarvan kon men de loop van de sterren en de planeten afleiden, andere waren meer wiskundig, bijvoorbeeld sinustabellen.98 Deze gerichtheid op praktisch nut en op toepasbaarheid verleent, bij alle verdere verscheidenheid, samenhang aan Metius’ oeuvre en paarde zich tegelijkertijd aan commercieel inzicht. Metius richtte zich in zijn werk op al die terreinen waarmee auteurs en uitgevers van boeken door hoge oplagecijfers flink geld konden verdienen. Lang niet iedere vroegmoderne auteur verdiende aan zijn publicaties, Metius hoogstwaarschijnlijk wel. Hij zal het geld niet alleen hebben gebruikt om zijn status als hoogleraar op te kunnen houden, maar mogelijkerwijs ook om zijn alchemistische experimenten te kunnen uitvoeren.99 Precies door de handige combinatie van wetenschap en handelsgeest kan Metius als maker van boeken ook een vernieuwer genoemd worden. Dat geldt niet alleen voor de eerder genoemde ingebonden papieren instrumenten, maar ook bijvoorbeeld voor de in zijn boeken gebruikte houtsneden.100 Enkele van deze houtsneden, of blokken, werden keer op keer door de Willem Blaeu in verschillende uitgaven gebruikt, andere waren moramistische lijn te zitten, hoewel gina 109. Zie ook Dijkstra, Between Ramus zelf in zijn werk amper academics, hoofdstuk 3 en 4. wordt aangehaald. Zie hiervoor Van 98 Een sinustabel geeft een opsomBerkel, ‘Franeker als centrum’, i.h.b. ming van verschillende sinuswaar430-432. den. In de meeste van Metius’ boe97 Zie als voorbeeld van een publicatie ken zijn dit soort tabellen te vinden. over de landmeetkunde Metius, 99 Van Netten, Koopman in kennis, Astronomische ende geographische onhoofdstuk 3. derwysinghe (1632). Dit boek is een 100 Van Netten, Koopman in kennis, uitbreiding van zijn eerdere werk hoofdstuk 3; zie ook Breugelmans uit 1614.Voor het gebruik van zijn en Dekker,’Adriaan Anthonisz’, astronomische sextant zie aldaar pa143-144.
40 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 41
gelijk persoonlijk eigendom van Metius.101 Het laten rouleren van deze kostbare blokken werd zo een manier om de kosten van een nieuwe drukgang in de hand te houden. Het kwam daardoor ook voor dat in Nederlandstalige boeken afbeeldingen stonden met Latijnse bijschriften en andersom.102 Vermoedelijk mede om zijn door de provincie Friesland betaalde hoogleraarsinkomen – het varieerde van rond de 600 tot maximaal 1000 gulden per jaar103 – aan te vullen, bemoeide Metius zich met allerlei zaken rondom de druk en het uitgeven van boeken. Hij organiseerde boekveilingen, herdrukte zijn eigen teksten voortdurend en kwam ondertussen, behalve met papieren instrumenten, ook met uitklapvellen en andere bibliografische noviteiten. Zijn werk is door dit alles voor de boekhistoricus een uitdaging, maar tegelijk voor de nauwgezette bibliograaf een nachtmerrie.104 Zelfs als verkoper van boeken, wist Metius zijn belangen uitstekend te behartigen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de grote boekveiling die hij in 1611 organiseerde en waarvan een verslag bewaard is gebleven.105 Daar verkocht hij namelijk ook meerdere exemplaren van een juist verschenen rekenboek van zijn hand aan studenten. Uit weer een andere bron blijkt dat kort voor deze zelfde veiling een van Metius’ broers, namelijk Abraham, zich aan de universiteit had ingeschreven, niet om te studeren, maar als boekbinder.106 De verklaring hiervoor is hoogstwaar101 Van Netten, Koopman in kennis, 104 Van Netten, Koopman in kennis, hoofdstuk 3; zie ook Blaeu, Licht hoofdstuk 3 en bijlage. der zee-vaert, 22; en Metius, Institu- 105 Wij maakten gebruik van een tiones astronomicae, 114 (1614). afschrift onder nummer 1611-07 102 Zie bijvoorbeeld Metius, De gendat in het zogenaamde ‘Apparaat uino usu, II, 16 (1624). Breuker’ op de Fryske Akademy 103 Boeles, Frieslands Hoogeschool, II-1, wordt bewaard. Het originele stuk 72; een volledig overzicht van berust in Tresoar, Nedergerecht de inkomsten van de Franeker Franeker, HH. Zie ook Van Berkel, wiskundehoogleraren van de hand ‘Franeker als centrum’, 430-432. van Frans Westra is gepubliceerd 106 ASF, 1307: ‘Abrahamus Adriani als bijlage bij Van Berkel, ‘Het on(Metius; of: Schelven) Alcmaderwijs in de wiskunde’, 233. rius, frater domini Adriani Metii,
schijnlijk dat de exemplaren van Metius’ nieuw gedrukte boek ongebonden werden geveild. De broer was dus verzekerd van werk. Daarnaast zou de op handen zijnde boekveiling van Metius het nodige bindwerk opleveren. 9. adriaan metius en de telescoop: wetenschapsopvatting als adriaan metius onsterfelijke roem had gewild, dan had hij zich minder met deze handel moeten bezighouden en zich een reputatie moeten verwerven in de astronomie. Dat was immers de wetenschap waarin juist in zijn tijd de wetenschappelijke revolutie een aanvang nam en waarin – achteraf gezien – de blijvende reputaties werden gevestigd. Metius had dit misschien ook best gekund. Doordat hij dankzij zijn broer over een telescoop beschikte, had hij in feite dezelfde uitgangspositie als Galilei. Dat het zo anders is gelopen moet ons echter niet verleiden tot de gevolgtrekking dat we Metius’ leven dus moeten beschouwen als een gemiste kans. Die conclusie is te veel gedacht vanuit een winners-losers perspectief en doet geen recht aan Metius’ wetenschappelijke opvattingen. Zijn specifieke manier van denken komt mooi naar voren in hoe hij dacht en schreef over de telescoop, het instrument waaraan Winsemius in zijn lijkrede zo’n lange passage wijdde.107 Over de uitvinding van de telescoop is opgemerkt dat de werkelijke inventie niet zozeer het apparaat zelf is als wel de manier
bibliopegus’. De inschrijving in 107 OFAM, 20/7-25/8. het Album Studiosorum vòòr 108 Van Helden, ‘Telescope’, 988: Abraham Adrianus was die van ‘The telescope came out of the Nicolaus Butenpost, mogelijk famechanical crafts and was wielded milie van de man die samen Adriby practitioners of the mathematiaan Metius de veiling organiseerde. cal sciences, but its impact was on Zie ASF, 1306; vgl.Van Netten, cosmology. In the first century Koopman in kennis, hoofdstuk 3 of its existence, the telescope en Dijkstra, Between academics, helped shape the new image of the hoofdstuk 4. universe.’
42 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 43
waarop het werd gebruikt.108 Zo bezien is Galilei de werkelijke uitvinder. De wetenschapshistoricus Van Helden spreekt in dit verband van de ‘true importance of the new instrument’ en hij doet het gebruik van de telescoop door wiskundigen als Metius af als oneigenlijk.109 Vanuit de tijd zelf gezien ligt dit toch anders. In zijn lijkrede laat juist Winsemius een andere gebruiksmogelijkheid zien en juist deze is kenmerkend voor de wetenschapsbeoefening van Metius in het bijzonder en de Nederlandse wiskundigen meer in het algemeen. Ook buiten Winsemius om, weten we dat Metius met telescopen werkte. Een eerste vermelding stamt uit 1613.110 Voor de waarnemingen die hij toen samen met Nicolaas Mulerius – toenmalig stadsmedicus te Harlingen en later hoogleraar in Groningen – deed, gebruikten Metius en Mulerius waarschijnlijk een exemplaar van Jacobs eerste versie van het instrument.111 Winsemius geeft ook de plek waar dit soort waarnemingen doorgaans plaatsvonden:
109 Van Helden, Invention, 25 (noot 3). aan mij als eerste getoond. Wij 110 Brief van Nicolaas Mulerius aan vermoeden, dat het sterren of Rudolf Wicheringe, geciteerd bij planeten zijn, tevoren onbekend Waterbolk, ‘Van scherp zien en aan het menselijk geslacht. die blind zijn’, 193: ‘Ik kan U zeer niet van de zon wijken. Het is edele man, niet verbergen, wat wij geen gezichtsbedrog. Want vele dagelijks op de zon aanschouwen anderen hebben ze samen met ons met aanwending van de telescoop. aanschouwd, en hun beweging is Bij opkomende en ondergaande onweerlegbaar…’. zon verschijnen helder als het 111 Dat blijkt ondubbelzinnig uit het ware zwarte schijven, soms vele voorwoord bij Metius, Institutiones dan weer minder. Ik heb er telAstronomicae & geographicae, 3-4 kens vier, telkens drie en een(1614). Metius meldt daar dat hij maal een enkele gezien. En deze met behulp van de ‘perspicillen’ of worden rond de zon bewogen. ‘verre ghesichten’ van zijn broer Het zijn geen vlekken, zij zouden observaties heeft gedaan, maar immers van ijle vorm zijn en niet dat betere observaties vallen te bewogen worden; ze hebben allen verwachten wanneer Jacob zijn een ronde vorm als schijven. De geheim zal openbaren. Zie het heer [Adriaan] Metius heeft ze citaat hieronder (onder noot 119).
‘Daarvoor moest hij eerst een plek inrichten op de hoger gelegen zolder van de academie en er zijn instrumentarium opstellen. Dat had hij ook eerder al vaak gedaan.’112 Opmerkelijk is echter de lange passage die Winsemius juist aan de toen nog niet bekende, verbeterde versie van Jacobs telescoop wijdt, dus aan wat nog níet kon worden ontdekt.113 In deze passage geeft hij tussen de regels door ook aan wat hij als wetenschappelijk programma van zijn vriend Metius beschouwt: ‘Had Jacob zijn instrument maar eerst vervolmaakt en dan pas aan de wereld getoond. Dan had men dankzij deze wonderbaarlijke uitvinding vele geheimen kunnen ontdekken en onzekerheden en twijfels wegnemen.’114 Vervolgens bespreekt Winsemius de mogelijkheden van het apparaat, niet in de eerste plaats voor de astronomie, maar voor de krijgskunde. Men zou: ‘… binnen een uur de grootste geheimen kunnen overseinen en zonder onderbreking naar de meest afgelegen plaatsen kunnen doorsturen. Ook zou men dan de schansen en wachtposten van de vijanden kunnen verkennen en haarscherp kunnen ontdekken wat ze in hun schild voerden.’115 Deze waardering zal er ongetwijfeld mee te maken hebben gehad dat juist Prins Maurits groot belang hechtte aan de telescoop. Deze preoccupatie met militaire functies heeft ook gevolgen voor het beeld van Winsemius in zijn lijkrede. Wat hij zegt over astronomische mogelijkheden blijft namelijk erg beperkt: ‘En elke twijfel over de vaste en bewegende sterren, elk meningsverschil van de wiskundigen had hierdoor opgehelderd kunnen worden. Want met die kijker konden de vlekken van de zon en de maan nauwkeurig waargenomen worden, evenals de allerkleinste gesternten die om Mars, Jupiter, Mercurius en de andere planeten zweven. Daarmee kon men, in één woord, aantonen dat alle planeten onderhevig zijn aan krimpen en verduisteringen en dat ze hun eigen eclipsen kennen.’116 Dit lekenoordeel van Winsemius is echter niet het hele verhaal. De telescoop werd door Metius zelf en in de kringen rond112 OFAM, 60/5-7. 113 OFAM, 20/7-25/8. 114 OFAM, 20/12-15. 115 OFAM, 21/20-25.
44 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 45
om hem voor allerlei doeleinden gebruikt. We weten dat bijvoorbeeld Pier Winsemius, de broer van de auteur van de lijkrede, ook over een telescoop beschikte en begin jaren 1620 vanaf een nieuw gebouwde toren in Koudum de rede van Texel observeerde.117 De telescoop werd in Friesland dus voor verschillende praktische doeleinden gebruikt. Dat betekent echter niet dat men in deze kringen niet ook andere mogelijkheden met meer theoretische implicaties onderkende. Dit laatste kan men concluderen uit wat Metius zelf over de telescoop van zijn broer schrijft, voor het eerst in beide delen van zijn boek uit 1614.118 ‘Noch openbaren hen des daghes nevens de sonne veel andere verscheydene planeten de welcke by ghene Autoren zijn bekent gheweest dan werden alleene ghesien door de verre ghesichten die by mijn Broeder Jacob Aeriaensz. over ontrent 6. jaren ghevonden zijn gheweest: Dese planeten openbaren haer eerst in het oost-eynde vande son passeren ende gaen voor by de son westwaerts ontrent in 10. daghen tijts ghelijck ick verscheyden mael hebbe gheobserveert besonder des morghens in het opgaen vande son ende des avondts tegens den onderganck. Oock werden door den selven perspectiven ofte verre ghesichten ghesien eenighe dwalende sterren ofte planeten die haer ganck ontrent Iupiter hebben. Doch hier van can niet sekers gheleert werden voor aleer mijn broeder sal ghelieven zijn verre ghesichten aen den dach te brenghen waer door men veel onghelooflijcke ende onghehoorde vremdicheden (soo inde mane als andersins) sal
116 OFAM, 22/9-18. 117 Winsemius, Chronique, fol. Llll iii,verso (ongepagineerd, ongeveer pag. 950). Met dank aan Huib Zuidervaart. 118 Namelijk; Institutiones astronomicae, 3-4, 16-17 (1614); Nieuwe geographische onderwysinghe, 12-13 en 95 (1614A); daarna noemde Metius zijn broer in ieder geval op de volgende plekken: Institutiones astronomicae, 3, 12-13 (1621); Nieuwe geographische onderwysinghe, 15 en 86 (1621A); De genuino usu utriusque globi tractatus, I, 11 en II, 11 en 74 (1624); De genuino usu utriusque globi tractatus, I, 9-10 en II, 12 en 67 (1626); Primum mobile, I, 4-5 en 149 (1631); Primum mobile, 3 en 88 (1633). Deze korte lijst is een aanvulling op de gegevens gegeven door De Waard, Uitvinding, 215-218 en Jensma, Adriaan Metius, 71, noot 24.
wijs werden jae die observatie der sterren sullen veel seeckerder aen den dach comen want men door die selvighe ghesichten niet alleen op een minute maer tot secunden connen intreffen.’119 Dit citaat laat zien dat Metius, veel beter dan Winsemius suggereert, heel goed de mogelijkheden van de telescoop besefte. Het feit namelijk dat er planeten rond een andere planeet cirkelden was de enige concrete aanwijzing die met behulp van de telescoop voor Copernicus’ heliocentrisme geleverd kon worden. Als er immers hemellichamen waren die niet rond de aarde draaiden, dan kon dit betekenen dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was.120 Tegelijk laat het citaat ook de beperkingen van de telescoop zien die hij tot zijn beschikking had. Pas een nieuwe generatie telescopen zou meer gedetailleerde waarnemingen mogelijk maken. Geen wonder dat Metius zijn hoop stelde op een verbeterde versie van Jacobs telescoop. In dit verband zijn twee passages uit een ander boek van belang. Ze dateren eveneens uit 1614, dus van één jaar na de observaties die Metius als gezegd samen met Nicolaus Mulerius deed. In zijn in dat jaar verschenen Nieuwe geografische onderwijsinghe, waerin ghehandelt wordt die beschrijvinge ende afmetinge des Aertsche Globe schrijft Metius: ‘Soo wanneer mijn Broeder ghelieven sal zijne ghevondene perspicillen (die op hem alsnoch rusten) aen den dach te brenghen, soo salmen op dese manier de longitudines der landen perfectelicker conen afmeten, want men door die selve perspicillen inde Mane zekere hoochten en dalen can aenschouwen (die onbeweechlijck altijt hare plaetse houden) van welcke men de distantie der sterren, tot op een secunde door behulp der selver perspicillen connen afmeten.’121 En een tachtigtal pagina’s later: ‘Dit is in de Zeylage onbequaem, want daer geen pracktijcken alsnoch aen den dach ghebracht zijn, om den Longitudinem
119 Metius, Institutiones astronomicae (1614) 3-4. 120 Galilei, Sidereus Nuncius or The sidereal messenger, 21-24, i.h.b. 24. De waarnemingen van Galilei gaven wel een aantal indirecte bewijzen voor de hypothesen van Copernicus. 121 Metius, Nieuwe geographische onderwysinghe, 12-13 (1614A).
46 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 47
seeckerlijck te vinden die in de navigatie ghedienstich can wesen, dan hebben sulcx te verwachten uyt de perspicillen van mijnen Broeder gheinventeert’122 Over de mogelijkheden van de telescoop – en hier wordt overduidelijk een voorschot genomen op een verbeterde versie van het instrument – wordt hier veel praktischer nagedacht dan in het eerste citaat uit hetzelfde jaar 1614. Metius ziet in het instrument mogelijkheden om een van de grootste technologische problemen van de vroegmoderne tijd op te lossen, namelijk de lengtebepaling op zee.123 Om op zee de lengtepositie te kunnen bepalen, is vanwege het draaien van de aarde om zijn as nauwkeurige tijdmeting nodig. Dat bleek lange tijd onmogelijk. Pas met de uitvinding van de chronometer in 1730 (door de Engelsman John Harrison) werd het mogelijk om de exacte positie van een schip op zee te bepalen.Tot die tijd konden stuurlui niet veel meer dan beredeneerd gokken: het gegist bestek.124 Het gevolg hiervan was dat schepen en soms hele vloten op kusten te pletter sloegen. De schade die hierdoor in economisch en sociaal opzicht werd veroorzaakt, leidde er toe dat in heel Europa overheden prijsvragen uitschreven en hoge geldelijke beloningen in het vooruitzicht stelden voor de persoon die met een oplossing
122 Metius, Nieuwe geographische onderwysinghe, 12-13 (1614A) 95. 123 Voor een uitgebreide inleiding op de kwestie van lengtevinding op open zee, zie de eerste vier hoofdstukken van Sobel en Andrewes, The illustrated longitude.Voor de specifiek Nederlandse context zie Davids, Zeewezen en wetenschap, 69-85 en 129-140. Er werden vele voorstellen gedaan om de kwestie op te lossen (en daarmee de beloning te claimen), maar steeds bleken deze niet te werken of waren ze in de praktijk onuitvoerbaar. Voor een studie naar één van deze voorstellen, door de Harlinger schipper Lieuwe Willemsz aan het einde van de zeventiende eeuw (en mede geinspireerd door het voorstel van Metius) zie: Dijkstra, Het vinden van oost en west. 124 Deze manier om lengtebepaling te doen werd sterk gepropageerd door de Fries Jan Hendrik Jarichs vander Ley, die daarbij steun kreeg van bijvoorbeeld Metius. Zie Davids, Zeewezen en wetenschap, 8085 en ook Idem, ‘Weest eenderley sins’. 125 Zie bijvoorbeeld Davids, Zeewezen en wetenschap, 69.
zou komen.125 Metius suggereert in de aangehaalde passage dat het met behulp van de telescoop mogelijk moet zijn om op grond van nauwkeurige waarneming van de maan en van de sterren de exacte positie van een schip te bepalen. Hier dringt zich trouwens een verrassende vergelijking met Galilei op, verrassend vooral omdat ze Galilei en Metius veel dichter bij elkaar brengt dan in de populaire voorstellingen waarmee deze inleiding begon, denkbaar is. Galilei had als eerste met behulp van een zelfgebouwde telescoop de manen (‘planeten’) rond Jupiter waargenomen en ook beschreven.126 Omdat Metius en Mulerius van deze waarneming wisten, zullen ook zij hun telescopen op Jupiter hebben gericht.127 Zonder zelf nieuwe spectaculaire ontdekkingen te doen, zag Metius dus wel degelijk in, welke mogelijkheden de telescoop bood voor het astronomisch onderzoek. Uit het uitgebreide dossier rond het probleem van de lengtebepaling op zee blijkt verder dat ook Galilei veel praktischer ingesteld was dan doorgaans wordt aangenomen. Ook hij wijdde zich – naar aanleiding van een door de Staten-Generaal uitgeschreven prijsvraag – aan het probleem van de lengtebepaling op zee. Hij meende met behulp van telescopische waarnemingen van de maantjes rond Jupiter dit probleem te kunnen oplossen. Achteraf gezien is dit overigens een volstrekt onmogelijke methode. Het was al moeilijk genoeg om die kleine manen te observeren vanaf de wal, laat staan vanaf een hossend schip. Metius’ oplossing was derhalve veel praktischer en beter uit te voeren. Het enige dat nog nodig was, waren goede maantabellen. Dat die niet voor handen waren, wist Metius.Wellicht hoopte hij ze zelf ooit nog te publiceren? 128
126 Galilei publiceerde over zijn ontdekkingen in zijn beroemde boekje de Sidereus Nuncius (De sterrenbode) uit 1610. De beste inleiding op dit werk en de omstandigheden waarin het tot stand kwam, geeft Albert van Helden in zijn editie en vertaling in het Engels, zie Galilei, Sidereus Nuncius or The sidereal messenger. 127 Van Netten, Nicolaus Mulerius, hoofdstuk 3 m.n. 55-57. 128 Deze tabellen werden uiteindelijk door Tobias Meyer opgesteld. Zie Wepster, Between theory and observations.
48 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 49
10. besluit adriaan metius’ instrumentele en praktische omgang met de wiskunde vond zijn oorsprong in de kring van burgerlijke, vooral autodidacte wiskundigen. In dit milieu vervulde zijn vader een spilfunctie. Ongetwijfeld is Metius’ praktijkgerichte houding versterkt en ook theoretisch onderbouwd tijdens zijn verblijf op het eiland Ven bij Tycho Brahe, die niet alleen Metius, maar een hele generatie wiskundigen in de Republiek en in West-Europa, diepgaand beinvloedde. In zich verenigde Metius een ijzersterke combinatie van familiebesef, wetenschap, praktijkgerichtheid en handelsgeest. Hij was geen Brahe, geen Galilei en zelfs niet van het formaat van zijn Leidse collega Willibrord Snellius. Maar in zijn eigen tijd werd hij met alledrie in een adem genoemd. Mogelijk was dit omdat hij zich heel goed in de markt wist te zetten en omdat er van zijn boeken veel meer verkocht werden. Door zijn uitzonderlijk omvangrijke boekproductie en natuurlijk ook als academische geleerde onderscheidde Metius zich van zijn vader Adriaan Anthonisz. De tientallen edities van zijn boeken, die vaak meerdere delen beslaan, steken schril af tegen de twee publicaties die van Metius’ vader zijn overgeleverd – waarvan één bovendien slechts uit een enkel vel bestaat. Maar dit is dan ook het grootste verschil. In bijna alle opzichten was Metius het evenbeeld van zijn vader en waren vader en zoon belanghebbenden in een familiebedrijf dat in wiskundige producten handelde. Ze fungeerden als landmeters, vonden instrumenten uit en wierpen verdedigingswerken op. De lengte van Metius’ publicatielijst is ook te verklaren op grond van een tweede verschil met zijn vader, namelijk zijn academische positie. Terug in de Republiek na zijn reis naar Ven, Rostock en Jena, verwierf Metius aan de universiteit te Franeker een sterke positie. Hij combineerde er de wiskunde die hij van zijn vader, van Brahe en aan Duitse universiteiten geleerd had, met de mogelijkheden die de academische context hem bood. Door middel van zijn publicaties distribueerde hij vanuit Franeker zijn opvattingen en ideeën over wiskunde en gaf hij – dankzij de ruime internationale verspreiding van
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 51
Pierus Winsemius. Professorenportret, olieverf op hout. Onbekende artiest. Museum Martena Franeker.
50 Wiskunde als familiebedrijf
zijn werk129 – het familiebedrijf Europese allure. Zijn familiezin wordt eens te meer zichtbaar in de manier waarop hij zijn familieleden niet alleen in zijn publicaties noemde, maar ook daadwerkelijk vanuit zijn academische positie ondersteunde. Dat gold voor zijn broer Abraham die hij mogelijk hielp aan een positie als boekbinder te Franeker, maar nog meer voor Jacob en diens telescoop. In zijn boeken bleef Metius volhouden dat Jacob het instrument had uitgevonden. Men kan zich afvragen of zich niet een Metius-dynastie zou hebben gevormd als Metius’ beide huwelijken niet kinderloos waren gebleven. ‘De vleugels van de aritmetica en de geometrie’ maakten Metius in zijn tijd tot een beroemd geleerde. Daarin had Winsemius ongetwijfeld gelijk. Maar achteraf zien we scherper dat deze wetenschap pas richting en kleur kreeg doordat ze zich verbond met praktijkgerichtheid, commerciële instelling én familiezin. Het waren de strak met elkaar verbonden, vaste coördinaten van Metius’ mentaal universum.
129 Van Netten, Koopman in kennis, hoofdstuk 3.
De sextant van Metius. Afbeelding uit Metius, Institutionum astronomicarum (1608). Afgebeeld is een astronomische sextant, waarmee de afstand tussen twee ver weg gelegen punten kan worden bepaald. Tresoar, A 4668 kluis.
52 Wiskunde als familiebedrijf
Adriaan Metius – Wiskunde als familiebedrijf 53
de li j k re de al s ge nre
Piter van Tuinen
WINSEMIUS’ ORATIO FUNEBRIS
voor Adriaan Metius past in een academische traditie die vanaf het begin in 1585 ook in de Friese hogeschool gebruikelijk was.Ter gelegenheid van het overlijden van Metius’ collega Petrejus Tiara werd op 9 februari 1586 een eerste Franeker lijkrede uitgesproken door de hoogleraar Lollius Adama. Op 22 januari 1605 hield deze zelfde Adama de lijkrede voor de overleden Henricus Schotanus. Deze is de oudste gepubliceerde en bewaard gebleven Franeker oratio funebris.1 Deze academische traditie beperkte zich natuurlijk niet tot Franeker. In Leiden werd de universiteitsbibliothecaris Janus Dousa jr. in 1597 als eerste lid van de academische gemeenschap met een lijkrede geëerd.2 Deze werd overigens niet in Leiden, maar in Altdorf uitgesproken. Gerardus Bontius, Rector Magnificus en hoogleraar medicijnen, was in 1599 de eerste Leidse hoogleraar die wel in zijn universiteit met een rede werd herdacht. De door Franciscus Junius uitgesproken oratie is niet gepubliceerd, maar bewaard gebleven in een manuscript dat zich in Leeuwarden bevindt.3 C. L. Heesakkers, die deze tekst heeft uitgegeven, noemt onder voorbehoud ook de aantallen van alle bekende, tot in de negentiende eeuw in Nederland gehouden aca1 Oratio in funere Henrici Scotani. De vita ejus, studiis ac professionis laborib. Obituque, vitae studiosi literatorumque exemplo ac imagine, Franekerae. A. Radaeus, 1605. 4o ����������������� (32). De dedicatie is gedateerd op 12 februari 1605. Ook voor de op 27 juni 1601 overleden hoogleraar Martinus Lydius is een lijkrede gehouden. Deze is echter niet bewaard gebleven (vriendelijke mededeling dr. F. Postma). 2 Chr. Colerus, Declamatio In obitum praematurum, et omnibus doctis lugendum, Iani Dousae F. (Neurenberg, 1597). 3 Tresoar, Ms. 9056 MM (Collectie Gabbema). Ontdekking gedaan door drs. M. Engels. De tekst is uitgegeven met een Engelse vertaling door dr. C.L. Heesakkers en dr. S. van Romburgh als appendix bij Heesakkers, ‘Funeral oratory and poetry’.
Menelaus Winsemius. Professorenportret, olieverf op hout. Onbekende artiest. Museum Martena Franeker.
54 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 55
demische Latijnse lijkredes: Leiden 110, Franeker 64, Groningen 27, Utrecht 35, Harderwijk 6 en Amsterdam 24.4 Meestal werden de redes, nadat ze waren uitgesproken, gepubliceerd. Doorgaans werd de rede enkele dagen (met een maximum van tien) na het overlijden gehouden en volgde publicatie pas na een periode van enkele weken tot een maand. Soms duurde het nog langer – de rede van Marcus Lycklama voor de op 25 maart 1608 overleden Raphael Clingbyl kwam pas in november van dat jaar uit. Metius overleed op 16 september 1635 en Winsemius hield precies een week later zijn rede, die vervolgens pas begin 1636 werd gepubliceerd. Soms werd een lijkrede niet apart uitgegeven, maar opgenomen in een andere publicatie van de redenaar of in een postume uitgave van werk van de overledene.5 Navrant is in dit opzicht de actie van de Franeker theoloog Sibrandus Lubbertus, die verhinderde dat de door Johannes Maccovius op 12 februari 1616 uitgesproken lijkrede voor hun collega Johannes Drusius werd uitgegeven.6 De gepubliceerde tekst was meestal een uitgebreidere versie van de gesproken tekst, aangepast aan een breder publiek. Dat de gesproken tekst korter was mag worden aangenomen, ook al omdat het in het academisch milieu op prijs werd gesteld om zo’n rede uit het hoofd uit te spreken. De gepubliceerde tekst
4 Ibidem, 20. Zie voor de Leidse Libri septem uit 1646. En de door lijkredes, behalve dit artikel, ook Arnoldus Verhel op 21-5-1639 uitHeesakkers, ‘De mortuis non nisi gesproken lijkrede voor Menelaus bene?’ Winsemius is door zijn broer Pier 5 Een voorbeeld hiervan is de toegevoegd aan zijn Epistola tristislijkrede van Joannes Coccejus op simo excessui M. Winsemii, gedateerd Johannes Maccovius (gehouden op op 28-5-1639. 2-7-1644) die werd gepubliceerd 6 Boeles, Frieslands hoogeschool, II-1, in de Johannes Maccovius Redivivus, 51-52. maar ook in de Opera Omnia van 7 Boeles, Frieslands Hoogeschool, I, 313. Coccejus zelf. Wybinga’s lijkrede Zie ook: Ibidem, 243. voor Pier Winsemius, (2-11-1644), 8 P. Winsemius, In obitum Joannis gedrukt bij Cl.Fontanus in LeeuSaeckma, Jc. Et in suprema Frisiorum warden, is opgenomen achter WinCuria senatoris primi et Acad. Curatosemius’ Historiarum Rerum Frisicarum ris dignissimi oratio. Habita in templo
van Winsemius’ rede is aanzienlijk langer dan gebruikelijk. Dit wordt vooral veroorzaakt door zijn niet erg compacte stijl en door de uitweidingen, zoals over Metius’ vader Adriaan Anthonisz en zijn broer Jacob. Het in de academiekerk aanwezige gehoor bestond gewoonlijk uit de academische gemeenschap met de vier curatoren, het stadsbestuur en de predikanten. De kerk was ten teken van rouw bekleed met zwart en dezelfde kleur was voorgeschreven voor de kleding van hoogleraren en studenten. De lijkredenaar werd door de senaat aangewezen en was een collega proximus, de hoogleraar welsprekendheid of – zoals Winsemius – een goede vriend van de overledene. Het Programma van de plechtige ceremonie, de oratio en de vaak toegevoegde lijkzangen van vrienden en collega’s werden door de academiedrukker voor rekening van de Staten gedrukt en verspreid. Deze ontving voor een oplage van doorgaans 150 exemplaren een bedrag van drie gulden.7 Ook curatoren van de academie mochten in de academiekerk met een lijkrede herdacht worden. Pier Winsemius, hoogleraar welsprekendheid en de broer van Menelaus, sprak op 23 februari 1637 een oratio uit op de overleden curator Johannes Saeckma.8 Maar ook anderen kon deze eer in de academiekerk te beurt vallen. Dezelfde Winsemius had al op 25 juni 1621 een lijkrede gehouden voor de adellijke Frederik van Vervou, lid van Gedeputeerde Staten,9 en op 7 december 1640 deed hij dit voor een andere gedeputeerde, de Franeker burgemeester Willem Staek mans.10 Naast deze oraties voor overleden hoogleraren, curatoren en gedeputeerden werden ook academische lijkredes gehouden voor de stadhouders en hun echtgenotes. Hiervoor werd de hoogleraar welsprekendheid aangewezen. Maar ook een feestrede bij een huwelijk van de Nassaus of als welkom voor een
academico 8 Kal. Mart. Franequerae, Uld. Balck, 1637. Folio; (6), 50. 9 P. Winsemius, Oratio funebris in obitum Frederici de Vervou, in consessu Ord. Gen. Deputati, equitis Aurati, etc. Habita publice ab exequiis in templo academico, 7 Kal. Julii. Franekerae, Joannes Lamrinck, 1621. 4o; 28. 10 Oratio in obitum Gulielmi Staeckmans, dynastae Rugewartii viri consularis etc. Habita in templo academico 7 Eid. Dec. 1640. Franekerae, Uldericus Balck, 1641. Folio; (4), 32.
56 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 57
prinsje dat in Franeker kwam studeren, behoorde als onderdeel van het academisch ceremonieel tot zijn competentie. De officiële oratio funebris is één van de door de klassieke retorica bepaalde literaire genres dat al in de oudheid beoefend werd. Beroemd is de rede die de Atheense staatsman Pericles in de winter van 431-430 v. Chr. uitsprak voor de gevallenen in de oorlog tegen Sparta.11 Een ander voorbeeld is de rede van Marcus Antonius voor de vermoorde Julius Caesar, die bekend is geworden door Shakespeare. De laudatio funebris werd in kringen van adellijke Romeinse families vooral voor propagandistische doeleinden en de verheerlijking van het eigen geslacht gebruikt. In het klassieke retorische repertoire was de lijkrede onderdeel van het genus demonstrativum, waartoe ook de lofrede (laudatio, encomium of panegyricus) op personen, landen en steden of gebeurtenissen behoorde. Dit genre werd gekenmerkt door een vaste volgorde van voorgeschreven onderdelen, een verheven stijl en vocabulaire en een grote frequentie van retorische figuren en loci communes of topoi.12 Ook een academische lijkredenaar in de zeventiende eeuw voegde zich deze traditie. De in het Latijn geschoolde toehoorders en lezers verwachtten niet anders. Bij de voorbereiding richtte de orator zich op de drie klassieke elementen: inventio, dispositio en elocutio.Voor de inventio verzamelde hij bij de familie, vrienden en collega’s biografische en andere gegevens over de overledene. Dit materiaal, gevoegd bij zijn eigen herinneringen, moest hij voor de dispositio ordenen binnen de drieslag laudatio (lofprijzing) – lamentatio (klacht over het verlies) – consolatio (troost voor de nabestaanden). Aan het begin van zijn rede richtte hij zich in de dedicatio tot de aanwezigen die in volgorde van belangrijkheid werden aangesproken. Daarna volgde meestal
11 De rede is overgeleverd in de bewoordingen van de geschiedschrijver Thucydides, Historiae I, 40-44. 12 Voor de klassieke retorica is nog steeds onmisbaar Lausberg, Handbuch der literarischen Rhetorik 13 uit 1960. Ook van belang is A.D. Leeman, Orationis Ratio. The stilistic theories and practice of the Roman orators, historians, and philosophers, Amsterdam 1963. De oratio funebris werd ook wel
Gezicht op de universiteit te Franeker, ca. 1621. Pieter Feddes van Harlingen. Links staat de Mariakapel of academiekerk waar de lijkrede op Adriaan Metius door Menelaus Winsemius werd uitgesproken. In: Pierius Winsemius, Chronique, 759.
58 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 59
een korte inleiding (exordium) en na de consolatio werd de rede afgesloten met een eveneens korte peroratio. De laudatio was het belangrijkste en langste deel van een oratio funebris.13 Vaste onderdelen waren de biografie van de overledene (afkomst, ouders, verdere familie, opvoeding en opleiding, de res gestae: functies en prestaties, huwelijk en nageslacht, overlijden), zijn karakter en goede eigenschappen, zijn uiterlijk en fysieke bijzonderheden en zijn al dan niet gepubliceerde geschriften.14 De spreker had in het behandelen van deze onderwerpen een zekere vrijheid. Hij kon dus binnen de traditionele vorm en volgorde zijn eigen accenten aanbrengen en uitweiden over wat hij zelf interessant of relevant vond. Zo kreeg een vormvaste lijkrede toch vaak het karakter van een persoonlijk portret. De laudatio kon ook een kritiekloze hagiografie worden van een exemplarisch leven. Elke orator probeerde de voorbeeldfunctie van de unieke overledene te onderstrepen. Koos hij ervoor om diens vroomheid te prijzen, dan bood een passage over het sterfbed een geschikte aanleiding. In de consolatio kon dit dan verder uitgewerkt worden. Voor de elocutio moest allereerst het passende register of stijlniveau gekozen worden.Voor een lijkrede was dat het genus grande, de ‘hoge toon’. Hierin kon men twee modellen imiteren of desnoods vermengen, Cicero met zijn bouwwerk van strak aaneengeschakelde zinnen, of de compactere zinsbouw en puntiger stijl van Seneca en Tacitus. Het belangrijkste element van de elocutio was de ornatus, die bestond uit de stijlmiddelen, retorische figuren, mythologische toespelingen, hele en halve citaten, waarmee de spreker zijn rede ‘versierde’. Dit retorisch standaardrepertoire was aangeleerd op de Latijnse school en dagelijkse kost voor student en hoogleraar. Bovendien kon men zo door de keuze en de frequentie van de gebruikte middelen zijn geleerdheid, of liever zijn belezenheid, demonstreren. Want een lijkredenaar portretteert niet alleen de overledene, maar ook zichzelf.
laudatio funebris, sermo funebris, parentatio of oratio habita in obitum genoemd. 14 Zie het belangrijke artikel van E. H. Waterbolk over Ubbo Emmius’ laudatio van Willem Lodewijk uit 1621: ‘Van grafrede naar biografie’, in Emmius, Willem Lodewijk.
Ook Menelaus Winsemius (1591-1639) laat in Metius’ Oratio funebris, de enige lijkrede die hij gehouden heeft, zien dat hij het genre en de daartoe behorende conventies kent en uit de retorische schatkamer kan putten. Menelaus was zoon van de Leeuwarder preceptor Hajo Winsemius, die hem en zijn broer, de latere hoogleraar Pier Winsemius, zelf een gedegen klassieke opleiding gaf. Hij studeerde medicijnen onder Petrus Pauw in Leiden, trouwde met de dochter van de Groninger arts en latere hoogleraar Nicolaas Mulerius, vestigde zich in Emden en Leeuwarden als arts en werd in 1616 benoemd tot hoogleraar geneeskunde te Franeker. Hij gaf er colleges in anatomie en richtte (opnieuw) de hortus in.15 Winsemius stond bekend om zijn kennis van het Grieks en bezat enkele kostbare erasmiana.16 Ook zijn eigen lijkredenaar Arnoldus Verhel prees hem in 1639 uitbundig om zijn literaire kennis en het ‘zware en volle karakter van zijn stijl’, waarvan hij al vele blijken had gegeven toen hij als vijftienjarige in 1593 naar de Leidse hogeschool ging.17 De termen ‘zwaar’ en ‘vol’ zijn inderdaad kenmerkend voor de stijl van de gedrukte versie van Winsemius’ lijkrede. De uitgesproken tekst zal, zoals gezegd, vermoedelijk korter en minder retorisch uitgewerkt zijn geweest. Daarin hebben de nog verse lamentatio en de consolatio stellig meer aandacht gekregen dan in de gepubliceerde vorm. Hier had de auteur meer ruimte voor de laudatio en voor langere citaten en uitweidingen. De spreker had ook een andere rol dan de schrijver. Hij moest als vertegenwoordiger van de toehoorders hun emoties vertolken en stileren. Bij nadere beschouwing van Winsemius’ rede valt een aantal kenmerken op. Hij begint zijn inleiding sterk retorisch met een lange jammerklacht, noemt vervolgens het exemplarisch leven
15 Over hem: Boeles, Frieslands Hoogeschool II-1, 96-98; Napjus en Lindeboom , Hoogleraren in de geneeskunde, 45-49. 16 Engels, ‘Vroeger eigendom van Erasmus’, 72. 17 A.Verhel, Parentatio habita Menelao Winsemio in templo academico, 21 Maji 1639, 5 (“…eminentem eruditionem politioris literaturae et gravem plenumque orationis stylum”).De Parentatio is door Pier Winsemius opgenomen achter zijn Epistola tristissimo excessui Menelai Winsemii, scripta 5 Kal.Iunii 1639.
60 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 61
van de overledene als reden voor de rede, wijst op klassieke voorbeelden, positioneert zichzelf als vriend en sluit af met de gebruikelijke captatio benevolentiae, waarmee de orator zich excuseert voor zijn gebrekkig talent. In zijn dedicatio kiest hij hier een niet ongeestige vorm voor met een citaat van Seneca.18 Na deze klassieke ouverture gaat hij over tot de zeer uitvoerige biografische laudatio, die inclusief een behandeling van Metius’ geschriften doorgaat tot vlak voor het einde. De laatste paar bladzijden met de beschrijving van het sterfbed geven de lamentatio, de consolatio en een ultrakorte peroratio ineen. Met deze wat ongebruikelijke indeling wordt maximale aandacht aan leven en werk van Metius gegeven. Wat de elocutio betreft moet ten aanzien van de zinsbouw opgemerkt worden dat de door Verhel gebruikte termen eerder als ‘topzwaar’ en ‘overvol’ begrepen moeten worden. Winsemius schrijft uiteraard correct Latijn, maar zijn bizarre syntactische aaneenrijging van losse zinsdelen gaat ten koste van de helderheid. De tekst bestaat uit slechts 238 zinnen. Dat zijn gemiddeld nog geen vier zinnen per bladzij. Ettelijke zinnen lopen uit over meer dan één pagina. Zijn perioden missen in het algemeen ook een goede ritmiek, evenals de metrische accentuering van de clausula aan het einde, die de antieke retoren zo belangrijk vonden.Van een goede imitatie van Cicero is dan ook geen sprake. Het medium is voor de auteur minder belangrijk dan de boodschap. Het gebruikte vocabulaire hangt uiteraard samen met het onderwerp. Dat verklaart de vele typisch medische en wiskundige termen, deels uit het Grieks overgenomen en soms in het Grieks gehandhaafd.Voor een hoogleraar medicijnen met veelal Griekstalige handboeken was deze taal natuurlijk erg vertrouwd. Al deze specifieke woorden, inclusief het andere Grieks, geven een bijzondere klankkleur aan de rede. De aan het Latijn ontleende benamingen van moderne wapens en politieke functies zoals rec18 ‘Ik begeef me buiten mijn profes sionele boekje. Maar u weet, toe hoorders, dat ziekten genezen door medicatie, niet door welsprekendheid’. Conclusie: beter een goede arts die slecht spreekt, dan andersom.
tor, senatus en dux waren algemeen ingeburgerd. Opvallend is dat Winsemius verhoudingsgewijs zowel veel aan de taal van Plautus ontleent als uit het laat- of christelijk Latijn put.19 Naast graecismen gebruikt hij ook archaïsche en zeldzame woorden, klassieke woorden met een andere betekenis of neologismen.20 Soms hanteert hij een afwijkende spelling of constructie.21 Sommige afkortingen en spellingsvarianten zijn van de zetter afkomstig.22 Met zijn wat afwijkende woordkeus en taalgebruik klinkt/oogt zijn rede minder ‘klassiek’ dan gebruikelijk was bij zijn tijdgenoten. Een vergelijking met de biografische ‘grafrede’ van Ubbo Emmius voor stadhouder Willem Lodewijk uit 1621 laat zien dat Emmius’ Latijn niet alleen veel klassieker is, maar ook soepeler en helderder.23 Tenslotte vraagt de door Winsemius gebruikte ornatus nog enige aandacht. Drie elementen springen allereerst in het oog: de vele en vaak lange citaten, het frequente gebruik van een tricolon, meestal drie synoniemen (zonder climax) achter elkaar, en de onstuitbare behoefte aan superlatieven. Veel citaten komen niet uit het klassieke en humanistische standaardrepertoire. Ze zijn telkens met zorg gekozen. Ze dienen niet alleen als versiering maar veelal ter verduidelijking van de inhoud. De meest ge19 Voorbeelden zijn Plautus: siquidem medium (middel), asteriscus (is in het (11x), laat-latijn: deliquium; pompaGrieks een leesteken, geen sterrentice en animabus voor animis uit het beeld) en picus in plaats van pica. kerklatijn. 21 Voorbeelden: frequens met genitivus, 20 Graecisme: machina, scaphe, proinculcare met dubbele accusativus, blema, coryphaeus; zeldzaam: per trainopinato zonder ex; monimenta in ducem; sciolos (niet Grieks, eenmalig, plaats van monumenta, quum voor cf. Engels ‘sciolist’, schijngeleerde), cum, plaerorumque voor plerorumque. sclopetum (Middeleeuws Latijn voor 22 Voorbeelden: restaretq. voor restascherp voorwerp, komt ook bij retque, hostiu voor hostium, nôssêt Emmius voor); archaïsch: pientissivoor novissent, coepere voor coeperunt mus, aestimium; nologisme: promaen frequent e in plaats van ae, zoals nare, aliqualem, succisivis; andere romane, terse, hore, etc. betekenis: universitas (universiteit), 23 Zie voor Emmius: Schoonbeeg en perspicillum (verrekijker in plaats van Akkerman, ‘De Latijnse stijl van uitkijkpost), inquisitio (de inquisitie), Ubbo Emmius’.
62 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 63
citeerde klassieke auteurs zijn Seneca,Vergilius, Ovidius, Plautus en Horatius (zes tot tien keer), gevolgd door Juvenalis, Plinius de Jongere en Cicero (vier keer). Opvallend in dit gezelschap is de satiricus Juvenalis. De keuze van de citaten illustreert in elk geval opnieuw de wetenschappelijke belangstelling van de auteur. Interessant is zijn vermelding van Daniel Heinsius’ recente satire Laus asini (‘De lof van de ezel’). Zijn gebruik van de ‘ombuiging’ in Erasmus’ interpretatie van het ‘Bataafse oor’ uit Martialis bewijst dat Winsemius diens Adagia werk kende. De andere genoemde elementen zijn mede verantwoordelijk voor de ‘zware en volle’ stijl van de oratie. Misschien wilde Winsemius zo de gewenste verhevenheid aan zijn rede verlenen. Hij blijkt de gebruikelijke retorische figuren en tropen op bescheiden schaal te hanteren. Een enkele keer gebruikt hij een retorische vraag of de praeteritio.24 Ook de traditionele formuleringen zoals ‘om over de anderen te zwijgen’, ‘zoals uit zijn geschriften blijkt’ en ‘dit heb ik zelf uit zijn mond gehoord’ (om het waarheidsgehalte van de rede te onderstrepen) worden niet geschuwd. Met gezegdes en vaste uitdrukkingen is hij spaarzaam.25 Alliteratie en assonantie, tegenstellingen en herhalingen, metaforen, beeldspraak en personificaties, mythologische verwijzingen, het komt allemaal voor,26 maar veel minder uitbundig dan bij taalkunstenaars als Emmius of Winsemius’ broer Pier. Opvallend is wel weer de relatief grote aandacht voor historische parallellen en voorbeelden uit de Griekse, Romeinse en recentere tijd. Hét kenmerkende stijlmiddel van de rede is de amplificatio, het steeds verder opsommen en doorschakelen van woorden, woordparen en zinsdelen, om zo het gewenste effect te verster24 Stijlfiguur waarin gesteld wordt dat je voorbij zult gaan aan…, gevolgd door een uitvoerige behandeling ervan. 25 Voorbeeld: Hic Rhodus, hic saltus en hic Sparta, een voor Winsemius typerende combinatie van twee gezegdes. 26 Beeldspraak en personificaties zijn schaars en niet origineel.Voorbeelden: de storm op zee en het strijdperk van de arena; personificatie:Venus (liefde), Minerva (wetenschap), Achates (vriendschap), Nestor (Ouderdom).
ken. De aanwezige toehoorder zal daar vermoedelijk positiever op gereageerd hebben dan de moderne lezer. Deze laatste opmerking illustreert tevens hoe moeilijk het is om een oordeel te vellen over Winsemius’ Oratio funebris voor Adriaan Metius. Een vergelijking met het klassiekere Latijn van Emmius en diens soepeler stijl is niet helemaal eerlijk De Oostfries is de betere Latinist en literator, en ook nog eens een uitstekende Graecus. Maar de hoogleraar medicijnen was geen professioneel beoefenaar der welsprekendheid zoals Emmius of zoals zijn eigen broer Pier.Van hem zijn ook geen andere oraties bekend en slechts enkele Latijnse lofverzen. Eerlijker lijkt een vergelijking met de lijkrede uit 1630 van Arnoldus Verhel voor de hoogleraar filosofie Johannes Hachting.27 Het Latijn van de jurist en filosoof Verhel is ‘klassieker’ en minder duister dan dat van Winsemius en zijn formuleringen zijn scherper. Maar het grote verschil zit in vorm en inhoud.Verhel koos voor een heldere driedeling met een duidelijk exordium en een epiloog, waarin hij zich expliciet tot de ‘auditores Christiani’ richt. Hij besteedt veel meer aandacht aan de lamentatio en de uitgesproken calvinistische consolatio. Een uitgebreide beschrijving van Hachtings sterfbed met veel aandacht voor de acties van de predikant en de gelezen passages uit de bijbel onderstrepen de vroomheid van de overledene.Winsemius daarentegen besteedde onevenredig veel aandacht aan de laudatio en het levensverhaal van Metius. En aan het eind van zijn rede krijgt de medische beschrijving van het ziekteproces meer ruimte dan de vrome uitingen van de stervende. Winsemius’ oratie heeft dus binnen het vereiste genre een aantal eigenaardigheden. Woordkeus, taalgebruik, stijl en zinsbouw, gebruik van deels bijzondere citaten en Griekse technische termen uit het medisch en wiskundig jargon, al deze elementen maken zijn lijkrede bijzonder. Daarbij vertolkte en versterkte hij en passant de in zijn kringen heersende ideologie.
27 A.Verhel, Oratio funebris in moestissimas exequias Joannis Hachtingii, professoris maeritissimi, denati die 22 Sept. Publice in templo academico habita,. Leovardiae, Claudius Fontanus, 1630, 4o; (28).
64 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 65
Het belang en behoud van de eigen Friese academie stond voorop. Vrijheid, politiek, wetenschappelijk en religieus, de leiding van Oranje en Nassau, liefde voor de waarheid, je leven in dienst stellen van je patria en het algemeen belang en de vier klassieke deugden, waren richtinggevende ideeën. Zo schilderde Winsemius zijn vriend als een wijs, rechtvaardig, gematigd en krachtig hoogleraar, bestuurder en onderzoeker, kortom als een voorbeeldig mens. In de vertaling is gepoogd zowel inhoud als leesbaarheid recht te doen. De laatste is vergroot door de lange zinsconstructies in zelfstandige onderdelen op te knippen.Waar mogelijk is letterlijk vertaald om zo dicht mogelijk bij de originele tekst te blijven, maar vaker was enige vrijheid nodig, juist om de inhoud recht te doen. Namen zijn in de Nederlandse gebruikte vorm gespeld. Het resultaat is wel ten koste gegaan van Winsemius’ eigen-aardige stijl. In het ‘economische’ en kalere Nederlands is het Latijn ontdaan van de exuberantie van superlatieven en synoniemen en mist de inhoud de opsmuk der retorica.Wie de echte Winsemius wil proeven, neme enkele pagina’s van zijn tekst en leze het Latijn hardop. Maar hoe Winsemius Metius’ lijkrede in 1626 zelf heeft uitgesproken blijft een raadsel.
Gravure met portret van Adriaan Metius uit 1608. Het onderstaande gedicht is mogelijk geschreven door Samuel Ampzing of door Sixtus Arcerius. Scheepvaartmuseum Amsterdam, A.0075(111).
66 Wiskunde als familiebedrijf
De lijkrede als genre 67
li j k re de
voor de z e e r be roemde e n voortre ffe l ijke ve rma ard doc tor in de m e dicijne n e n h oog le ra ar in de wiskunde
adri a an meti u s
door me ne laus winse m ius, h oog le ra ar g e ne e sk unde
u i tg e sproke n kort na de be g rafe nis i n de acade m ie ke rk op 23 se p te m be r 1635 g evolg d door e e n Ep ice dium door ’s Land s Historie schrijve r P i e r Winse m ius
frane ke r u i t de druk ke rij van uil ke balck academ ie drukke r 1636
68 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 69
[2]
Gelukkig acht ik hen, die dankzij de goden kunnen doen wat het waard is opgeschreven te worden of die kunnen opschrijven wat het waard is gelezen te worden, maar het gelukkigst aan wie beide is vergund.1
1 Plinius de Jongere, Epistolae, p VI, . Hij doelt hier op zijn oom,
Plinius de Oudere.
70 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 71
[3] 1 Aan de verheven, aanzienlijke, weledele, zeergeleerde heren Joannes Saeckma, eerste raadsheer2 Hobbe van Aylva, grietman in Baarderadeel3 Sebastiaan Pruyssen, secretaris van het Hof van Friesland4 Johannes Nijs, raadsheer5
5
Curatore n van de Frane ke r acade m ie G eg roet
10 Het is ongeveer vier maanden geleden dat de zeer geachte heer Adriaan Metius door zijn dood onverhoopt aan de academie is ontrukt en ons is voorgegaan. Niemand kan beter dan u beoordelen wat dit verlies betekent voor de wetenschap der wiskunde, voor de Republiek en voor onze academie. Niemand voelt dit verlies intussen sterker dan de kring van studenten en docenten in onze academie. U weet dat hij zelf niet met zijn geleerdheid te koop liep. De reputatie van anderen hekelde hij niet, hij was niet jaloers en hij verkocht zijn waar ook niet met mooie praatjes. Hij had zich het woord van Plautus ter harte genomen: wie zichzelf gering acht is van nature vlijtig 6 Om deze en andere voortreffelijke eigenschappen hebt u van Metius gehouden en hem gewaardeerd. Daarom kan ik mijn schrale lofprijzing van zo’n voortreffelijk persoon alleen aan u opdragen. Met mijn rede heb ik geprobeerd
15
20
25
2 Johannes Saeckma (1572-1636), raadsheer in het Hof van Friesland en curator van de Franeker Academie (1626-1636). 3 Hobbe van Aylva (ca. 1582-1645), Grietman van Baarderadeel en curator van de Franeker Academie (1621-1645).
4 Sebastiaan Pruyssen (1606-1640), raadsheer in het Hof van Friesland en curator van de Franeker Academie (1630-1640). 5 Johannes Nijs (1606-1648/9), raadsheer in het Hof van Friesland en curator van de Franeker Academie (1626-1649). 6 Plautus, Trinummus, 322.
72 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 73
[4] 1 om tijdens de openbare academische rouw- en begrafenisplechtigheden te voldoen aan het besluit van de aanzienlijke academische senaat en tevens aan de laatste wens van de ontslapene.7 Op dringend verzoek van de weduwe ziet deze rede nu het licht. U zult mij wel willen verontschuldigen. U weet toch dat ziekten niet door welsprekendheid genezen maar door medicijnen.8 Ik heb me dus buiten mijn eigen vakgebied begeven. Maar één wens heb ik toch. Ik hoop dat u voor de academie9 zo snel mogelijk voorziet in de benoeming van een geschikte opvolger, Metius niet onwaardig, en dat u zorgt voor wat verder dient tot haar luister en eer. Moge God de Illustere Staten en u daartoe inspireren en u omwille van het landsbelang nog lang sparen. Gegroet. Vanuit mijn studeerkamer in Franeker, 19 januari 1636. Uw toegenegen M.Winsemius 15
5
10
20
25
7 Het door Winsemius gebruikte Griekse woord betekent letterlijk ‘zaliger nagedachtenis’. 8 Celsus, De medicina praefatio, 39.
9 De termen ‘academie’ en ‘universiteit’ waren in de zeventiende eeuw inwisselbaar; in de vertaling is stelselmatig gekozen voor ‘academie’.
74 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 75
[5] 1
L IJ KRED E ,
uitgesproken ter ere van de grote en uitstekende wiskundige
5
ADRIANU S M ET IU S
Hadden onze gebeden maar succes gehad,10 Mijnheer de Rector Magnificus, eerwaarde, zeergeleerde, gevierde, scherpzinnige heren hoogleraren, achtenswaardige collega’s; illustere en voorname heren, eerwaarde, zeer geachte, zeergeleerde, zeer geziene mannen; weledele, zeergeleerde en geëerde jongemannen –, hadden, zeg ik met de woorden van de vlotste dichter, ontleend aan de welsprekendste der Grieken,11 aan wie de Muze de gave van het woord schonk,12 hadden onze beden maar succes gehad.13 Dan zou ik vandaag niet in het openbaar, diepbedroefd en in het zwart, dit spreekgestoelte betreden. Dan zou ik nu geen waardige en plechtige lofrede houden voor zo’n groot gehoor van geletterden en academici. Dan zou ik u, ja u, in uw diepe verdriet terneergeslagen en als het ware overdonderd en verbijsterd, niet toespreken. Dan hoefde ik nu niet te proberen ons onmetelijke, zo begrijpelijke
de hoogleraar
10
15
20
25
10 Ovidius, Metamorphoses, 13, 128, waar Odysseus spreekt over de gestorven Achilles.
11 De welsprekendste der Grieken: Homerus. 12 Horatius, Ars Poetica, 323/324. 13 Ovidius, Metamorphoses, 13, 128.
76 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 77
[6] 1 en verse verdriet over de plotselinge en te vroege dood van de gevierde en unieke wiskundige, de heer ADRIANUS METIUS, te verzachten of weg te nemen. Hij, Metius, zou dan immers nog leven. Hij zou nog voortzetten wat hij zovele jaren met de hoogste lof in woord en geschrift met zijn geleerde en vaardige hand voor de academie en de Republiek gedaan heeft, zonder ooit iemand tot last te zijn. Maar nu heeft het onrechtvaardig lot hem ons misgund14 en heeft de almachtige God hem onverhoeds aan de Republiek en onze universiteit ontrukt. Daarom moet hij, naar de door onze voorgangers aangenomen gewoonte, in een openbare lofrede geprezen en met respect geëerd worden. En dus moet een hoogleraar de man herdenken die niet slechts vijftien jaar lang, een grote tijdspanne van ons leven,15 maar langer dan zes lustra in deze illustere Friese hogeschool de nuttigste en aangenaamste wetenschap heeft gedoceerd. Immers: men moet het nageslacht van illustere mannen gunnen dat hun begrafenis zich onderscheidt van die van gewone mensen en dat zij apart herdacht worden tijdens het bewijzen van de laatste eer.16 Ook in de Oudheid was dit het geval.Wie zich thuis of elders, in tijd van oorlog of vrede, voor de Republiek of voor de mensheid verdienstelijk had gemaakt,
5
10
15
20
25
14 Ovidius, Metamorphoses, 13, 131/132. 16 Tacitus, Annales,16, 16. 15 Tacitus, Agricola, 3.
78 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 79
[7] 1 werd niet zonder een openbare lofrede begraven. Dat onderscheidde hem van het gewone volk en van al wat laag bij de grond verkeerde. Zo bewaarde men de herinnering aan zijn prestaties. En deze gewoonte werd ook niet afgeschaft in wrede en onheldhaftige tijden. Want wij lezen dat het levensgevaarlijk bleek voor Arulenus Rusticus om Paetus Thrasea te prijzen en dat gold ook voor Herennius Senecio toen hij Priscus Helvidius prees. Er werd niet alleen met geweld tegen deze auteurs opgetreden, maar ook tegen hun boeken. Een driemanschap werd opgedragen om de gedenkwaardige werken van deze beroemde genieën in het openbaar op het Forum te verbranden. Bovendien werden de filosofieleraren weggejaagd en werd alle schone kunst en wetenschap verbannen.17 De aanzienlijke Senaat van onze academie, hoewel verslagen door de wond die dit sterfgeval had geslagen, vond het correct om de eer en reputatie recht te doen van hem die zich zo voor de academie heeft ingezet. Daarom besloot hij om in het openbaar bij monde van een collega zijn verdriet te tonen en troost te zoeken om althans een gedeelte van dit bittere verdriet uit het hart te bannen. En bovendien, toehoorders, wat is juister en passender dan om deze grote en unieke man aan de academische jeugd ten voorbeeld te stellen? Om zijn leven te schetsen, zijn karakter, zijn wetenschappelijk werk en zijn bijzondere geestkracht die gepaard ging met onuitputtelijke werklust? Om op die manier edele en vurige geesten aan te moedigen en al wie slap, dom of traag is te prikkelen en aan te sporen.
5
10
15
20
25
17 Tacitus, Agricola, 2. Rusticus en Senecio werden beide op last van keizer Domitianus terechtgesteld. Thrasea en zijn schoonzoon Helvidius golden als voorbeeldige karaktervaste persoonlijkheden.Thrasea werd door keizer Nero tot zelfmoord gedwongen en Helvidius werd door keizer Vespasianus gedood.
80 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 81
[8] 1 Want voorbeelden spreken het meest aan, vooral als ze goed voor het voetlicht worden gebracht. Daarom wil Anchises dat Ascanius zowel door vader Aeneas als door oom Hector gestimuleerd wordt.18 Wat past ons, geachte collega’s, echter beter dan het ophalen van de herinnering aan de jarenlange alleraangenaamste omgang met de overledene? Als we ons vol bewondering zijn bijzondere gaven voor de geest halen en als in een spiegel een beeld van hem tonen, dan pas beseffen we hoe zwaar onze academie getroffen is. Ik vrees, toehoorders, dat wij hetzelfde voelen als iemand met een verse wond. Die voelt de eerste dagen ook geen pijn, want hij beseft de ernst van het letsel nog niet. Dat komt pas na enige tijd. Onze academie heeft een burger met onbevlekt blazoen19 en een schitterende parel verloren. Onze Republiek een bijzonder sieraad en de studenten in de wiskunde een uiterst bekwaam en gewetensvol hoogleraar in de wetenschap die volgens Cicero gewicht in de schaal legt in het doceren.20 Wij allen verloren een sympathieke, uitstekende en toegenegen collega, maar ik een hechte vriend, een onafscheidelijke Achates,21 een tweede broer haast. In onze relatie van bijna twintig jaar is nooit sprake geweest van enige verkilling22 of van welk spoor van haat of nijd dan ook. Het gemis van de overledene en onze onderlinge zielsverwantschap
5
10
15
20
25
18 Vergilius, Aeneis, 3, 343, waar Andromache, Hectors weduwe, deze woorden spreekt tegen Aeneas. Anchises is Aeneas’ oude vader en Ascanius zijn zoontje. 19 Plautus, Aulularia, 2, 2, 38. 20 Cicero, Academicae Quaestiones, 117
geeft …vim adferunt in docendo. 21 Makker en wapendrager van Aeneas, wiens naam spreekwoordelijk is geworden voor een trouwe vriend. 22 In de Latijnse tekst staat frivusculo, een zetfout voor frigusculo.
82 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 83
[9] 1 vereisen, ja dwingen mij om hier het woord te voeren. Ik heb dus op geen enkele wijze mijn plicht tegenover de overledene kunnen noch willen verzaken.Te meer niet, toen u, mijnheer de Rector Magnificus, en uw achtenswaardige collega23 hiertoe besloten hadden. Ik heb uw opdracht opgevat als een mild dictaat.24 Zwijgen is dus niet meer toegestaan. Daarom wil ik nu graag overgaan tot de bespreking van de voortreffelijkheid, de oprechtheid, de geleerdheid en de bijzondere verdiensten van de ontslapene voor onze Academie. Dit is wat uw geoefende en fijnzinnige oren verwachten te horen. Ik weet, toehoorders, dat u begrip zult hebben voor mijn grote verdriet. Ik voel dat het mijn tong belemmert en mijn spraakvermogen aantast. Begrip vraag ik ook voor mijn geringe oratorisch talent.25 Maar ik weet mij gesterkt door de talrijke bewijzen van uw sympathieke gunst en bijzondere oplettendheid. Dan vraag ik nu uw welwillende aandacht voor mijn ongepolijste en onopgesmukte rede. Daarin zal ik de levensloop uiteenzetten van onze overledene, wiens lichaam wij zo-even de verschuldigde eer bewezen hebben toen wij hem naar zijn laatste rustplaats begeleidden.
5
10
15
20
25
23 Het is onduidelijk wie er met deze collega bedoeld wordt.Wellicht de assessor van de letterenfaculteit. 24 De in de tekst gebezigde uitdrukking ‘Manlianum imperium’ verwijst naar de Romeinse dictator Titus Manlius Torquatus (vierde
eeuw v. Chr.) wiens strengheid spreekwoordelijk is geworden. Zie ook Erasmus, Adagia, I, 10, 87. 25 De Latijnse uitdrukking in dicendo infantia is ontleend aan Quintilianus, Institutiones Oratoriae, 5, 13, 38.
84 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 85
[ 10 ] 1 (Afkomst, ouders) Metius werd geboren in het kleinere stukje Friesland dat tegenwoordig Noordelijk Holland heet en deel uitmaakt van Holland.26 Dit baljuwschap is nu gevoegd onder de Verenigde Provinciën en beroemd geworden in de tegenwoordige oorlogen. Oudere en nieuwere geschriften hebben vele dappere en uitstekende acties van deze provincie geboekstaafd. Zij telt evenveel steden als de poorten van Thebe of de mondingen van de vruchtbare Nijl.27 In één daarvan zag Metius het levenslicht, namelijk de hoofdstad Alkmaar. Volgens Hadrianus Junius,28 een sieraad van het door hem verheerlijkte Holland, heet de stad trouwens Almeria. In zijn beschrijving van West-Friesland noemt Theodorus Velius29 uit Hoorn dit Alkmaar terecht de beroemde moeder van geleerde mannen. Want de stad heeft in onze tijd geleerden van het kaliber van een Nannius,30 eenVan Foreest31 en eenVan Teylingen32 voortgebracht. En ook beroemdheden als Drebbel,33 de uitvinder van het perpetuum mobile en een uitstekend werktuigkundige, De Houtman,34 Willem Jansz.35 en meer kenners van de zeevaart en de astronomie. Zij schonk ook onze Metius aan de wereld, de Republiek en onze academie. Zijn naam alleen is al voldoende om het valse gezegde van die frivole dichter over het Bataafse oor te weerleggen.36 De Rotterdammer Erasmus, het wonder van Europa en Hollands oogappel, en de zeer geachte Scriverius37na hem
26 Bedoeld wordt hier, in andere be woordingen, ongeveer het tegenwoordige West-Friesland, dat in de zeventiende eeuw een baljuwschap was. 27 Juvenalis, Satirae, xiii, 27. 28 De Hoornse humanist Hadranus Junius (1511-1575) in zijn Batavia (1588), 281-283. 29 Theodorus Velius (1572-1630), arts en kroniekschrijver uit Hoorn, publiceerde zijn Westfrisia in 1617. Het citaat is een op veel steden toegepaste gemeenplaats. 86 Wiskunde als familiebedrijf 30 Petrus Nannius (1500-1557), rector te Alkmaar en later hoogleraar in Leuven. 31 Pieter van Foreest (1521-1597), arts te Alkmaar. 32 Adriaan van Teylingen (1545-1619), arts te Alkmaar. 33 Cornelis Drebbel (1572-1633), uitvinder die onder andere werkzaam was aan de hoven van de Engelse koning in Londen en de Duitse keizer in Praag.
5
10
15
20
25
Lijkrede 87
[ 11 ] 1 hebben dit met meer recht de landgenoten van de dichter in plaats van de Hollanders aangenaaid. Deze stad telde eveneens vele dappere, standvastige en krijgshaftige mannen. Het was immers de tijd dat Ferdinand de hertog van Alva zonder aanzien des persoons meedogenloos optrad tegen de Nederlanders en de welvarendste steden en landstreken te vuur en te zwaard verwoestte. Ook Haarlem, een stad in Zuidelijk Holland, had hij door uithongering en met geweld veroverd en in strijd met de gegeven belofte had hij de ongelukkige burgers van lijf en goed beroofd. Toen heeft Alkmaar geheel alleen, met slechts een klein en angstig garnizoen, de zegevierende troepen van het trotse Spaanse volk teruggeslagen en hun zegereeks tot staan gebracht. De stad heeft toen zo dapper voor huis en haard, voor vrijheid en have en goed gestreden dat de zwaar aangeslagen Nederlanden in een korte adempauze zich min of meer konden herstellen uit die zee van rampspoed. Zo kon Prins Willem van Oranje, wiens roem onvergankelijk zal zijn, met de Illustere Staten nieuwe plannen smeden om de vrijheid te herstellen. Daarom is de nu spreekwoordelijke uitdrukking van Alkmaar de victorie heel juist. Want vanaf dat moment zijn de fundamenten voor de vrijheid van onze staat gelegd. Metius was dus van afkomst
5
10
15
20
25
34 Frederik de Houtman (1571-1627), zeeman en astronoom uit Alkmaar en leerling van Metius. 35 Willem Jansz. Blaeu (1571-1638), uit Alkmaar afkomstige cartograaf, uitgever en instrumentmaker te Amsterdam.
36 Martialis, Epigrammata, 6, 82. Erasmus wijdde naar aanleiding van deze uitdrukking een passage aan zijn geboorteland; Adagia, IV, 6, 35. 37 Petrus Scriverius (1576-1660), filoloog en oudheidkundige.
88 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 89
[ 12 ] 1 een Hollander van het zuiverste water, zoals Erasmus over Longolius38 zegt. Dat gold ook voor zijn ouders. Die stamden uit het zelfde volk en waren dapper, vrijheidslievend en standvastig. Zijn vader was Adriaan Anthonisz., afkomstig uit een eerzame en voorname familie en een man van oude deugd en trouw.39 Zijn moeder Suida Dircks was een voortreffelijke, karaktervolle vrouw die een flinke bruidschat meebracht. Ze was een telg uit het zeer oude geslacht der Brederodes, dat bij de Hollanders in hoog aanzien stond. Metius’ goede komaf schonk hem dus naar Plato’s mening een eerste gunst van het lot40 en daarmee reden tot vreugde. Hoe velen worden niet door hun afkomst geweerd van hoge posities waarvoor ze zich hun hele leven schamen. Hoe velen nemen niet een erfelijke ziekte van hun ouders over, zodat al met hun geboorte hun ongeluk begint. De vader was goed thuis in het Latijn. Hij had zich bekwaamd in dezelfde wetenschap als Nicon, de vader van de grootste medicus na Hippocrates.41 Hij was met andere woorden een uitstekend astronoom die ijverig en nauwkeurig de bewegingen der sterren observeerde. Daarnaast was hij ook een zeer kundig landmeter en uiterst bekwaam in de rekenkunde. Deze kwaliteiten heeft hij bij uitstek laten zien in zijn poging om een precieze beschrijving te geven
5
10
15
20
25
38 Longolius Christophorus van Langerak (1488/89-1522).Voor de gebezigde uitdrukking: Erasmus, Adagia IV, 10, 30. 39 De laatste uitdrukking is een citaat uit Terentius, Adelphi, 3, 88. 40 Plato, Euthydemus, 279, b. 41 Nicon uit Pergamon (2e eeuw n. Chr.), wiskundige en astronoom; vader van de grote Grieks/ Romeinse arts Claudius Galenus (131-ca.200).
90 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 91
[ 13 ] 1 van de plaats, de beweging, de oorzaken en gevolgen van een nieuwe ster die niet lang geleden, in 1572, in het sterrenbeeld van Cassiopea verscheen. Hierover hebben behalve Italiaanse en Franse geleerden ook Thaddaeus Hagecius,42 Paulus Fabricius,43 Cornelius Gemma Frisius44 en andere grote wiskundigen hun hersens gepijnigd. Toen paus Gregorius XIII de Juliaanse kalender hervormde om de paasdatum te herstellen,45 had hij naar het voorbeeld van Julius Caesar de beste wiskundigen geraadpleegd. Zij waren echter afhankelijk van de pauselijke stoel. Daarom heeft Adriaan Anthonisz. ook zijn oordeel hierover gegeven en enige gebreken en fouten onthuld.Want samen met verscheidene bijbelgeleerden vond hij dat de moeilijkheden bij het berekenen van de paasdatum gemakkelijk konden worden opgelost zonder het Juliaanse jaar te veranderen en de gebruikelijke rekenmethode op te geven. Ook tijdens het beleg van Alkmaar was hij van zeer groot nut. Hij gaf zijn medeburgers het goede voorbeeld en spoorde hen met welhaast retorische welsprekendheid aan om dapper, standvastig en opofferingsgezind te zijn. Bovendien profiteerde de stad zeer van zijn vakkennis toen ze dreigde te bezwijken onder de heftige bestormingen van de massale vijandelijke troepen.
5
10
15
20
25
42 Thaddeus Hagecius ab Hayck (1525-1600), hofarts van Rudolf II te Praag, astronoom en correspondent van Tycho Brahe. 43 Paulus Fabricius (1529-1589), hoogleraar wiskunde en astronomie aan de universiteit te Wenen. 44 Cornelius Gemma Frisius (15351577), astronoom en hoogleraar te Leuven; zoon van de veel beroem-
dere Gemma Frisius (1508-1555). 45 Paus Gregorius XIII (1502-1585) voerde in 1582 de gregoriaanse kalenderhervorming door. In veel protestantse gebieden werd deze niet direct aanvaard. Het gewest Friesland ging bijvoorbeeld pas in 1701 over op de nieuwe stijl en hield tot die tijd vast aan de oude juliaanse kalender.
92 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 93
[ 14 ] 1 Hij had haar met haastig opgebouwde en zonodig nieuwe schanswerken verdedigd. Daardoor wist hij de vijandelijke stormloop tot staan te brengen.Verder vernietigde hij de Spaanse forten, stellingen en belegeringswerktuigen. Zo verijdelde hij al hun bloeddorstige en listige plannen.Vaak hebben het inzicht en de inspanningen van één slimme en knappe wiskundige evenveel effect als een aantal cohorten gewapende soldaten. Zo heeft Archimedes op verzoek van koning Hiero van Sicilië met behulp van zijn wiskundige kennis Syracuse geheel alleen bekwaam en met succes verdedigd tegen de overmacht van Marcellus.46 Deze belegerde de stad te land en ter zee zeer agressief, maar volgens de betrouwbare getuigenis van Polybius, Livius en Plinius47 heeft Archimedes alle vijandelijke belegeringsmachines vernietigd. En dus is nu de belangrijkste toepassing van de geometrie dat zij uitsluitend de krijgskunde dient. In ons huidige tijdsgewricht wordt heel Europa immers op een afschuwelijke wijze geteisterd door wrede oorlogen. Ook ons eigen vaderland, nog kleiner dan een speldenknopje op de kaart, wordt door zovele volken te vuur en te zwaard verscheurd. Daarom bestuderen prinsen, vorsten en edelen de geometrie en de wiskunde om steden en forten te kunnen bouwen, versterken of juist om ze te vernietigen. Metius’ vader liet niet slechts zijn medeburgers en zijn geboortegrond profiteren van zijn wiskundige kennis, maar ook het hele vaderland.
5
10
15
20
25
46 Archimedes van Syracuse (287-212 v.Chr.), wiskundige, astronoom en uitvinder van tal van instrumenten. Hij hielp zijn vriend koning Hiero II tijdens het beleg van Syracuse door het Romeinse leger onder leiding van Marcellus te weerstaan en werd na de inname van de stad in 212 v.Chr. door een soldaat ver-
moord, terwijl hij, volgens de overlevering, verdiept was in een wiskundig probleem. 47 De Griek Polybius (2e eeuw v.Chr.), Titus Livius (59 v.Chr.-17 na Chr.) en Plinius Secundus de Oudere (2379 n. Chr.) schreven alle drie een geschiedenis van Rome.
94 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 95
[ 15 ] 1 Want op advies van de Illustere Prinsen Willem en Maurits van Oranje hebben de Illustere en Hoogmogende Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden vele jaren gebruik gemaakt van zijn hulp. Zij schonken hem een royale vergoeding voor het opbouwen en versterken van steden, schansen en forten volgens zijn wiskundige principes. Er is dan ook bijna geen enkele versterkte plaats of schans die niet door hem is gebouwd of hersteld. Het Friese Harlingen – om maar een voorbeeld te noemen – heeft een sterke, volgens wiskundige principes aangelegde omwalling aan hem te danken. Ook de schansen van Bourtange en Bellingwolde, Frieslands sterkste bolwerken, en Lingen (dat enkele jaren geleden schandelijk aan de Spanjaarden werd prijsgegeven)48 zijn door hem ontworpen en opgebouwd. Zijn vernuft en kennis hebben eveneens de Schenkeschans krachtig hersteld toen deze door onze nonchalance met een krijgslist bezet was.49 Hij was zo bezig met deze publieke taken dat hij nauwelijks toekwam aan zijn eigen werk. Dit bestond uit het opmeten van landerijen, het afbakenen en vaststellen van de grenzen ervan en het droogmaken, leegmalen en opmeten van meren, moerassen en poelen. Moest hij dan zijn schaarse vrije tijd besteden aan privé-studie en reflectie of aan publieke taken die het staatsbelang dienden? Hunne Hoogheden de onvergetelijke
5
10
15
20
25
48 In 1605 werd het door Maurits in 1597 veroverde Lingen door de Spanjaarden onder leiding van Spinola terugveroverd.
49 De Schenkeschans was een fortificatie op het punt waar de Rijn en Waal bij elkaar kwamen.
96 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 97
[ 16 ] 1 prinsen Willem en Maurits van Oranje hadden het vernuft en gewicht van deze geniale liefhebber van de vaderlandse vrijheid ontdekt. Daarom schoven ze hem naar voren als één van de stuurlieden aan het roer van de Republiek. Zo kwam het dat hij veertig jaar zonder onderbreking burgemeester of lid van de magistraat was.Volgens de gewoonte en de regels van zijn vaderstad verkreeg hij ook andere hoge bestuurlijke posities. En hoewel hij zich vaak beriep op zijn gevorderde leeftijd en gezegende ouderdom bleef hij deze functies uitoefenen tot zijn dood.50 Hij was toen al in de tachtig. (Metius’ jeugd en broers) Dit waren de ouders van onze ontslapene Adrianus Metius. Hij zag het levenslicht op 9 december 1571, ’s middags om zes uur.51 Zijn geboortejaar is beroemd geworden door de grote van God geschonken overwinning van de Christenen op de Turken bij de Echinadische eilanden.52 Toentertijd zuchtten alle vromen, gelovigen en vrijheidslievenden overal in ons vaderland onder Alva’s afschuwelijke dwingelandij en zij zagen het einde van de vrijheid, toen vervolgingen het vrije spreken en toehoren onmogelijk hadden gemaakt.53 Velen werden toen berooid van have en goed met hun kinderen tot ballingen gemaakt of zelfs aan het zwaard geregen en verbrand. Alleen de definitieve en totale ondergang restte nog. Het leek dus helemaal over en uit54 en dat was ook zo geweest
5
10
15
20
25
50 Adriaan Anthonisz. stierf in 1620. 51 In verschillende van zijn werken gebruikte Metius zijn eigen geboortedatum om de lezers ter oefening een horoscoop te laten trekken; bijvoorbeeld Metius, Universae astronomiae brevis III, 245 en 285 (1608).
52 Bedoeld is de slag bij Lepanto op 7 oktober 1571. 53 Tacitus, Agricola, 2. 54 Winsemius heeft hier het frequent door Plautus en Terentius gebruikte ‘actum est’ gecombineerd met het ‘conclamatum’ van Terentius, Eunuchus, 2,3,57 voor een versterking van het effect.
98 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 99
[ 17 ] 1 als God niet plotseling voor een ommekeer had gezorgd.55 Hij schonk de Illustere Prins56 heldhaftigheid en bezielde talloze dappere en beroemd geworden helden met een onverschrokkenheid die ze aan hun kinderen doorgaven. Ook onze Metius kreeg van zijn ouders deze geest van taaie vrijheidsliefde mee.Want Sterken en dapperen brengen sterken voort. In stieren en paarden schuilt hun vaders kracht.57 Dat dit toen niet minder gold is ook niet verbazingwekkend. De filosofen zijn immers met de medici van mening dat wat de ouders tijdens de conceptie zeer bewust overdenken wordt doorgegeven aan hun kind. Ook achten ze het niet onwaarschijnlijk dat karaktertrekken tegelijk met de moedermelk worden overgedragen. Daarom is er een zeer grote selectie van voedsters nodig. Waarschijnlijk is de haat tegen de Spaanse dwingelandij en de vrijheidsliefde van zijn ouders dus zo op onze overledene overgegaan. Bovendien hebben zij (in navolging van wat God de ouders van het volk Israel vroeg)58 hun kinderen en kleinkinderen dagelijks de afschuwelijkheid van de Spaanse overheersing, de wetten van het vaderland en liefde voor de vrijheid en plichtsbesef ingeprent. Die moesten zij vervolgens heel precies aan de volgende generaties doorgeven. Als kind heeft Metius thuis van zijn vader de eerste beginselen der wiskunde
5
10
15
20
25
55 Erasmus, Adagia, I, 1, 68 (‘Deus ex machina’). 56 Willem van Oranje (1533-1584). 57 Horatius, Carmina, 4, 4, 29/31.
58 Verwijzing naar de slavernij van het volk Israel in Egypte; zie Exodus 12: 26-27, Exodus 13:9 en Deuteronomium 4:9.
100 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 101
[ 18 ] 1 geleerd. Want deze zeer verstandige man begreep dat de tedere jeugd gemakkelijk opneemt en levenslang onthoudt wat ze spelenderwijs leert. Daarom besloot hij de methode te hanteren die ooit gebruikelijk was in de school der Asclepiaden.59 Daar werden de kinderen van jongs af door privé-onderricht ingeleid in de kennis der medische wetenschap. Ze werden er getraind in anatomische lessen, zodat ze naarmate ze ouder werden steeds zwaardere stof gemakkelijk konden opnemen en juist toepassen tot ieders profijt. Dit thuisonderwijs van Metius’ vader had zoveel succes dat niet minder dan vier zonen uit het talrijk nakroost dat God de ouders schonk zich zeer nuttig hebben gemaakt voor onze Republiek.60 Dirck, de oudste, is grondig onderricht in de wiskunde. Hij vergezelde vervolgens de beroemde expeditie van 1595, uitgerust op advies van Zijne Hoogheid Prins Maurits en volgens besluit van de Illustere Hoogmogende Staten-Generaal. Daarbij werden onder het commando van Verdoesius61 de Canarische eilanden en het tegen de evenaar gelegen Sao Tome bezet en verwoest. Op de terugreis is Dirck echter overleden. Wel liet hij een gedetailleerde tekening en beschrijving na van havens, voorgebergten, rivieren en ondiepten aldaar. Toen bleek dat onze Metius, die in leeftijd op Dirck volgde, meer belangstelling had voor de letterenstudie
5
10
15
20
25
59 Priesters van Asclepius, de (half)god der geneeskunde, op het eiland Kos, die met hun families een medische school leidden. 60 Adriaan Anthonisz en Swij Dirksdr hadden zes zonen en twee dochters. De ene dochter Berber stierf na 1619, de tweede Trijnzij stierf in
1652; de zonen zijn Dirck, Adriaan, Anthonie, Abraham, Jacob en Jan; De Waard, NNBW, I, 156 e.v. Zie ook Wortel, ‘Adriaen Anthonisz,’, 216 en de Inleiding. 61 Petrus van der Does (1546-1599), dijkgraaf van Rijnland en admiraal op de Hollandse vloot.
102 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 103
[ 19 ] 1 stuurden zijn ouders hem naar de Latijnse school in Alkmaar. Vanwege de geleerde en betrouwbare leraren en het grote aantal leerlingen bloeide deze toentertijd zeer, zeker als men de omstandigheden van die tijd in aanmerking neemt. Onder de leerlingen waren ook uitstekende telgen van onze adel. Wel waren de scholen hier toen nog besmet met het gif van de pauselijke religie. Vooral conrector Conrad Alutarius62 en rector Ludolf Potter63 uit Groningen vielen op door hun plichtsbetrachting. De eerste werd later predikant in het onder de rook van onze stad gelegen dorp Tzum. De tweede heeft het Etymologicum Belgicum uitgegeven.64 Door hun vruchtbare onderricht is onze overledene in zijn studie zo ver gevorderd geraakt dat hij volgens hun getuigschrift rijp was voor de academie. Daar zou hij, om zo te zeggen, een stapelplaats van literatuur, kunsten en wetenschappen vinden en zou hij zich intellectueel verder kunnen ontwikkelen en uit zijn schulp kruipen om in het licht te treden. (Jacob) Van de twee jongere broers Anthonie en Jacob is de eerste de enige van het gezin die nog in leven is. Hij was aanwezig bij de trieste begrafenis van zijn overleden broer en is nu ook hier onder ons gehoor. Anthonie trad in de voetsporen van zijn vader en broer, onder de gebruikelijke naam van wiskundige, en krijgt tegenwoordig nog steeds een officieel jaargeld van de Illustere Staten. Jacob, de andere broer, had daarentegen niet zo’n scherp verstand. Hij leerde slechts met de grootste moeite het alfabet en het Latijn.
62 Conrad Johan Alutarius was van 1584 tot 1596 conrector in Alkmaar, waarna hij predikant was in verschillende Friese dorpen.Tzum was zijn laatste gemeente (1602-voor 1630). 63 Ludolf Potter ( - 1611) was van 1578 tot 1610 rector in Alkmaar. 64 Potter bezorgde in 1605 bij de drukker Jacob Meester in Alkmaar een octavo-editie van het eerste verklarende Nederlandse woordenboek, namelijk Cornelius Kiliaan: Etymologicon Teutonicae linguae (oorspronkelijke uitgave 1599) en vulde dat boek aan met een eigen bijdrage.
5
10
15
20
25
104 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 105
[ 20 ] 1 Hij bleef dan ook praktisch analfabeet.65 Daarom onttrok hij zich geheel aan zijn leeftijdgenoten en meed de omgang met andere mensen. Hij ging totaal op in zijn eigen gedachten en beschouwingen en legde zich uitsluitend toe op het uitvinden van nieuwe mechanische instrumenten en het verfraaien en verbeteren van eerdere uitvindingen. Het lijdt geen twijfel dat de telescoop zijn belangrijkste uitvinding is geweest. Daarmee hebben de Italiaan Galileo Galileï66 en de keizerlijke mathematicus Joannes Kepler67 verschillende astronomische verschijnselen in de hemel waargenomen. Als een erfstuk van zijn genie heeft hij die telescoop aan het grootste deel van de wereld nagelaten. Had Jacob zijn instrument maar eerst vervolmaakt en dan pas aan de wereld getoond. Dan had men dankzij deze wonderbaarlijke uitvinding vele geheimen kunnen ontdekken en onzekerheden en twijfels wegnemen. Talloze verschijnselen die tijdens de Oudheid en in de vorige eeuwen duister zijn gebleven en waarover de geleerdste genieën van nu zich nog steeds het hoofd breken zouden dan klip en klaar verklaard kunnen worden. Daarmee zou een streep onder verdere inspanningen en nauwgezet onderzoek zijn gezet. Zijne Hoogheid Prins Maurits wilde zo graag een groter exemplaar van deze kijker hebben dat hij er Jacob meermalen persoonlijk om vroeg. Hij dwong de eenvoudige man, die zo aan zijn werkplaats verknocht was dat hij min of meer onder stof, as en roet bedolven was, tenslotte de belofte af dat hij zich aan niemand anders dan
5
10
15
20
25
65 ‘Analfabeet’ betekent hier ‘niet in het Latijn bedreven’. Uit andere bron weten we dat Jacob ook als landmeter werkzaam was en dat hij dus wel degelijk kon lezen. Zie de Inleiding. 66 Galileo Galilei (1564-1642), Italiaans astronoom en wiskundige. 67 Johannes Kepler (1571-1630), Duits astronoom en wiskundige. 68 Een imperiaal was 2.5 gulden.
106 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 107
[ 21 ] 1 de Prins zou vertonen.Tijdens hun laatste onderhoud schonk de Prins hem nog honderd imperialen.68 Met zijn telescoop, toehoorders, kon hij letters, die op een toren of bepaalde huizen aangebracht waren, zelfs op een afstand van twee of drie mijl nauwkeurig lezen en de afzonderlijke onderdelen van die letters precies onderscheiden. Niemand dan de Prins zelf, de krachtige krijger,69 wist beter hoe nuttig dit instrument voor de Republiek kon zijn in het geval dat onbegaanbare wegen briefverkeer onmogelijk maakten. Dit speelde vooral als steden door een beleg van de buitenwereld afgesloten waren. Met zo’n kijker was het niet meer nodig om met levensgevaar en grote uitgaven deskundige gidsen te huren en dan vervolgens hun listen en lagen te moeten vrezen. Zouden ze de brieven niet aan de vijand geven en de plannen verraden, zoals volgens Herman Hugo tijdens het beleg van Breda is gebeurd?70 En dan hoefden ook geen postduiven of andere vogels meer gebruikt te worden, die vaak van vermoeidheid neervallen of neergeschoten worden. Zonder dat de vijand dit instrument zou kennen of de werking ervan begreep zou men binnen een uur de grootste geheimen kunnen overseinen en zonder onderbreking naar de meest afgelegen plaatsen kunnen doorsturen. Ook zou men dan de schansen en wachtposten van de vijanden kunnen verkennen en haarscherp kunnen ontdekken wat ze in hun schild voerden. Het zou te ver voeren om te beschrijven hoeveel profijt de scheepvaart
5
10
15
20
25
69 Zo noemt Homerus de Griekse held Diomedes, Ilias, VI, 97. 70 Hugo, Herman, Obsidio Bredana armis Philippi IIII avspiciis Isabellae dvctv Ambr. Spinolae perfecta. Antverpiae: Ex Officina Plantiniana, 1626. Winsemius doelt hier op de vercijferde brief van de hand van Frederik Hendrik aan het stadsbestuur van Breda die in handen viel van de Spaanse belegeraar Spinola en door deze werd ontcijferd.
108 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 109
[ 22 ] 1 en de verre expedities van deze kijker gehad konden hebben. Ik denk aan het verkennen van de kusten, het opsporen van een vijandelijke vloot, het vermijden van ondiepten en de verdere voortdurende gevaren op een razende zee. Maar hij zou vooral tot steun geweest zijn voor de gelukkige geesten, wier eerste zorg was dit te ontdekken en naar de hogere verblijven op te stijgen.71 Deze versregels van Ovidius schreef Metius overigens zelf vaak in iemands vriendenalbum. En elke twijfel over de vaste en bewegende sterren, elk meningsverschil van de wiskundigen had hierdoor opgehelderd kunnen worden.Want met die kijker konden de vlekken van de zon en de maan nauwkeurig waargenomen worden, evenals de allerkleinste gesternten die om Mars, Jupiter, Mercurius en de andere planeten zweven. Daarmee kon men, in één woord, aantonen dat alle planeten onderhevig zijn aan krimpen en verduisteringen en dat ze hun eigen eclipsen kennen. Geen enkele filosoof of astronoom heeft hier zelfs maar van kunnen dromen. Maar het is absoluut waar dat Jacob dit allemaal met zijn kijker ontdekt had, want zowel Anthonie als onze ontslapene hebben gezegd dat ze dit zelf uit de mond van hun broer vernomen hebben. Jacob bewaakte zijn grotere vervolmaakte kijker echter nauwlettender dan eksters hun goud. Nooit heeft hij hem aan onze overledene getoond.
5
10
15
20
25
71 Ovidius, Fasti, I, 297/298. Met de geesten worden de astronomen bedoeld.
110 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 111
[ 23 ] 1 Want hij was bang dat zijn broer met zijn scherpe ogen en grote vernuft ook zo’n kijkinstrument zou willen maken en hem op die manier de roem vanwege zijn uitvinding zou ontfutselen. Zoiets strookte echter volstrekt niet met Metius’ zachte en vriendelijke karakter en zijn oprechte inborst. Eerder dan een vreemde de roem voor een nieuwe uitvinding te misgunnen, zou hij een onvolkomenheid ervan willen aantonen en die dan verbeteren. Ook zou hij er zich niet voor geschaamd hebben om zelf een fout toe te geven, zoals grote mannen met vertrouwen in grote ondernemingen, naar het door C. Celsus gememoreerde voorbeeld van onze Hippocrates.72 Lichtgewichten hebben immers niets te verliezen, want ze hebben niets. Een grote geest echter past het, met alles wat hij zal hebben, een echte fout eenvoudig toe te geven. Vooral als hij de volgende generaties een nuttige dienst kan bewijzen door te voorkomen dat zij weer op dezelfde wijze misleid worden. Maar Anthonie Metius, hier aanwezig, heeft wel degelijk door die kijker getuurd. Hij kan ons wonderbaarlijke dingen vertellen over het toenemen van de omvang van alles en de heldere zichtbaarheid van de voor ons oog verst verwijderde objecten. Het valt daarom des te meer te betreuren dat Jacob noch aan zijn broers, noch aan zijn neef,73 noch aan iemand anders zijn vakkennis heeft willen overdragen. Evenmin heeft hij een beschrijving van het ontwerp en van de bouw van zijn instrument ter wille van het nageslacht in zijn testament
5
10
15
20
25
72 Aulus Cornelius Celsus (ca. 25 v. Chr.-ca. 50 n. Chr.), medisch auteur, De Medicina,VIII, 4. 73 Deze neef is wellicht Dirk Metius, een zoon van Anthonie Metius, die als schilder in Alkmaar werkzaam was. Hij wordt in een reisverslag uit de jaren 1660 van een zekere Balthasar de Monconys nog expliciet als de neef van de uitvinder van de telescoop aangehaald. Zie De Monconys, Journal des voyages, 173.
112 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 113
[ 24 ] 1 nagelaten, hoewel een predikant in Alkmaar hem dit vlak voor zijn dood nog dringend had aangeraden. Hij weigerde echter, om zo te voorkomen dat zijn uitvinding zou worden nagemaakt. Zelfs de scherpzinnigste en handigste vakman mocht het geheim ervan nooit ontdekken. Ik zal nu uit de doeken doen hoe Jacob tot zijn spectaculaire uitvinding van de kijker kwam. Zoals gezegd had hij een afkeer van de letteren en daarom lieten zijn ouders hun niet al te snuggere zoon maar aan zijn lot over. Zij hoopten dat hij een manier van leven of een ambacht zou kiezen door zijn natuurlijke aanleg te volgen, zoals een vroedvrouw dat doet. Anders is alles wat men onderneemt immers tevergeefs en zonder gevolg. En zo ging hij dagelijks naar de naast zijn ouderlijk huis gelegen werkplaats waar brillen werden gemaakt en verkocht.Toen hij daar de oogglazen bestudeerde en ze om de beurt op zichzelf en het bekijken van voorwerpen uitprobeerde, werd de simpele ziel vervuld van verwondering, de moeder van vele wetenschappen. Hij vermaakte zich er alleen, bijna altijd bezig met die lenzen en hij placht ze dag en nacht met zijn handen om te draaien.74 Zo kwam het dat hij na verloop van vele jaren tenslotte, eindelijk, die telescoop heeft uitgevonden. Hij had zich al zo lang met stukjes glas vermaakt, geheel bedolven onder het stof van zijn werkplaats,
5
10
15
20
25
74 Aangepast citaat van Horatius, Ars Poetica, 269, die ‘versate’ in plaats van ‘versare’ heeft en het draaien en
steeds verder aflezen van boekrollen beschrijft.
114 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 115
[ 25 ] 1 maar nu had hij heurèka, heurèka75 kunnen roepen. Precies zoals Archimedes deed toen hij de verhouding had gevonden van het mengsel zilver met goud in de kroon van koning Hiero. Als Jacob de mensheid zijn geweldige en nuttige uitvinding niet misgund had, dan zou hij het verdiend hebben dat evenveel Westfriese steden om zijn geboorteplaats zouden strijden als de zeven die dit over Homerus deden. (Adriaan Metius zelf) Nu keer ik terug tot de levensloop van onze overledene zelf. Hij is na het afscheid van zijn leraren door zijn ouders op advies van geleerde lieden naar deze academie gestuurd. Zij was kort tevoren, in het heetst van de strijd, door de Illustere Staten van Friesland opgericht en op 29 juli 1585 geopend. Metius is op 24 juni 1589 als nummer 98 op de lijst van studenten ingeschreven in het album van de academie.76 De grote, befaamde theoloog de eerwaarde Sibrandus Lubbertus77 was in dat jaar rector van de academie. Er waren toen in onze pas opgerichte academie wel voldoende werkers, vrome, geleerde en ijverige hoogleraren, maar de oogst was gering.78 Wellicht kwam dit door de angst voor de vijand, die zich niet alleen aan de grenzen van onze provincie ophield, maar zelfs het vruchtbare Friese binnenland
75 Volgens een andere overlevering zou Archimedes de beroemde woorden ‘ik heb het (gevonden)’ uitgeroepen hebben toen hij het principe van de bepaling van het soortelijk gewicht had ontdekt in een badhuis (bron:Vitruvius, De Architectura, 9, 9). 76 Metius is inderdaad als de 98ste student ingetekend, zijn volledige matriculatie van 24 juni 1589 is: ‘Adrianus Adriani iuris stud.’ in een later handschrift is daar de naam Metius aan toegevoegd. In het uitgegeven Album Studiosorum heeft hij nummer 95 gekregen, daar wordt ook de suggestie gewekt dat de naam Van Schelven én Metius’ geboorteplaats zouden zijn opgetekend, dit is niet het geval. In 1598 schreef Metius zich voor een tweede keer in, dit keer als ‘Adrianus Adriani Metius mathesos stud.’, hij werd toen genummerd als 512, wat 508 werd in het uitgegeven Album Studiosorum. Zie Tresoar, Archief van de Universiteit te Franeker (181), inv. no. 104, no. 98 en no. 512 en ASF, 95 en 512. 77 Sibrandus Lubbertus (1555-1625),
5
10
15
20
25
116 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 117
[ 26 ] 1 plunderde. Of anders omdat ouders vanwege hun benarde omstandigheden voor hun kinderen een ambacht of het leger prefereerden. En de vijand verhinderde goeddeels de komst van studenten van elders naar onze academie. Maar hoe geringer het aantal studenten was, des te ijveriger en getrouwer verrichtten de hoogleraren hun taak en des te vaker waren ze op hun post. En des te meer vrucht droeg hun onderwijs aan de studenten die in deze onstuimige begintijd bijna onafgebroken aan de lippen van hun hoogleraren hingen en zich door hen in hun studie lieten leiden. Gezonde wedijver79 heerste er tussen de onderling in werklust en ijver concurrerende docenten en studenten. Ook de Staten waren de in de jonge academie benoemde hoogleraren welgezind, evenals de Gedeputeerden. Een van hen, de aanzienlijke heer Elardus Reinalda,80 had dat hoge ambt verruild voor de leerstoel Latijn en welsprekendheid en zo het aantal hoogleraren vergroot. Verder spande het stadsbestuur zich uit erkentelijkheid voor de door de Staten aan Franeker bewezen weldaad in om de hoogleraren te respecteren en om hun gunst en vriendschap te verwerven. Kortom, men had het beste voor met de academie en alle betrokkenen.
5
10
15
20
25
theoloog afkomstig uit Langwarden, Oost-Friesland en hoogleraar theologie in Franeker. 78 Omkering van de uitspraak in het evangelie ‘De oogst is groot, maar het aantal arbeiders klein’, Lucas 10 : 2. 79 Hesiodus, Opera et dies, 24.
80 Elardus Reinalda (gest. 1610), grietman van Doniawerstal, lid van Gedeputeerde Staten van Friesland, hoogleraar Latijn en welsprekendheid te Franeker en later tevens curator van de universiteit.
118 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 119
[ 27 ] 1 Het leven van de studenten en hun gedrag was toen ook heel anders dan zoals het nu helaas in de meeste academies toegaat. In die gevaarlijke en droevige toestand van onze Republiek lieten zij zich regelrecht leiden naar de verheven zuivere tempels van geleerdheid der wijzen.81 Overal heerste grote discipline. Men hield zich stipt aan de fundamentele wetten van de academie en maakte eerlijk gebruik van de privileges en ruime vrijstellingen. Bovendien hadden de Illustere Staten voor Friezen en niet-Friezen een academische mensa ingesteld. Deze aantrekkelijke voorziening, die men bijna als een academische bruidschat kan beschouwen, was zo georganiseerd dat er diverse eettafels waren, al naar gelang de prijs van de gerechten. Er werden onder de maaltijd preken gehouden ter bevordering van vroomheid en studiezin en tijdens het middagof avondeten werden ook enige hoofdstukken uit de Heilige Schrift voorgelezen en in eerbied werd er gebeden tot God. Metius evenwel placht te zeggen Ach oud huis, hoe anders is de nieuwe Heer die je regeert.82 Deze woorden, toehoorders, herhaal ik hier, omdat ik ze hem als toegenegen luisteraar tot mijn genoegen meermalen heb horen uitspreken en ze me dankbaar herinner. Onze Metius begon weldra uit te blinken onder zijn medestudenten en algemeen bekend te worden. Hij zou zich bij de start van zijn academische loopbaan aanvankelijk aan de studie van de filosofie en de letteren wijden.
5
10
15
20
25
81 Lucretius, De Rerum Natura, II, 8. 82 Cicero, De Officiis, 34, 139. Cicero beschrijft in de geciteerde passage de situatie waarin een vorige eigenaar zijn grote huis altijd openstelde voor gasten en bezoekers, waar een nieuwe bezitter dat daarentegen nalaat. Cicero’s conclusie is dat je beter klein kan bouwen en bescheiden en sober leven.
120 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 121
[ 28 ] 1 Maar ook toen al had hij een meer dan oppervlakkige kennis van de bewegingen der hemellichamen verworven. Hij kon zelfs de sterrenbeelden met elk hun eigen sterretjes aan de hemel aanwijzen. Intussen begon hij op advies van zijn ouders aan de rechtenstudie. Hij had natuurlijk niet de ambitie om processen in de rechtzaal83 bij te wonen of de onzekere afloop van saaie geschillen te bepalen als een dikwijls onrechtvaardige rechter over wat goed en rechtvaardig is. Maar wel hoopte hij zich gemakkelijker toegang te verschaffen tot de openbare ambten die nu slechts voor juristen openstaan. Daarmee zou de weg naar een toppositie in het vaderland voor hem openliggen. Maar door zijn afkeer van die studie, waarvan de reden mij onbekend is, werd deze onderneming van onze overledene niet bepaald een succes. Het leek wel alsof zijn natuur tegenstribbelde en dan volgt volgens Hippocrates louter frustratie. Liever wilde hij dus met Caesar aan de ruimten van aarde en hemel en de hemellichamen zich wijden.84 Hij wenste zich er volledig op toe te leggen om in zijn vaders voetsporen te treden en gedragen door de vleugels van de geometrie en de aritmetica van sterren getal en baan te onthullen.85 Dan zou hij één van die gelukkige en verheven geesten worden die weliswaar met hun lichaam aan de aarde vastzitten, maar met hun geestesoog en verstand voortdurend in de hemel zelf verkeren.
5
10
15
20
25
83 Woordcombinatie ‘litigosum forum’ is ontleend aan Ovidius, Fasti 4, 188.
84 Lucanus, Bellum Civile, 10, 186. 85 Dit is een parafrase van psalm 147:3.
122 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 123
[29] 1 De jonge academie tintelde van het enthousiasme voor de studie en kende een noviteit: een soort studiehuis bij de geachte heer Joannes Arcerius86 aan huis. Daarin kon Metius zich dagelijks meten met onder meer de geachte heren Thomas Herbajus,87 Godefridus Sopingius88 en Sixtus Arcerius89 zaliger nagedachtenis. Beurtelings moesten zij op vaste uren zelfstandig een college geven waarbij ieders oefenstof van te voren met algemene stemmen werd voorgesteld en verdeeld. Hier ontdekte onze Metius dat de geschriften van de meeste astronomen tekortschoten. Of ze waren wegens hun beknoptheid onhelder, of ze maakten de jeugd juist door het te grote aantal leerstellingen en hun wijdlopigheid afkerig van die zo nuttige wetenschap.Vervolgens begon hij er over na te denken hoe hij zelf met een stevig en systematisch overzicht, volgens een wetenschappelijke structuur, zoals Proclus90 dat noemt, de astronomie weer aantrekkelijk kon maken voor studenten. Toen hebben zijn collega’s onze ontslapene de naam Metius gegeven. Misschien omdat hij, zoals sommigen beweren, meermalen andere collega’s en vakbroeders met dit bij de Hollanders gebruikelijke woord aansprak en benoemde. Of wellicht omdat men vermoedde en voorspelde dat hij zou gaan lijken op Archytas uit Tarente, die door Horatius genoemd wordt van zee en land en van het ontelbare zand de Meter.91
5
10
15
20
86 Johan Arcerius Theodoretus (15381604), vanaf 1589 hoogleraar Grieks aan de Franeker universiteit. 87 Thomas Herbajus (ca. 1570-1613), student rechten en later procureurgeneraal in het Hof van Friesland. 88 Godefridus Sopingius (1573-1615), student theologie en later predikant te Bolsward. 89 Sixtus Arcerius (1570-1623), student medicijnen en later hoogleraar Grieks te Franeker. 90 Proclus (412-485) was de leider van de neoplatoonse academie in Athene en auteur van talrijke analytische studies over de filosofie van Plato en Aristoteles. 91 Horatius, Carmina, I, 28, 1-2 Archytas van Tarente (4e eeuw v. Chr.) was filosoof, wiskundige en uitvinder van mechanische instrumenten. Hij had grote invloed op Pythagoras.
25
124 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 125
[ 30 ] 1 Maar de reden kan ook zijn dat men hem in zekere zin qua deskundigheid in het waarnemen van de baan en de positie der sterren kon beschouwen als een eigentijdse Meton,92 de leider van de school der oude wiskundigen. Maar toen hij hier, met lof, drie jaar93 had doorgebracht wilde hij andere academies bezoeken en horen wat de hoogleraren daar beweerden. Hoe vaak gebeurt het immers niet dat het dagelijks met steeds dezelfde leermeesters omgaan bij de jeugd verveling of tegenzin opwekt nog voordat een stevige wetenschappelijke basis of enige vakkennis is verworven. Hij verliet dus op advies van zijn ouders onze academie, waarna hij zich met de complimenten van zijn leermeesters naar de Leidse academie begaf. Daar liepen toen heel beroemde en onvergetelijke hoogleraren rond. Hij volgde er zeer nauwgezet de colleges van de heer Rudolf Snellius.94 Deze befaamde en uiterst bekwame wiskundige en filosoof behandelde op een compacte wijze, maar wel grondig, alle vrije kunsten en vooral de wiskunde. Ook ging hij er vertrouwelijk om met de gevierde wiskundige Ludolf van Ceulen95 en hij volgde diens onderwijs in de geometrie en de aritmetica dat in het openbaar in het Nederlands werd gegeven. Intussen bekwaamde hij zich verder door privé-studie, waar hij ook anderen van liet profiteren.Want, toehoorders,
5
10
15
20
25
92 Meton (2e helft 5e-1e helft 4e eeuw v. Chr.) was een Atheens wiskundige en astronoom. 93 In wekelijkheid bracht Metius waarschijnlijk vijf jaar in Franeker door. Zie de Inleiding. 94 Rudolf Snellius (1546-1613), hoogle-
raar wiskunde en later ook Hebreeuws aan de Leidse universiteit. 95 Ludolf van Ceulen (1540-1610), gaf ten tijde van Metius’ bezoek private colleges in de wiskunde, zou later hoogleraar aan de ‘Duytsche Mathematique’ worden.
126 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 127
[ 31 ] 1 die vurige geest van hem en zijn naar vooruitgang hunkerend verstand lieten zich niet voor altijd gevangen houden in de collegebanken, zonder dat hij uitriep Zal ik dan altijd alleen maar toehoorder zijn en nimmer reageren?96 In Leiden zag hij ook, om nog slechts één naam te noemen, de gevierde Petrus Paauw,97 mijn onvergetelijke leermeester, de anatomie bedrijven. En hij hoorde er hem met grote welsprekendheid de structuur van het menselijk lichaam uitleggen. Na zijn vertrek uit Leiden werd Metius door zijn vader naar de zeer edele Tycho Brahe98 gestuurd, de leider en de feniks99 van de huidige generatie astronomen. Het was niet slechts de bedoeling om deze illustere held, deze hoogvliegende adelaar,100 te ontmoeten en van diens geleerde colleges wijzer en beter te worden. Hij wilde vooral in het observatorium Uraniënburg op het eiland Ven diens veelsoortige verzameling van vervolmaakte wiskundige instrumenten bestuderen en leren waarvoor ze dienden. Bovendien kon hij daar met de edele heer Brahe en verscheidene anderen die de wiskunde bestudeerden, zowel overdag als ’s nachts, waarnemingen doen om zo een grondige kennis van de sterrenkunde te verwerven. Inderdaad heeft onze ontslapene zijn hele leven profijt gehad van zijn studiereis naar Denemarken.Want het resultaat van zijn verblijf daar was dat hij voortaan zelf nieuwe instrumenten
96 Juvenalis, Satirae, I, 1. 97 Petrus Paauw (1564-1617), hoogleraar geneeskunde te Leiden. 98 Tycho Brahe (1546-1601), Deens astronoom, die op het eiland Ven een eigen observatorium had ingericht, de Uraniborg. 99 De term ‘feniks’ verwijst dubbelzinnig naar de oude wijze leermeester van Achilles, naar de mythische vogel die uit zijn eigen as verrees als ook naar Tycho Brahe die ‘de astronomie had hersteld’.Verdreven uit zijn geboorteland Denemarken zette Metius’ leermeester Brahe namelijk een nieuw observatorium op in Praag en was hij dus weer ‘uit de as verrezen’. Zie Metius, Institutionum Astronomicarum, IV, 41 (1608): ‘Reliquarum stellarum fixarum dispositionem ut extruxerit Phoenix ille astronomorum Tycho Brahe’. 100 Deze eretitel werd vaker aan coryfeeën in de wetenschap gegeven, o.a. door Justus Lipsius aan Joseph Justus Scaliger (1540-1609). Zie ook Erasmus, Adagia, I, 9, 20.
5
10
15
20
25
128 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 129
[ 32 ] 1 kon uitvinden en gebruiken, waardoor hij het algemeen belang en dat van onze academie diende. Van die instrumenten, waarmee hij de studie der astronomie zeer vooruithielp, worden nog vele bewonderenswaardige exemplaren in het huis van de overledene bewaard.101 Metius heeft hiermee in de afgelopen winter op 21 februari (Juliaanse stijl) ook een zeer grote maansverduistering nauwkeurig waargenomen en het hele verloop ervan precies geregistreerd.102 Hij had bij deze ambitieuze onderneming het geluk dat de hemel helder en uitzonderlijk rustig was. Met deze observaties wilde hij de precisie controleren van de tabellen van Tycho, Snellius103 en Van Lansberghe,104om de Friese tabellen van mijn schoonvader Mulerius maar niet te noemen.105 Hij hoopte een eind te kunnen maken aan de meningsverschillen die hierover bestonden door zijn eigen oordeel over elk van hen te publiceren. Aldus is geschied. Het resultaat van zijn Deense reis was dus dat hij een knap ontwerper en maker van wiskundige instrumenten werd, waarmee hij zo intensief bezig was, dat hij wel een ambachtsman leek in de werkplaats van een instrumentenmaker. Op zijn terugreis uit Denemarken stak hij de Baltische zee over en vervolgens bezocht hij de academies in Rostock en vele andere Duitse steden, die toen zeer floreerden, met als laatste die van Sala of Jena. In de beroemde academie aldaar met haar vele geleerden en studenten
101 Deze instrumenten werden in 1639 hoogleraar in de wiskunde te Leiden. met subsidie van de Gedeputeerde 104 Philippus Lansbergius (1561-1632), Staten voor de universiteit aangepredikant, wiskundige en astrokocht. Boeles, Frieslands Hoogeschool I, noom te Middelburg. Hij publi417; zie ook Bokkinga, Extraordinaris, ceerde Tabulae motuum coelestium II, mei 1639. perpetuae (Middelburg: Roman voor 102 De gegevens die bij deze observaties Van der Boxe, Leiden 1632). zijn verzameld, zijn later gebruikt 105 Nicolaus Mulerius (1564-1630), door de Franeker hoogleraar Johanhoogleraar geneeskunde en wiskunnes Phocylides Holwarda in zijn, de aan de universiteit van GroninDissertatio, 146-147 en Idem, Epitogen. Zijn Friese tabellen: Tabulae me, 73-74. Frisicae lunae-solares quadruplices 103 Willibrord Snellius (1580-1626), (Alkmaar: De Meester 1611).
5
10
15
20
25
130 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 131
[ 33 ] 1 gaf hij privé-les aan jonge edellieden. Ook heeft hij hier het eerste ontwerp van zijn ‘Leerboek voor de astronomie’ geschreven, aan zijn toehoorders gedicteerd en uitgelegd en tenslotte ook gepubliceerd.106 Dit werk is zo gretig ontvangen dat de persen van verschillende drukkers vervolgens vele herdrukken moesten maken.107 Het succes van deze eerste vrucht van zijn vernuft was groot genoeg om voor hem de weg te banen naar verdere roem en eer. Het gevolg was dat geleerden als om strijd met hem wilden corresponderen of vurig verlangden om zijn lessen te volgen. De stof zelf, zijn gestructureerde lesmethode en zijn glasheldere uitleg van de meest abstracte onderwerpen hebben hoofd en hart van de allergrootste geleerden diep geraakt. Het resultaat was dat voortaan Metius’ Astronomica Institutio in plaats van het werk van Joannes de Sacrobosco108 en anderen door docenten en studenten ter hand werd genomen. Hij meende het wijze advies dat zijn landgenoot Erasmus van Rotterdam aan de Fries Hajo Hermannus,109 een raadsheer in het hoogste Hof van ons vaderland, had gegeven op te moeten volgen dat het veel uitmaakt met welk debuut je bekend wordt in de wereld: kies liever een aangenaam en aantrekkelijk onderwerp dan iets groots, maar het moet wel nuttig zijn.110 Zijn werk kreeg nog meer waardering toen in volgende drukken een uitgebreidere en verbeterde versie van de eerste editie verscheen, die natuurlijk altijd van meer inzicht getuigt.
106 Metius, Doctrinae sphaericae lib. V, (1598). 107 Zie bibliografie. 108 Joannes de Sacrabosco (ca. 1195ca.1236), schrijver van een veel herdrukt en gebruikt traktaat over de globe: De sphaera mundi. 109 Hajo Hermannus Hompens (ca. 14951540), uit Emden (Oost-Friesland) afkomstige studiegenoot en correspondent van Erasmus. 110 Verwijzing naar een brief van Erasmus aan Hompen, ca. 1 oktober 1528: ‘Magni refert, mi Harmanne, quibus auspiciis primum innotescas orbi. Argumentum delige non tam ingens quam plausibile et gratiosum, sed in primis vsu commendabile’; Allen, P. S., e.a (ed.), Opvs Epistolarvm, br. 2056. Naar welke brieveneditie van Erasmus hier door Winsemius wordt verwezen is niet bekend, daar er reeds tijdens Erasmus’ leven tal van brievenboeken van de humanist verschenen. Met vriendelijke dank aan Dr.W. Bergsma.
5
10
15
20
25
132 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 133
[ 34 ] 1 Het was alsof hij al schavend die rijpe en sterke vrucht nog mooier en beter had gemaakt. Na zijn terugkeer uit Duitsland rondde Metius zijn studie zelf in zijn ouderlijk huis af. Hij profiteerde van de omgang en de samenwerking met zijn vader, waardoor ze de lastigste vraagstukken in het vak en de ingewikkeldste hobbels konden oplossen. Intussen droegen de Illustere Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden op aandringen van Zijne Hoogheid Prins Maurits aan zijn vader de leiding op over de inspectie en versterking van steden, forten en schansen. Ze lieten hem ook nieuwe forten en verdedigingswerken langs de grenzen maken. In zijn vaders gezelschap heeft Metius toen bijna alle steden in het hele gebied van de Verenigde Nederlanden bezocht. En hij heeft toen niet slechts toegekeken, maar ook zijn oordeel gegeven over hoe ze tegen vijandelijke aanvallen beschermd konden worden. Zo kwam hij in contact met Zijne Hoogheid de Prins, die zelf ook zeer bedreven was in de wiskunde, en met de Illustere en Edele Graaf Willem Lodewijk van Nassau, onze gezegende Friese stadhouder. Deze ware vader van ons vaderland was voor zijn neef Maurits een ideale adviseur, een Nestor111 in politieke zaken en een Hector112 op militair gebied. En dit contact bracht onze collega ertoe zich naar deze academie te begeven
5
10
15
20
25
111 Spreekwoordelijk geworden wijze als oudste der Griekse helden in Homerus’ Ilias.
112 Dapperste Trojaanse held in Homerus’ Ilias.
134 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 135
[ 35 ] 1 om haar en ons vaderland zijn trouwe en nuttige diensten aan te bieden. De Illustere Staten van Friesland, die deze nieuwe academie enige jaren daarvoor met heroïsche moed hadden opgericht, zagen intussen in dat er dringend behoefte was aan een hoogleraar wiskunde. De academie zou er anders niet goed voorstaan of kunnen floreren, meenden zij. Dus, toen Magister Joannes Roggius113 door sommigen werd aanbevolen vanwege zijn kennis en ervaring op dat vakgebied, werd hij gevraagd om de leerstoel wiskunde te bezetten. Op aandringen van een aantal van zijn sympathisanten werd hij eveneens Inspecteur van de burse, als opvolger van IJsbrand Balck.114 Deze Roggius wekte echter al in het begin van zijn hoogleraarschap – al weet ik niet waarom – het misnoegen van de studenten op. Zij volgden niet alleen ongeïnteresseerd en verveeld zijn colleges, maar zelfs zijn aanblik verdroegen ze niet zonder de grootste afkeer en walging. Dus hielden ze heimelijke samenkomsten en ontstonden er afscheidingen, relletjes en opstootjes, tot verdriet van de jonge academie.115 Natuurlijk deed de magistraat van deze stad toen zijn gezag gelden door Roggius in bescherming te nemen. Pogingen om de losgeslagen en van verontwaardiging kokende gemoederen van de studenten tot bedaren te brengen mislukten.
5
10
15
20
25
113 Joannes Roggius (gest. 1618) hoogDijkstra, Between academics and idiots, leraar wiskunde en vanaf 1592 hoofdstuk 2. inspecteur van de burse in Franeker. 114 IJsbrand Balck (gest. 1599), prediDe burse was de gemeenschappelijkant en van 1589 tot 1590 inspecke eettafel voor studenten, die gefiteur van de burse te Franeker. nancierd werd door de Staten van 115 Over deze rellen: Boeles, Frieslands Friesland. Het ingewikkelde verhaal Hoogeschool I, 31-40, en ibidem, II, over Roggius wordt verteld in 62-66.
136 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 137
[ 36 ] 1 Evenmin lukte het om hun samenscholingen op het academieterrein gewapenderhand te beëindigen. Sterker, het resultaat van deze onbezonnen acties binnen de academische gemeenschap zelf was dat er twee doden te betreuren waren, een voortreffelijke student en een beambte van de stedelijke magistraat. De eerste was door een burger met een haakbus doorboord en de tweede was omgekomen toen hij door een steen werd getroffen. Dit veroorzaakte zoveel commotie dat voor een bloedbad gevreesd werd. Een grote moordpartij in de stad zou het einde van de academie betekenen. Alleen militair ingrijpen zou deze crisis kunnen sussen en de rust herstellen. Daarom werden drie bataljons infanterie ingezet. De studenten eisten echter dat de man die op het academieterrein zelf de uitstekende jongeman Laquart116 met een kogel doorboord en gedood had, in staat van beschuldiging zou worden gesteld en zijn verdiende straf zou krijgen. Denk niet, toehoorders, dat ik de onbesuisde jeugd hier in bescherming neem. Evenmin wil ik de brutaliteit verdedigen van wie zonder enige bevoegdheid het recht in eigen hand nemen om in academische aangelegenheden te beslissen en zelf hun eigen hoogleraren te kiezen. Of van hen die zonder enig respect voor de Staten en hun hoogleraren zich permitteren om eigen samenscholingen en bijeenkomsten te organiseren en vergaderingen te houden. Daarin hebben ze het bestaan om zomaar senaatsbesluiten en decreten op te stellen, met alle gevolgen voor de goede naam en faam van hoogleraren, ja zelfs voor hun leven. Om maar te zwijgen over de schade voor de reputatie en de wetenschapsbeoefening van de academie. En dat deden ze zonder enig respect te tonen voor de academische eed of regelgeving.
5
10
15
20
25
116 Johan Gijsbert Laquart, rechtenstudent en één van de leiders van de studentenpartij in deze kwestie; ASF
nr. 326. Zie ook Boeles, Frieslands Hoogeschool, I, 465-478, waar overigens van één dode wordt gesproken.
138 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 139
[ 37 ] 1 Maar ik kan het evenmin over mijn hart verkrijgen om de extreem gewelddadige acties goed te keuren waarmee men heeft gepoogd om de geprikkelde gemoederen van de eigengereide en van woede razende jongelui tot rede en gehoorzaamheid te brengen.Want dan Wordt de menner meegesleurd door zijn paarden en volgt de wagen de teugels niet meer.117 Een goed gekozen woord en een welsprekend betoog van een serieus en verstandig man blijkt in zo’n geval meer uit te richten. Want de tijd zelf tempert de emoties van heethoofden. Wijzen hebben groot gelijk met hun stelling dat men veel aan de tijd moet overlaten. Uiteindelijk hebben het gezag van de vaders des vaderlands en het gezond verstand van de geachte hoogleraren langzamerhand een eind aan de rellen gemaakt. Maar dat was pas toen de zo gehate Joannes Roggius was weggestuurd. (Aanstelling) Zo kwam het dat Metius door zijn goede herinneringen aan onze academie, zijn eerste alma mater, op advies van de Illustere Stadhouder van Friesland, hier terugkeerde. Hij werd nu voor de tweede keer ingeschreven op 30 mei 1598, toen de geachte Joannes Drusius,118 de grootste hebraicus van onze tijd, rector van de academie was.119 Geleidelijk aan heeft hij vervolgens de genegenheid en de gunst van de meest befaamde hoogleraren verworven. Toen bovendien de studenten acties bleven voeren omdat ze zijn benoeming eisten,
5
10
15
20
25
117 Vergilius, Georgica, I, 514. 119 ASF, nr. 508 Adrianus Adriani 118 Joannes Drusius (1550-1616), hoogMetius, math. (zie noot 76). leraar Hebreeuws te Franeker.
140 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 141
[ 38 ] 1 verkreeg hij van het Illustere College van Gedeputeerden van Friesland en de academische senaat het recht om in het openbaar als extraordinarius wiskunde te doceren. Hij heeft die leeropdracht toen gedurende ongeveer anderhalf jaar met lof vervuld, zonder enige kritiek. Met dit succesvol begin had hij de test doorstaan en een uitstekend bewijs van zijn geleerdheid en deskundigheid geleverd. Toen hebben de Illustere Staten van Friesland hem tenslotte in zijn 29ste levensjaar in hun openbare zitting bevorderd tot gewoon hoogleraar. Deze positie verkreeg hij niet door eigen ambitie of gunstverlening, maar langs legitieme weg op grond van zijn eigen kwaliteit als geleerde. Volgens zijn instructie,120 ondertekend op 22 april van het jubeljaar 1600, zou hij in elk van beide talen, Latijn of Nederlands, naar keuze en al naar gelang de omstandigheden, in openbare of private colleges, alle onderdelen van de wiskunde behandelen. Bovendien moest hij kandidaten in de wiskunde de hun toekomende en passende graad laten behalen. Het was toen zo dat de Staten bij speciaal decreet het benoemingsrecht van hoogleraren aan zich hadden gehouden. Wellicht was dit een reactie op de voorafgegane rellen. Of mogelijk was de oorzaak dat enige ongeletterde of haatdragende lieden zowel stiekem als openlijk geruchten begonnen te verspreiden over het opheffen van de academie. Het ware te wensen, toehoorders, dat wat in Metius’ geval is gedaan ook voor andere benoemingen zou gelden.
5
10
15
20
25
120 Helaas is Metius’ instructie onvindbaar gebleken.
142 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 143
[ 39 ] 1 En dan niet alleen in onze gemeenschap, maar overal. Het decreet van 7 mei 1566 van de Franse koning Karel IX zou algemeen van kracht moeten zijn. Hij bepaalde daarin dat de koninklijke leerstoelen in de academie van Parijs slechts openstonden voor de knapste koppen die bewezen hadden in het openbaar te kunnen doceren.121 Petrus Ramus122 had hier met succes op aangedrongen toen de koninklijke leerstoel voor de wiskunde na het overlijden van Dampestre Cosel123 vacant was. Hier moest dus de nieuwbenoemde hoogleraar Metius nu in het strijdperk treden, hier zijn kunsten vertonen, hier zijn functie vervullen, zowel in het openbaar als privé.124 Hier moest hij zich een weg banen door het woud van de onuitputtelijke stof van de wiskunde. En dus bestudeerde hij nauwkeurig, stuk voor stuk, alle onderdelen ervan, waarbij hij ook de geschriften van de oude en jongere auteurs doornam. Daarop besloot hij om wat hij in zijn eerdere geschrift het ‘Leerboek voor de astronomie’ gedaan had, nu ook toe te passen in commentaren op andere onderwerpen, waardoor hij ook zichzelf kon verheffen van de aarde en als auteur van mond tot mond zou gaan.125 (Huwelijk) Toen Metius er zo helemaal op gericht was om zichzelf en zijn studenten tot nut te zijn en zijn wetenschappelijk werk aan de academie en de publieke zaak ten goede te laten komen, kwam de gedachte aan trouwen en een huwelijk bij hem op. Maar hij leek in niets op hen die zich hals over kop in het huwelijk storten, terwijl ze nog nauwelijks een voet in de academie hebben gezet of slechts uit de verte de schatten van de hogere literatuur en
121 Winsemius verwijst hier naar de Petrus Ramus. Hij vergist zich oveberuchte benoeming van Jacques rigens in de datum, het decreet van Charpentier (1524-1574) tot hoogKarel IX is van 8 maart 1566. Zie leraar in de wiskunde aan het CollèGaulding, Defending Hypatia (Dorge de France en naar de felle poledrecht 2010) 50-56. miek die hierover gevoerd is door 122 Petrus Ramus (1515-1572), Frans
5
10
15
20
25
144 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 145
[ 40 ] 1 zuiverder filosofie aanschouwden.126 Voordat ze dus ook maar even de zoete smaak van de echte kunsten of wetenschappen geproefd hebben. Of zonder een serieus begin gemaakt te hebben met een studie die het algemeen nut van de samenleving beoogt. Het duurt nooit lang of zo’n onbesuisd huwelijk wordt met vaste tred vergezeld door de godin van de armoede. En anders gaat de relatie wel gepaard met verwaarlozing en onverteerdheid (ongeleerdheid, liever gezegd) van de studie.Want wat is bedreigender voor Minerva,127 het toonbeeld van ingetogenheid, dan Venus? Zoals zij een deel van de goddelijke materie week maakt,128 zo doet ze dat ook met het lichaam. Zij moet dus, volgens het woord der wijzen, zo veel mogelijk gemeden worden door wie roem najaagt.Wat is schadelijker voor de jeugd die hogerop wil komen dan een partner, kinderen en de daar altijd mee verbonden zorg voor de financiële positie? Daarom zou het beter geweest zijn dat allen die zich nu reppen naar de publieke katheders en preekstoelen, naar rechtbank en rechtspraak of die een medische praktijk beginnen, eerst een vijfjarige Pythagoreïsche stilte129 met stijf samengeknepen lippen in acht genomen hadden. Dan zouden ze als hun studie op de klippen liep niet eeuwig te kampen hebben met de huiselijke ellende waaraan slechts heel weinigen ontkomen die de rechtvaardige Jupiter bemind heeft, of wie hun vurige kracht ten hemel voerde.130 Onze Metius daarentegen heeft niet zomaar, vanuit een blinde hartstocht, min of meer impulsief, een partner
filosoof en humanist die aanschoufabel en wordt gezegd tegen een welijk, praktisch onderwijs ook aan atleet die pocht over zijn vroegere de universiteit voorstond. prestaties. De tweede (‘hic Sparta…’) 123 Dampestre Cosel, zestiende-eeuws is door Cicero ontleend aan Euripiwiskundige, die korte tijd hoogleraar des, o.a. Cicero, Epistolae ad Atticum, 4, was aan het Collège de France in 6, 2. Zie ook Erasmus, Adagia, III, 3, 28 Parijs (1565-1566), maar ontslag nam en II, 5, 1. Doorgaans luidt het citaat: omdat hij Latijn noch Frans beheerste. Hic Rhodus, hic salta. 124 In het Latijn worden twee oorspron- 125 Ennius bij Cicero, Tusculanae Dispukelijk Griekse uitdrukkingen tationes, I, 34. gebruikt. De eerste (‘hic Rhodus, hic 126 Seneca, Epistolae ad Lucilium, 49, 6. saltus’) is ontleend aan een Aesopische 146 Wiskunde als familiebedrijf
5
10
15
20
25
Lijkrede 147
[ 41 ] 1 voor een vaste huwelijksverbintenis gekozen. Integendeel, het lukte hem om een door vele voortreffelijke kandidaten begeerde steenrijke en karaktervolle weduwe voor zich te winnen. Deze Jetske Andreae131 stamde uit één van onze voornaamste geslachten. Ze bracht niet alleen een aanzienlijke bruidschat mee, maar met al haar deugden overtrof ze ook nog eens haar seksegenoten. Met haar was Metius meer dan 26 jaar in volledige harmonie getrouwd. Hun huwelijk bleef zonder kinderen. De hoop daarop is vruchteloos gebleken vanwege haar uitgedroogde en afgesloten baarmoeder. (Academische functies) In het jaar 1603 viel de ontslapene na een stemming van de academische senaat de eer, of de last, van het rectoraat te beurt. Het bleek dat hij die taak goed aankon. Hij heeft de wetten van de academie, waarvan hij gezworen had dat hij ze ongeschonden zou handhaven, en hun gezag krachtig verdedigd. En dit in een tijd waarin het leek dat sommigen het zowel met onze Metius als met de academie minder ophadden. Zij stonden in een goed blaadje bij de elite en ze hielden zich bezig met duistere verdachtmakingen, zonder dat de partijen gehoord werden. Het scheen zelfs dat ze besluiten voorbereidden die niet bevorderlijk waren voor de openbare veiligheid en het handhaven van de orde.132 In deze moeilijke omstandigheden werd echter een leiderschap getoond dat gepaard ging met de krachtige eensgezindheid van goede collega’s en met de samenwerking van gelijkgezinde geesten. Metius kon hierin des te vrijmoediger optreden, doordat hij eerder minder eerzuchtig was geweest. Nooit heeft hij
127 Latijnse naam van de Griekse Pallas Athene, godin van onder andere de wetenschap en schutspatroon van de academie. 128 Beeldspraak ontleend aan Cicero, De Natura Deorum 2, 26, 66. 129 Pythagoreeërs waren de volgelingen van Pythagoras, die in de 5e eeuw v. Chr. in Zuid-Italië in een religieuze gemeenschap als in een klooster leefden met strenge leefregels, waarin stilte en vasten belangrijk waren. Zie Erasmus, Adagia, IV, 3, 72. 130 Vergilius, Aeneis 6, 130. 131 Jetske Andreae is overleden in 1620. Ze werd begraven in de Franeker
5
10
15
20
25
148 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 149
[ 42 ] 1 de titel van Rector Magnificus willen nastreven, hoewel dat in de meeste academies een geaccepteerde gewoonte was, en meermalen heeft hij het aanbod afgeslagen, ook al drongen zijn vrienden en al wie de academie welgezind was er serieus bij hem op aan om dit te accepteren. Hij wist maar al te goed dat het slechts om een mooie naam ging en dat de titel Magnificus en zelfs de scepters en roeden waaraan keizer Karel V zich naar men zegt in Leuven heeft moeten onderwerpen niets anders opleveren dan afgunst en minachting.Vooral in deze tijden, waarin hij vond dat het goed was dat de diadeem afgenomen werd van hen die niet wisten wat sommige leiders bij het stichten van academies voorzien schijnen te hebben. Immers die hadden bepaald dat niemand mocht proberen te bedanken voor de eer van het vaak door voortreffelijke personen vervulde ambt, tenzij op straffe van zware boetes en verlies van het hoogleraarschap.Ten onrechte is door sommigen opgemerkt dat deze regel nooit is toegepast. Een rector van een academie moet volgens de academische wetten stemmingen houden en daarbij de meerderheid volgen. Dikwijls echter wordt hij geconfronteerd met de ongelukkige reacties en gedragingen van de onbezonnen jeugd, die zich laat meeslepen door de wijn en de onevenwichtigheid van hun leeftijd. Hij zal zich er tegen moeten verzetten als hij zich tot op de letter aan de norm van de academische wetten en het recht wil houden, als hij goed is voor de goeden en slecht voor de slechten.133
5
10
15
20
Martinikerk. Haar grafschrift luidde waar Winsemius hier precies aan ‘Jetske Andrea Albada, Hvisvrou van refereert, maar duidelijk is wel dat in Dr. Adelanus Metius ovt omtrent .. de eerste decennia van de zevenIaren Sterf de 18 Ian 1620 en leit alhier tiende eeuw er veel rumoer was begraven’; http://home.wanadoo.nl/ rond de universiteit van Franeker. mpaginae/Franeker/Cannegieter.htm Verschillende plannen om sterk te (opgehaald 12-12-2012). ‘Adelanus’ zal bezuinigen of de universiteit zelfs te mogelijk een transcriptiefout zijn van sluiten haalden het niet. Dominicus Cannegieter die kort voor 133 Plautus, Bacchides, 661.Winsemius 1900 de grafstenen inventariseerde. schrijft non in plaats van nam. 132 De bronnen geven geen uitsluitsel
25
150 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 151
[ 43 ] 1 Maar dat is niet alles. Als hij niet oppast krijgt hij zomaar de gehate naam van een Orbilius met de losse handjes134 of van een dwingeland. En dat niet slechts bij de studenten zelf, maar ook bij hun ouders, vrienden en familie en zelfs bij hen die niets met de academie te maken hebben. Niet zonder reden klaagt Lydus bij Plautus135 Dit weet ik absoluut zeker: vroeger streefde een leerling niet eerder een eerambt na door een stemming van het volk, voordat hij ophield gehoorzaam te zijn aan het woord van zijn meester. Maar nu, als je hem, voordat hij zeven jaar is, ook maar met een vinger aanraakt slaat de knaap terstond zijn leraar met zijn schrijftafel de kop in. Wanneer je bij zijn pa verhaal gaat halen, spreekt pa zo tegen zoonlief: weet dat je één van ons bent, zolang je je kunt verdedigen tegen onrecht, etc. Dit thema vervolgt de welbespraakte auteur zeer gevat in zijn Lof van de Ezel136 waarbij hij opmerkt dat het verschijnsel voorkomt bij lieden die de letteren schuwen of haten, zelfs in de academies. Maar als hij daarentegen de jeugd toestaat wat al te vrij naar eigen inzicht te leven en hun vergrijpen en wangedrag ongestraft laat, hen om een voorbeeld te geven niet streng genoeg bestraft of een oogje lijkt dicht te knijpen? Dan heet hij weldra iemand die anderen naar de ogen kijkt en een slappeling die verdient dat hem uit de hoge hemelburcht de bliksem treft.137 Vooral als sommigen, of velen, aantreden die volgens zo’n patroon en voorbeeld leven dat ze, als je denkt
5
10
15
20
25
134 Spreekwoordelijk geworden slechte Asini. Deze satire in de geest van mepgrage schoolmeester van HoraErasmus was gericht tegen de domtius (Epistolae, 2, 1, 71). oren die wetenschap en literatuur 135 Plautus, Bacchides, 437-443. minachten. Het werkje was zeer 136 Daniel Heinsius (1580-1655), die populair en werd vele malen heronder meer in Franeker had gestudrukt. deerd, schreef een in 1623 bij Elze- 137 Ovidius, Tristia, I, 1, 72, en III, 4, 6; vier in Leiden gepubliceerde Laus het citaat is enigszins aangepast.
152 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 153
[ 44 ] 1 dat ze je vrienden zijn, vals door vals bedrog blijken te zijn, met de tong daadkrachtig, traag in daden, slap in trouw,138 en die heel kleine, middelgrote, heel grote zaken aan anderen doorbrieven. Onze ontslapene was tot aan zijn laatste snik een Hollander die geen blad voor de mond nam en de dingen bij hun naam noemde.139 Het leek wel alsof zijn geboortestad Alkmaar, de Friese metropool, vlakbij Verona lag, heel ver verwijderd van Piacenza.140 Want hij zei wat hij meende en meende wat hij zei, wat Seneca voor gewenst hield.141 Van stiekeme aantijgingen, schimpscheuten of acties uit eigenbelang was onze Metius niet gediend. Met onbevlekt blazoen bewoog hij zich in het openbaar. Als groot kenner van de academische wetten aarzelde hij niet om ze snel als een soort Gorgo-schild142 in stelling te brengen, want Een rechtvaardig man, die vasthoudt aan zijn voornemen wordt noch door felheid van burgers die het slechte bevelen, noch door angst voor een dreigende tiran van zijn stuk gebracht, etc.143 Hij had goed onthouden dat de vruchten der rechtschapenheid sterker gedijen in het geweten dan in de reputatie.144 Na de voltrekking van zijn huwelijk nam hij snel zijn studie weer op. Bovendien nodigde hij nu aanzienlijke en voortreffelijke jongemannen bij zich aan tafel. Hij nam ze ook op in zijn huis om hun studie niet alleen in openbare colleges, maar ook door privé-onderricht
138 Plautus, Bacchides, 540-542. van de drie gezusters Gorgo, door haar 139 Letterlijk: ‘die een boot een boot en verstenende blik terug te laten kaatsen een hak een hak noemt’. Zie Erasin zijn omhooggehouden schild. mus, Adagia, II, 3, 5. 143 Horatius, Carmina, III, 3, 1-4.Winse140 In de namen van beide steden speelt mius heeft in de derde regel het een tegenstelling mee: waarheid overgeleverde vultus (gelaat) vervan(veritas) in Verona en behagen, in het gen door metus (angst).Vriemoet, gevlei komen (placere) in Placentia. Athenarum Frisiacarum, 107 citeert 141 Seneca, Epistolae ad Lucilium, 75, 4. deze passage letterlijk, maar met het 142 In de Griekse mythologie versloeg de correcte vultus. held Perseus het monster Medusa, één 144 Plinius de Jongere, Epistolae, I, 9.
5
10
15
20
25
154 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 155
[ 45 ] 1 te bevorderen. Hij wilde hun ziel op de wijze van de Deipnosofisten145 uit de Oudheid met gezonde wetenschappelijke kost verzadigen, terwijl intussen ook het lichaam verkwikt werd. Na het afruimen van de tafel placht hij alles te herhalen wat ze tijdens de openbare colleges niet konden begrijpen of wat ze tot hun schande verzuimden te leren. Schaamrood op het gezicht is echter niet de slechtste houding ter bevordering van de studie, zoals ook blijkt uit de terechte lof van rechtsgeleerden voor hun voorganger, die, ook al stond hij met één been in het graf, door spijt noch schaamte weerhouden werd om te leren.146 (Boeken en verdere studie) Toen Metius twee of drie jaar in deze academie had doorgebracht heeft hij zich niet van het publiceren van monumentale studiewerken en het toelichten van zijn nuttigste uitvindingen laten afschrikken door het woord van de dichter dat een ongeneeslijk schrijfgezwel het volk in zijn greep houdt en oud wordt in het zieke hart.147 Hij vestigde integendeel zijn naam onder hen die schreven omdat ze toenamen in kennis en die toenamen in kennis omdat ze schreven.148 Zo kwam het dat niemand meer op afzondering gesteld was dan onze overledene. Hij was juist het minst alleen als hij alleen was. Want dan converseerde hij slechts met zichzelf en zijn boeken.149 Maar wat spreek ik van eenzaamheid? Ieder van ons die hem gekend heeft herinnert zich wel dat hij ook tijdens hartelijke gesprekken met vrienden en plezierige ontmoetingen, sterker nog zelfs in de senaat, als het over minder belangrijke zaken ging, zich aan zijn getallen en
5
10
15
20
25
145 De Griek Athenaios (ca. 200 n. Chr.) tus Pomponius (2e eeuw n. Chr.) publiceerde zijn Deipnosophistae, een was een beroemd Romeins jurist en encyclopedisch werk waarin hij uitauteur van een geschiedenis van het voerig een groot aantal geleerde recht. tafelgesprekken beschrijft. 147 Juvenalis, Satirae, 7, 52. 146 Erasmus, Adagia II, 1, 52, die Pom- 148 Augustinus, Epistolae, 143, 2. ponius, Digesta, 40,5,20 citeert. Sex- 149 Plautus, Amphitruo, 1,1,2.,
156 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 157
[ 46 ] 1 berekeningen overgaf. Het leek dan wel alsof hij in de hemel was en dat zijn gedachten van de aarde opstegen en zich losmaakten van zijn lichaam. Vaak was het alsof hij net als de secretaris van het sterrenpaleis (volgens de benaming van de beroemde astroloog Herlicius),150 gebogen over sferen, cycli, epicycli151 en andere verschijnselen, helemaal opging in de tussenwerelden van Epicurus.152 Hij vond dat je moet leren zolang je onwetend bent en volgens het spreekwoord zelfs je leven lang.153 Hij beschouwde zo’n leven koninklijk en zuiver en een aangename en eerzame tijdsbesteding, mooier dan welke inspanning ook.154 Metius’ houding was vergelijkbaar met die van Archimedes,155 aan wie de bezetting van Syracuse totaal ontging omdat hij zich helemaal concentreerde op het glaspoeder156 waarin hij met passer en liniaal zijn bollen en cirkels construeerde. Ook is hij vergelijkbaar met de grote Josephus Scaliger.157 Deze was in Parijs zo ingespannen aan het studeren dat hij niets merkte van dat vreselijke bloedbad in de stad.158 Aldus heeft onze Metius, die geen dag aan slaap, geen nacht aan plichtplegingen en de geneugten des levens besteedde159 vele vruchten van zijn genie voortgebracht. Onder al zijn geschriften komt de eerste plaats toe aan zijn korte, heldere en bevattelijke Institutio universae Astronomiae.160 Dit boek is meermalen verbeterd, herzien en herdrukt en nog tijdens Metius’ leven in verscheidene, ook koninklijke, academies en illustere gymnasia161 in het openbaar behandeld en uitgelegd.162 Vaak is het zo dat geschriften van grote geleerden pas na hun dood meer gewaardeerd worden.
150 David Herlicius (1557-1636), hoogleraar wiskunde aan de universiteit van Greifswald. 151 Epicycli zijn kunstmatige bewegingen die aan de planeten werden toegeschreven om hun loop te kunnen verklaren. In een geocentrische astronomie maken planeten anders een onverklaarbare loop aan de hemel. 152 De Griekse filosoof Epicurus (4e eeuw v. Chr.) meende dat de goden verbleven in ‘ruimten tussen de werelden (of planeten)’. 153 Seneca, Epistolae ad Lucilium, 76,3. 154 Plinius de Jongere, Epistolae, I, 9. 155 Zie noot 46. 156 Het ‘pulvis mathematicus’ was glaspoeder waarin wiskundigen in de oudheid met een ‘radius’, een stokje, geometrische figuren tekenden. 157 Josephus Justus Scaliger (1540-1609),
5
10
15
20
25
158 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 159
[ 47 ] 1 Dan is immers de onderlinge rivaliteit en afgunst voorbij. Deze heerst onder de levenden, maar verdwijnt na hun dood. In zijn biografie van de voortreffelijke Franse medicus Johannes Fernelius Ambianus vermeldt Willem Plantius163 vol bewondering als iets zeldzaams en ongehoords dat diens medische commentaren in andere academies en scholen publiekelijk werden voorgelezen en uiteengezet. Toen dit geschrift van hem bij velen de begeerte naar meer gewekt had164 ging Metius door met schrijven. Dus volgde even later de Arithmetica et Geometria Practica, volgens een nieuwe bevattelijke methode geredigeerd.165 Vervolgens kwam daar weer een uitgebreidere en verbeterde versie van uit, omdat de oude exemplaren uitverkocht waren. Daarop volgde een editie van de Institutiones Astronomicae in het Nederlands.166 Die was van het grootste nut voor onze Argonauten167 die met hun schepen de zeeën bevaren en alle werelddelen opzoeken en verrijken met hun handelswaar.Veel van hen hebben privé-onderwijs van onze overledene genoten en zijn geëindigd als uiterst bekwame stuurlieden op de vloot. Daar heeft onze Republiek zeer van geprofiteerd. Vervolgens verscheen de Nova Praxis Geometrica voor het gebruik van de passer en de proportionele liniaal.168 Hiermee konden de moeilijkste en meest abstracte geometrische problemen duidelijk en heel simpel opgelost worden. Niet veel later schonk Metius ons een nieuwe vrucht van zijn genie: een uitstekend commentaar op het astrolabium en het gebruik ervan.169
filoloog en hoogleraar aan de Leidse 159 Tacitus, Annales, XVI, 18. universiteit; van Franse komaf. 160 Zie bibliografie. 158 Scaliger zou tijdens de Bartholome- 161 Illustere scholen bestonden naast usnacht in 1572 in Parijs hebben universiteiten en konden (propeverbleven. Niet alleen ontsnapte hij deutisch) onderwijs op haast hetzelf aan de dood die nacht, ook zou zelfde niveau aanbieden (bijvoorhij van het geweld niks hebben beeld in Amsterdam). Het verschil meegekregen. Dit in tegenstelling met universiteiten was dat zij geen tot de eerder in de lijkrede genoempromotierecht hadden. In 1636 hadde Petrus Ramus, die deze nacht den in de Republiek Harderwijk, vermoord werd. Amsterdam en Utrecht zo’n school.
5
10
15
20
25
160 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 161
[ 48 ] 1 Dit was een tweetalige uitgave, zodat de jonge matrozen op hun verre zeereizen die ook konden gebruiken. Om dezelfde reden, om ieder die alleen de moedertaal machtig was tegemoet te komen, gaf hij ook het Encheiridion Astronomico-Geometricum uit.170 Daarin worden de principes van het versterken van steden en forten zeer beknopt en krachtig uiteengezet. Er is nog een ander werk van onze overledene dat ik niet onvermeld kan laten. Dit is zijn Primum Mobile, astronomisch, perspectivisch, geometrisch en hydrografisch verklaard in bol, planisfeer, sferische driehoeken, astronomische tabellen, ellipsen en geometrische tekeningen.171 Ik ga voorbij aan de geschriften die hij in de moedertaal ten gerieve van een algemeen publiek schreef. Want er waren nogal wat die in hun jeugd geen klassieke opleiding gekregen hadden, maar die wel degelijk hunkerden naar enige wiskundige kennis. Dat kon zijn om de tijdrekening en de kalender te begrijpen, of de zonnebaan te onderzoeken of de gang van de maan, die eb en vloed op zee schijnt te veroorzaken. Of om ’s nachts de Grote en Kleine Beer, die vrezen in zee te doven,172 waarvan de ene de Griekse schepen stuurt, de andere de Phoenicische, beide zonder onder te gaan in zee,173 en andere sterren te observeren met behulp van de jakobsstaf, het astrolabium en andere instrumenten. Van zijn geschriften wordt nog een groot deel,
162 In veel bewaard gebleven exemplaWaarschijnlijk verwijst Winsemius ren van Metius’ boeken zitten hier naar Io. Fernelii Ambiani, eigendomskenmerken van roomsUniuersa Medicina, Tribus et viginti katholieke ordes en onderwijsinstellibris absoluta (Lutetiae Parisorum: lingen. Zoals bijvoorbeeld in het Wechelus, 1567). exemplaar dat in Tresoar wordt 164 Letterlijk ‘het water in de mond bewaard van zijn Institutiones Astrodeed lopen’, Seneca, Epistolae ad nomicae (1608). Zie ook de Inleiding. Lucilium, 79, 7. 163 Joannes Fernelius Ambianus (1497- 165 Metius, Arithmeticae et geometriae prac1558), hofmedicus van de Franse tica (1611). koning Henry II; Ambianus’ eerste 166 Institutiones astronomicae & geographibiograaf was de Franse medicus cae, fondamentale ende grondelijcke Guillaume Plancy (1514-1568). onderwysinge (1614) en Nieuwe geo-
5
10
15
20
25
162 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 163
[ 49 ] 1 met een toelichting of in uitgebreide vorm, in het huis van onze overledene bewaard. Zij zullen te zijner tijd door het nageslacht des te meer gewaardeerd worden. En had God hem nog een paar jaar extra gegund, dan hadden nog meer en gedenkwaardiger vruchten van zijn fijnzinnige geest en zijn scherpzinnige gedachten het licht gezien. Hij had besloten deze studies te verfijnen en te vervolmaken en ze dan bijeen te brengen en op te nemen in een grote en toepasselijke verzamelband. Welke uithoek van Europa is er intussen nog, toehoorders, ja welk deel van de gehele bewoonde wereld, waar Metius’ naam onbekend is? Zijn geschriften en zijn roem hebben immers niet alleen de van de hele wereld afgezonderde Britten174 en nog verder afgelegen volkeren bereikt. Ook zijn ze doorgedrongen in het uiterste oosten en westen, waar onze schepen zonder de handleiding in zijn boeken en de tabellen van onze collega niet durfden te komen.Want was er een tweede die met zijn stift de hele aarde beschreef voor de mensen175 behalve Metius? Of die van de hemel de bewegingen beschreef met zijn stift of het rijzen der sterren benoemde?176 Hoe groot moet onze bewondering wel niet zijn, toehoorders, voor een man die zich thuis in zijn benauwde studeerkamer opsloot en met zijn vernuft het hele aardrijk en alle rijken, plaatsen en districten kon doorkruisen en
graphische onderwysinghe (1614A). Beide herdrukt door Blaeu in 1621. Zie ook bibliografie. 167 Griekse avonturiers die in de mythologie met hun schip de Argo onder leiding van Jason het gulden vlies uit Kolchis roofden. 168 Praxis nova geometrica per usum circini et regulae proportionalis (1623). 169 Astrolabium, hoc est astrolabii utriusque accurata descriptio (1626). 170 ‘Fortificatie ofte sterckten-bouwinghe’, gevoegd bij Maet-constigh liniael, ofte proportionalen ry ende platten passer (1626). 171 Primum mobile (1631); herziene editie door Blaeu (1633).Terecht heeft dit werk de ondertitel Opera omnia astronomica. 172 Vergilius, Georgica, I, 246. 173 Ovidius, Tristia, 4, 3, 1 en 2. 174 Vergilius, Ecloga, I, 66. Zie ook Erasmus, Adagia, I, 2, 97. 175 Vergilius, Ecloga, III, 40/41. 176 Vergilius, Aeneis, VI, 849-850 (aangepast).
5
10
15
20
25
164 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 165
[ 50 ] 1 onderzoeken. Die met zijn geestesoog, ook al was hij zelf heel ver weg, als Mercurius177 anderen de weg kon wijzen, hun koers bepalen en leren wat wel en niet gedaan moest worden. Die kortom tegelijk met de schepen ook de ladingen veilig en ongeschonden naar hun bestemming in de gewenste haven kon begeleiden. Dit deed hij met behulp van zijn berekeningen en tabellen. En dit maakte hij duidelijk op grond van zijn waarnemingen van de sterren, de afwijkingen van het kompas, de trek178 en de bewegingen van de oceaan en de rivieren. De moeilijkheid hierbij was dat hij dacht dat de lengtegraad helemaal niet of nauwelijks met enige zekerheid gevonden kon worden. Er waren wel anderen geweest die enig licht in deze zaak hadden verschaft.179 Hoewel zij het probleem niet konden oplossen, meende hij toch dat men hen met lof en loon moest aanmoedigen en belonen. Dus heeft hij tot nut van de zeevaart, waar de welvaart van ons vaderland van lijkt af te hangen, de oude nautische tabellen gecorrigeerd door de fouten eruit te halen en nieuwe opgesteld en berekend op wetenschappelijk verantwoorde wijze. Zo sterk was zijn grote geestkracht, zijn Ardua vis Mentis. Deze Latijnse woorden verklaren als anagram na het omzetten van de letters perfect de naam van onze overledene Adrianus Metius.180 Al zijn vakkennis wendde hij aan om de publieke zaak zo veel mogelijk van dienst te zijn. Hem werd wel gevraagd waarom hij de studie der astrologie en van de horoscoop,
5
10
15
20
25
177 Hermes, Mercurius’ Griekse equivadoorgangen, banen en bewegingen lent, doorkruist in het epos van van grote en kleine waterlopen. Homerus als bode der goden het 179 Het vinden van lengte op open zee hele luchtruim, ziet alles en wijst de was een van de grootste problemen goede weg aan wie dwaalt. van de vroegmoderne tijd. Zie de 178 Euripus, de naam van de nauwe zeeInleiding. straat tussen het Griekse vasteland en 180 Dit haalt Winsemius uit een carmen het eiland Euboea, wordt in het dedicatorium van zijn broer: Metius, Latijn gebruikt voor alle mogelijke De genuino usu (1624).
166 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 167
[ 51 ] 1 die hij zich toch volledig en grondig uit de geschriften eigen had gemaakt, niet vervolmaakte en doorgaf. Dan luidde zijn antwoord dat de aan die ijdele en bijgelovige kunst gewijde uren heel slecht besteed waren.181 Hij was ook altijd erg gebelgd op wie met hun gebazel en ijdeltuiterij de zekerheid van de gehele wiskunde in twijfel getrokken hadden en de wiskundigen zelf met zware en boosaardige verdachtmakingen overlaadden. Dit was volgens hem ook de reden dat de wiskundigen samen met de magiërs uit Rome en Italië verbannen zijn (zoals Tacitus vermeldt).182 Hij zat wat dit betreft op één lijn met doctor Sixtus Hemminga,183 illustere ster van ons Friesland en uitzonderlijk sieraad van onze adel. Hij heeft die wijze van toepassen van de astrologie, waarin niemand meer bedreven was dan hij zelf, en het voorspellen van de toekomst, gebaseerd op de sterrenbeelden tijdens iemands geboorte, zeer krachtig weerlegd. Dit deed hij met de onwankelbare criteria van de medische en andere wetenschappen, de rede en de praktijkervaring.Toch schijnt Sixtus bij het opstellen van de horoscoop van Prins Willem van Oranje het fatale schot op de dag nauwkeurig voorspeld te hebben. Ook had hij beweerd dat de grondslagen en de voorschriften van de astrologische wetenschap door het voorbeeld van één man, Joannes van Oostenrijk,184 koninklijk gouverneur van de Nederlanden, klip en klaar bevestigd werden. Maar hij moest lachen om al die charlatans en nieuwsgierige schijngeleerden, die zonder rekening te houden met hun eigen verstand of de hoogste goddelijke macht uit de sterren, waarvan alleen de schepper het wezen kent,
5
10
15
20
25
181 Metius publiceerde wel degelijk 183 Sixtus Hemminga (1533-1584), arts over de astrologie, dus Winsemius en verklaard tegenstander van de kan hier niet bedoelen dat hij zich astrologie. er helemaal niet mee bezig hield. 184 Don Juan van Oostenrijk (1547Hij lijkt te impliceren dat Metius de 1578), een broer van Filips II, in astrologie niet verder ontwikkelde. 1576 landvoogd in Spaanse dienst 182 Volgens Tacitus, Annales, II, 32 vond over de Nederlanden. deze verbanning plaats in het jaar 16 n. Chr. 168 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 169
[ 52 ] 1 hun eigen toekomst en die van anderen met zekerheid willen voorspellen. Ook Alphonso, de wijze koning van Aragon,185 ingewijd in de geheimen der natuur,186 en groot kenner der astronomie, deelde deze mening, wist hij. In diens paleis was zelfs niet één astroloog te vinden volgens de bronnen. Zo moest Metius ook lachen om de realiteitswaarde van het climacterisch jaar, waarmee het 63ste levensjaar bedoeld wordt, de som van zeven perioden van negen jaar. Dat jaar is volgens sommigen vele illustere en beroemde mannen fataal geworden.Want toen hij vorig jaar dit punt achter de rug had en ik hem feliciteerde met de gelukkige afloop, zoals ook keizer Augustus was overkomen, zei hij lachend dat het onzin was.187 Het had geen enkele basis in de natuur zelf of in de wiskunde. Dit heeft hij slechts een paar dagen voor zijn fatale ziekte nog letterlijk herhaald in aanwezigheid van enkele collega’s. De zeer vrome keizer Maximiliaan II188 was eveneens dezelfde mening toegedaan. Want toen zijn hofmeester hem met de gelukkige afloop van zijn climacterisch jaar feliciteerde, was zijn antwoord dat alle levensjaren climacterisch zijn en dat het lot van een mens afhangt van Gods voorzienigheid. Hij stemde in met de regel Geloof dat elke dag je laatste geweest kan zijn.189 Over kometen en hun onheilspellende en droevige effecten was Metius het oneens met de meeste wiskundigen.
5
10
15
20
25
185 Alfons X (1221-1284) was koning Grotius (d.d. 4 juni 1639). Hij vervan Castilië en León (en niet van wijst eveneens naar de reactie van Aragon). In de vroegmoderne tijd keizer Augustus. Deze is overgelewerd hij gezien als een belangrijk verd door Aulus Gellius, Noctes Attipatroon van de astronomie. cae, II, 15, 7. Zie Seventy-Seven Neo186 Plinius de Oudere, Historia Naturalis, Latin letters, 226-230. II,53. 188 Maximiliaan II (1527-1576), keizer 187 Ook Gerardus Joannes Vossius van het Heilige Roomse Rijk. bespreekt de gevaren van het 63ste 189 Horatius, Epistolae, I, 4, 13. levensjaar in een brief aan Hugo
170 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 171
[ 53 ] 1 Ik herinner me nog heel goed zijn afwijkende opinie toen 17 jaar geleden die zeer grote komeet werd gezien, waarvan hij de baan na nauwkeurige observatie met zijn instrumenten beschreven heeft.190 Hij meende met Hadrianus Barlandus191 dat er geen enkele komeet kan verschijnen die de wereld meer onheil brengt dan een slechte vorst, zoals er anderzijds ook geen enkele ster even heilzaam is als een leider van onbesproken gedrag. Hij volgde het voorbeeld van Karel de Grote, de allergrootste keizer. Toen die in het jaar des Heren 814 een komeet gezien had die sommigen ongunstig achtten voor de keizer persoonlijk, werd hij met de woorden van de profeet gemaand: wees niet bang voor de tekenen aan de hemel, omdat de heidenen daarvoor vrezen.192 Daarop antwoordde hij: we moeten slechts hem vrezen die de schepper is van ons en van deze ster en we zijn juist gehouden om zijn mildheid te prijzen, want hij verwaardigt zich om ons zondaars met zulke tekens aan onze laksheid te herinneren. Maar het was niet slechts de wiskunde die Metius bestudeerde en verhelderde. Ook medische geschriften doorvorste hij in zijn vrije uren.Vooral de chemie, die leert om een gezuiverde stof te destilleren uit plantaardige en minerale materie, schonk hem veel genoegen. Een aantal jaren was hij hierdoor helemaal gebiologeerd. Maar uiteindelijk begreep hij dat het zoeken naar de steen der wijzen vergeefse moeite is en dat de kunst om mindere metalen in edelere om te zetten ongewis en schadelijk is voor de beoefenaren ervan. Door schade aan het familiekapitaal
5
10
15
20
25
190 Op 27 november 1618 verscheen er spreekt heeft Metius waarschijnlijk een komeet die in Europa veel nooit gepubliceerd. indruk maakte en in vele publicaties 191 Adrianus Barlandus (Adriaen van werd gezien als een voorteken van Baerland) (1486-1538), uit Zeeland de Dertigjarige oorlog (1618-1648). afkomstig filosoof. De observaties waar Winsemius over 192 Jeremia 10:2.
172 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 173
[ 54 ] 1 en schande van de kant van de vaklieden wijs geworden, heeft hij geleerd dat de chemie dienstbaar is aan de medische wetenschap. Deze laatste heeft een grote hoeveelheid zeer nuttige geneesmiddelen aan haar te danken, vooral voor chronische aandoeningen. Daarom heeft hij toen zowel uit boeken van de Dogmatici als van de Chymici en Empirici een groot aantal ge nees wijzen verzameld en zich eigen gemaakt voor de behandeling van inwendige en uitwendige kwalen.193 Met als gevolg dat de hooggeachte senaat van onze academie onze collega, van wiens medische kennis men voldoende overtuigd was, zonder de gebruikelijke plechtigheden van een examen of openbare disputatie op 8 november 1625 officieel tot doctor medicinae benoemd heeft.194 Ervaring had Metius opgedaan met enige simpel te bereiden geneesmiddelen, middeltjes uit de huisapotheek zoals de Grieken die noemen, die hun nut hadden bewezen. Hij had deze niet alleen gekregen van vakkundige genezers, maar ze zelfs ontleend aan de Empirici. Daar hoeft niemand zich voor te schamen, want ook Galenus geneert zich niet om zelfs een geneesmiddel aan te bevelen dat een oud vrouwtje of onbeschaafde kerel hem had laten zien. Men moet er dus niet op letten van wie een probaat en nuttig medicijn afkomstig is, maar of het de toets kan doorstaan van de rede en praktijkervaring.Toch had hij niet veel profijt van de verleende medische graad. Hem waren immers Aangenaam bovenal de Muzen 195
5
10
15
20
25
193 Metius’ voorliefde voor alchemische 194 Metius werd benoemd tot doctor studiën blijkt bijvoorbeeld uit zijn medicinae honoris causa. schenking aan de bibliotheek van de 195 Vergilius, Georgica II, 475. De vier Franeker Academie van twee grote woorden vormden het devies van folianten van Andreas Libavius en de Leidse humanist Janus Dousa Paracelcus. (1545-1604).
174 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 175
[ 55 ] 1 hij had nogal wat moeite met de omgang met zieken en de uitoefening van de vervelende en ondankbare medische praktijk. Vaker dan één keer, toehoorders, hebben anderen er over gedacht Metius uit onze academie weg te lokken. Ik noem van hen slechts hertog Albertus van Oostenrijk en Brabant.196 Op advies en instigatie van Georgius, de zoon van Joachim Hopperus,197 Aubertus Miraeus198 en anderen had hij tijdens het Bestand besloten om Metius naar Brabant199 te halen met royale toezeggingen, profijtelijke voorwaarden en een luisterrijk stipendium. Maar nadat zijn verre vrienden hem hierover gepolst hadden liep de zaak op niets uit. Want als groot liefhebber van de vrijheid en felle hater van de Spaanse overheersing wilde hij zijn religieuze overtuiging niet veranderen, noch de gevoelens van zijn vroom gemoed verbloemen. Hij was zelf tevreden met zijn eervolle positie en beroep en met zijn bescheiden vermogen en hij wilde zijn post niet in de steek laten voor een riantere plek. Zo groot was zijn genegenheid voor onze academie en voor wat hij bijna als zijn tweede vaderland beschouwde dat hij het schandalig vond om als de een of andere huursoldaat uit geldzucht of winstbejag van hier te verhuizen. Intussen moet opgemerkt worden dat zelfs de vijanden Metius’ eruditie en grondige kennis vol bewondering hebben erkend en gewaardeerd.
5
10
15
20
25
196 Albertus van Oostenrijk (1559van Mechelen, zoon van Joachim 1621), landvoogd van de Zeventien Hopperus (1523-1576). Verenigde Provincies der Nederlan- 198 Aubertus Miraeus (1573-1640), hofden - in de praktijk slechts van de bibliothecaris en hofkapellaan te Zuidelijke Provincies. Brussel. 197 Georgius Hopperus (1557-vóór 199 Bedoeld wordt de rooms-katholieke 1621), raadsheer in de Grote Raad universiteit van Leuven.
176 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 177
[ 56 ] 1 Dit ging zelfs zo ver, dat de Jezuïeten zijn Institutiones Astronomicae en andere geschriften van hem publiekelijk her en der in hun gymnasia hebben gedoceerd en uitgelegd. En dat, terwijl zij de hervorming van alle vakken en wetenschappen beogen en pretenderen bijzonder bekwaam te zijn in het opleiden der jeugd. Het is dan ook niet vreemd, toehoorders, dat Metius door zijn beroemde naam velen hierheen heeft gelokt om hem te zien en te horen. Had hij in barokke200 stijl, pompeus, zijn geleerdheid geëtaleerd, had hij als een opschepper zijn woorden opgetuigd met toeters en bellen, dan had hij voor zijn geschriften en geleerdheid nog meer waardering en lof kunnen krijgen. Hij vond echter met Plautus Wie aanzien voor bezit en roem voor rijkdom houdt moet zich herinneren wat zijn oorsprong is.201 Hij wist dat ziekten niet genezen door welsprekendheid, maar door geneesmiddelen202 en dat het met de wiskunde is als met een zieke die minder heeft aan een welbespraakte arts dan aan een knappe.203 Niet met woorden, maar met duidelijke bewijsvoeringen moet er gestreden worden. De ware wiskundige manifesteert zich uitgerekend in het stof van het strijdperk. Talloos zijn in elk geval de voorname, edele, illustere en voortreffelijke mensen die door hem zijn opgeleid en die hij, wijzer en geleerder geworden, weer liet gaan. Onder hen waren (om niet meer te noemen) Zijne Hoogheid Prins Uldericus,204
200 De in de Latijnse tekst genoemde ‘Aziatische stijl’ was een in de Griekse steden van Klein Azië ontwikkelde levendige en soms bombastische retorische stijlvariant. Deze was barokker dan de algemenere Attische stijl en had grote invloed op het hoger onderwijs in Griekenland en Rome en op redenaars als Cicero. 201 Plautus, Aulularia, 3, 6, 5/6. 202 Celsus, De Medicina, Praefatio, 39. 203 Seneca, Epistolae ad Lucilium, 75,6. 204 Zie Boeles, Frieslands Hoogeschool, II.1, 72. Boeles verwijst naar Nicolaas Blan 178 Wiskunde als familiebedrijf cardus, Panegyricvs, 24.Winsemius bedoelt hier waarschijnlijk Ulrik Johannes van Denemarken (15781624). Deze verbleef tegelijk met Metius aan de universiteit van Rostock, waar Ulrik in 1595 werd benoemd tot een ere-Rector Magnificus en misschien heeft hij daar onderwijs van Metius genoten. Dat maakt het ook onwaarschijnlijk dat Ulrik daadwerkelijk Franeker is geweest - de berichten daarover van Blancardus en Boeles voeren terug op deze lijkrede.
5
10
15
20
25
Lijkrede 179
[ 57 ] 1 tweede zoon van Zijne Doorluchtigheid de Koning van Denemarken, de bisschop van Bremen,205 de oudere graaf van Turris206 evenals de graaf van Lezno207 en ontelbare baronnen, edelen en hoogheden. Het allergrootste deel van hen heeft de wereld nuttige diensten bewezen in tijden van oorlog en vrede en doet dat nog steeds. Velen laat ik nog ongenoemd, die zonder enige opleiding in de letteren en de filosofie, zoals P. Ramus over P. Forcadel208 beweert, toch alleen dankzij hun aanleg en door te oefenen van het onderricht van onze Metius veel wiskundige kennis hebben opgestoken. Verscheidene van hen zijn bij hem na een openbaar examen in de geometrie gepromoveerd tot landmeter. (Tweede huwelijk en overlijden) Na het verlies van zijn eerste echtgenote, die zoveel jaren zijn onafscheidelijke levenspartner was geweest, trad hij in het jaar 1627 voor de tweede keer in het huwelijk met Cecilia Vertest.209 Deze voortreffelijke jonge vrouw was de dochter van Evaldus Vertest,210 de schout van Schagen. Hij is ongeveer acht jaar met haar getrouwd geweest en hun huwelijk was zo harmonieus, dat ze het in alles eens waren.211 Maar net als zijn eerste huwelijk bleef ook deze verbintenis kinderloos. Meteen toen de vorige reguliere zomervakantie begonnen was, vertrok Metius met haar naar Holland om zijn vrienden en de ouders van zijn vrouw op te zoeken. Terwijl ze tijdens hun verblijf daar genoten van de aangename omgang en de gesprekken met hun vrienden
205 Wellicht John Frederick of Hol79 J 46, fol. 37, recto, 79 J 47, fol. 35 stein-Gottorp (1579-1634). Het is recto en 79 J 48, fol. 58 recto. onduidelijk wanneer Metius dit 207 Graaf van Lezno, ASF 2816 (ingeonderwijs zou hebben gegeven. schreven 15 maart 1632 als Bogus206 Heinrich Matthias von Thurn en laus, comes de Leschno, Palatinides, Valsassina (1567-1640). Deze was in Brestensis). maart 1628 in Franeker. Hij tekende 208 Pierre Forcadel, zestiende-eeuwse toen de Alba Amicorum van drie wiskundige uit Frankrijk.Was als broers Van Harinxma thoe Slooten. hoogleraar in de wiskunde (1560Koninklijke Bibliotheek Den Haag, 1573) verbonden aan het Collège de
5
10
15
20
25
180 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 181
[ 58 ] 1 werd zijn schoonvader onverwacht getroffen door de zware en gevaarlijke aandoening, die de artsen longontsteking noemen. Vijf dagen later bezweek de anders zo sterke en energieke man daaraan. Door deze trieste en wrede gebeurtenis waren onze overledene en zijn beminde echtgenote helemaal van de kaart. Metius treurde zelfs om hem alsof het niet zijn schoonvader betrof maar een intieme vriend of bijna een broer. Toen na de begrafenis ook alles gedaan was wat gewoonlijk in een sterfhuis gebeuren moet, wilde hij snel terugkeren naar huis. Hij bleef maar aandringen en hoewel zijn vrouw nog zeer aangeslagen was door deze verse wond en zich slechts met moeite van haar diepbedroefde moeder liet losrukken, stemde ze tenslotte in met het vertrek. Als reden voor deze haast, die zijn echtgenote en hun vrienden ongepast voorkwam, voerde hij zijn lestaak en de planning van zijn leeropdracht aan. Hij wilde niet dat de studenten zijn onderricht langer moesten missen. Hij wist immers dat al zijn collega’s na de vakantie weer aan het werk gegaan waren. Intussen besefte hij heel goed dat in de academies hetzelfde aan de hand was als waarover Plinius tegenover Sosius Senecio klaagt dat men laks ter college gaat, dat de meesten op de openbare pleinen zitten en hun tijd verspillen met het aanhoren van sterke verhalen; ze laten zich voortdurend op de hoogte stellen of de docent al gearriveerd is en of hij zijn inleiding al heeft uitgesproken of zijn boekrol al een eind heeft afgerold;
5
10
15
20
25
France, waar hij colleges gaf in het schout te Schagen; Kroniek van het Frans. Net als Cosel beheerste hij Historisch Genootschap gevestigd te het Latijn niet, wat aanleiding was Utrecht, 3-1, 258. tot felle polemieken (zie noot 123). 211 Het Latijnse ‘idem velle et idem 209 Cecilia Vertest was afkomstig uit nolle’ is ontleend aan Sallustius, BelSchagen. Zij overleefde haar man en lum Catilinae, 20, 4, waar het een erfde zijn bezittingen. kenmerk van ware vriendschap 210 Evaldus (Ewout) Jansz.Vertest, was genoemd wordt.
182 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 183
[ 59 ] 1 en dat zij dan pas en nog traag ook en aarzelend komen aanzetten en evenmin de hele tijd blijven, maar zich voor het eind al weer terugtrekken, sommigen onopvallend en stiekem, anderen openlijk en ongegeneerd. En dat de grootste nietsnutten, ook al zijn ze veelvuldig van te voren gevraagd en herhaaldelijk gemaand, of niet komen, of, als ze wel komen, klagen dat ze die dag verspild hebben omdat hij niet verspild is. Maar, zoals dezelfde Plinius treffend opmerkt, des te meer moet men prijzen en complimenteren wie door deze luiheid of arrogantie der toehoorders niet wordt afgehouden van zijn enthousiasme voor het schrijven en oreren.212 Maar het lot dat wie meegaat leidt en dwingt wie zich verzet213 schijnt Metius’ gebeente voor Franeker bestemd te hebben. Hij is op de zesde september in de middag teruggekeerd naar huis. Eerst heeft hij mij bij zich geroepen om over verschillende onderwerpen vertrouwelijk te spreken. Hij had zich voorgenomen om de volgende dag zijn gewone lestaak en de onderbroken colleges te hervatten. Maar de geachte en weledele heren curatoren van onze academie hadden schriftelijk aangekondigd dat zij uit hoofde van hun publieke taken op de zevende september op bezoek zouden komen. Om die reden waren de hoogleraren twee dagen vrijgesteld van het geven van colleges. Daarom stelde Metius zijn eerste openbare college, waarin hij nieuwe stof zou introduceren, uit tot donderdag de tiende september. Die dag sprak hij op het vastgestelde uur voor een afgeladen collegezaal. Toen hij de lesstof en het programma voor de volgende dag had bekendgemaakt en afgerond nam hij zich voor om vrijdag de elfde te besteden aan waarnemingen. Dit is de dag waarop
5
10
15
20
25
212 Plinius de Jongere, Epistolae, 1, 13.
213 Seneca, Epistolae ad Lucilium, 107, 11.
184 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 185
[ 60 ] 1 de Weegschaal dag- en slapensuren geëffend had, en de wereld half in licht en half in schaduw gedeeld. 214 Hij wilde ’s middags met een zeer ingenieuze uitvinding, die hij voor het eerst gezien had van een boer, die het principe ervan niet kende, de hoogte van de zon zeer nauwkeurig observeren. Daarvoor moest hij eerst een plek inrichten op de hoger gelegen zolder van de academie en er zijn instrumentarium opstellen. Dat had hij ook eerder al vaak gedaan. En dus haastte hij zich, na zijn middagmaal niet of nauwelijks beëindigd te hebben, ter bestemder plekke, overtuigd als hij was dat deze uitvinding van het grootste nut en belang was voor de astronomische en geografische praktijk. Het was gunstig dat de hemel op dat moment helder was en dat de zon zelf met heldere stralen zonder enige hinder van wolken of nevel door de smalle opening scheen. Nadat hij met de studenten die de observatie hadden bijgewoond was meegegaan en hun het nut van die uitvinding had getoond en uitgelegd, keerde hij terug naar huis. Eerst nuttigt hij een eenvoudige, lichte maaltijd, maar even later wordt hij bevangen door kou, huiverigheid en heftige onpasselijkheid, gevolgd door hevig overgeven en grote benauwdheid. Dit ging gepaard met een onlesbare dorst, pijn in zijn hoofd en alle ledematen en vermoeidheid in het hele lichaam. Deze verschijnselen, zo stond wel vast, veroorzaakten een niet aflatende en brandende koorts bij hem, zoals ook uit de symptomen van de gevolgen van een ontsteking215 bleek. Toen ik ’s ochtends heel vroeg uit mijn bed werd ontboden, vermoedde ik al snel dat het niet goed leek.
5
10
15
20
25
214 Vergilius, Georgica, I 208/209 (verta- 215 Het Griekse woord is een door ling Ida Gerhardt). De datum 11 Hippocrates gebruikte medische september is in de nieuwe gregoriterm voor de koorts ten gevolge van aanse stijl tien dagen later, dus 21 een ontsteking. september.
186 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 187
[ 61 ] 1 Misschien omdat ik bij hem, om wie ik zielsveel gaf, zelfs bezorgd was voor wat helemaal geen risico liep. Of omdat ik bang was dat zijn krachten nauwelijks opgewassen zouden zijn tegen die vreselijke kwaal waar onze Hippocrates juist de minder kwetsbare ouderen voor waarschuwt en die hij daarom des te gevaarlijker en fataler noemt. Maar intussen moest er een beslissing op medisch gebied worden genomen en werd er serieus nagedacht over de medicatie. Alles wat de wetten en uitspraken der medici voorschrijven is gedaan, maar, helaas, zonder enig resultaat. Dat lag in dit geval niet aan het gebod Verzet je in het begin,216 noch aan de wilskracht van de zieke, die de door God aangewezen middelen graag wilde gebruiken. Maar de oorzaak was eerder de hevigheid van de ziekte zelf en dat fatale uur waarop God besloten scheen te hebben hem te willen opnemen in de gemeenschap van burgers en bewoners van het hemelse paleis.Toen hij, die zijn leven en sterven als gewin beschouwde, dit voelde, heeft hij zich innerlijk voorbereid op het onvermijdelijk verscheiden van deze aarde. Zwaar viel hem dit niet, want hij was zich altijd bewust geweest van de menselijke broosheid. Hij had al lang volstrekt eerlijk de balans van zijn leven opgemaakt.217 Want hij wist dat de dood hem overal en altijd kon overvallen, zonder dat hij precies wist waar en wanneer. Na zijn testament opgesteld te hebben wachtte hij dus met een heel kalm geweten in volmaakte vrede op de dood. Hij wilde niet slechts met Socrates daar
5
10
15
20
25
216 Ovidius, Remedia Amoris, 91.
217 Verborgen citaat uit Plinius de Oudere, Historia Naturalis, 7, 44.
188 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 189
[ 62 ] 1 in gewijde stilte heen varen,218 maar met Simeon die gelukzalige verlossing219 deelachtig worden. Gelovig richtte hij dus zijn ogen op onze verlosser Jezus Christus, beseffend hoe zwaar hij gezondigd had. Ondanks de hevige pijn van zijn gekweld gemoed vond hij met een rotsvast vertrouwen en een innerlijke zekerheid geheel en al rust in de volledige rechtvaardiging door Christus. Hij die zich toch altijd al geheel toevertrouwde aan de goddelijke genade begeerde nu ontbonden te worden en met Christus te zijn. Met de dag, ja per uur en elk moment verminderden Metius’ krachten. Het ging zo snel dat hij op de vijfde dag na het begin van zijn ziekbed zijn stem al niet meer kon gebruiken. Maar toen was hij nog bij zijn volle bewustzijn en hij kon zijn vrome gedachten nog kenbaar maken, niet alleen door diep vanuit zijn binnenste te zuchten, maar ook met een knikje van de ogen en met naar de hemel reikende opgeheven handen. Dit deed hij vooral als er gebeden werden opgezegd, waar hij zeer aandachtig naar luisterde en die hij door zijn lippen te bewegen scheen mee te prevelen of na te zeggen. Uiteindelijk gaf hij op september, de zesde dag van zijn ziekte, door de grootste medicus Galenus treffend als tiran bestempeld, omstreeks het middaguur heel kalm en vredig de geest, onder de beden, zuchten en tranen van zijn vrouw en zijn vrienden. Het leek toen net alsof hij sliep, getroffen door de zachte dood waar de heidense keizer zo naar verlangde.220 O trieste, zwarte en onzalige dag, waarop de zon, waarvan hij omloop en baan had
5
10
15
20
25
218 Cf. Plato, Phaedo, 117, e. 219 Lucas 2:29. 220 Marcus Aurelius, de filosoof op de keizerstroon. Hij overleed kalm en
vredig op 17 maart 180. Zie Dio Cassius, Geschiedenis van Rome, 71, 33, 4.
190 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 191
[ 63 ] 1 nagespeurd, zijn stralen had moeten verbergen en tegenhouden. Want toen stierf de grootste wiskundige van onze tijd – het zij zonder afgunst te wekken gezegd–, de oogappel en nestor van onze academie, een sieraad van ons vaderland en van het zijne de glorie, de trouwste vriend, een toonbeeld van rechtschapenheid, onkreukbaarheid en volmaakte geleerdheid, over wie de faam vreest te liegen.221 Zijn weduwe verloor een geliefde en dierbare echtgenoot en wij allen een geweldige en unieke collega en vriend.Tevergeefs echter zijn het geween en de tranen waarmee wij hem uitgeleide doen. Met het volste recht kon hij de dichter nazeggen Laat niemand mij met tranen eren of jammeren op mijn graf, want mijn naam gaat van mond tot mond.222 Ik echter heb hartstochtelijk gehouden van onze overledene, zoals hij verdiende, om Plinius te citeren, maar het is juist een bewijs van genegenheid om hem niet met loftuitingen te overstelpen,223 voor wie niets aangenamer is dan het algemeen belang goed te dienen.224 Laat ons bedenken, toehoorders, dat hij ons is voorgegaan en dat wij ons vroeg of laat naar één en dezelfde plek moeten haasten.225 Hij is nu gevrijwaard voor alle rampen, tegenslagen en onrust in een zwaar geteisterd Europa en de zeer grote gevaren die ons allen te wachten staan. Laten wij intussen, toehoorders, uit
5
10
15
20
25
221 Ausonius, Septem Sapientum SentenGeorgica, 3, 9. tiae, I (over Bias van Priëne). 223 Plinius de Jongere, Epistolae, I, 14. 222 Ennius, zie noot 66, aangepast 224 Plautus, Captivi, 3, 2, 1. (‘funera fletu’).Verg. ook Vergilius, 225 Ovidius, Metamorphoses, 10, 33.
192 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 193
[ 64 ] 1 genegenheid en met gepast verdriet onze overledene uitgeleide doen. Als bewoner en burger van het hemels paleis kijkt hij nu neer op al het aardse en lacht. 226 Och mocht de almachtige God toch, toehoorders, de wond van dit zo grote verlies dat de academie getroffen heeft met een geschikte opvolger herstellen.227 Ja, moge Hij aan de Illustere Staten die gezindheid geven dat zij zo snel mogelijk een gerenommeerde en ervaren mathematicus benoemen op de leerstoel wiskunde, die deze studie nog groter glans zal kunnen verlenen en de afgestudeerden nog groter luister verschaffen. Gij nu, Jezus Christus, verlicht ons allen meer en meer met uw geest en bestuur en leid deze aan u en de kerk gewijde academie tot ieders welzijn. Amen. Ik heb gezegd.
5
10
226 Citaat uit Psalmen 2:4. 227 Nog geen drie weken na Metius’dood was er al een waarnemer gevonden voor de colleges in de wiskunde. Metius’ oud-student Christian Otterus schreef zich op 2 oktober in aan de Universiteit van Franeker en hij gaf in 1636 colleges
in de landmeetkunde in Franeker. Uiteindelijk werd Metius opgevolgd door Bernhardus Fullenius Sr. die al aan de universiteit verbonden was als hoogleraar Hebreeuws. Zie hiervoor Dijkstra, Between academics and idiots, hoofdstuk 4.
194 Wiskunde als familiebedrijf
Lijkrede 195
g e ra adple e gde l ite ratuur
afkortingen:
ASF: Album studiosorum Academiae Franekerensis NNBW: Molhuysen en Blok, Nieuw Nederlands Biographisch Woordenboek. OFAM: Oratio Funebris Adriani Metii.
aangehaalde en gebruikte literatuur
Ahndoril, Alexandra, Sterrenburcht (Amsterdam 2004). Alberts, Gerard, Eisso Atzema en Jan van Maanen, ‘Mathematics in the Netherlands. A Brief Survey with an Emphasis on the Relation to Physics, 1560-1950’, in: K. van Berkel, A. van Helden, L. Palm, A History of Science in the Netherlands, 367-399. Album studiosorum Academiae Franekerensis (1585-1811, 1816-1844). Naamlijst der studenten, ed. S.J. Fockema Andreae en Th.J. Meijer (Franeker 1968). Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae 1575-1875. Accedunt nomina curatorum et professorum per eadem secula, ed. Willem N. du Rieu (Leiden 1875). Allen, P.S. e.a. (ed.), Opus epistolarum Des. Erasmi Roterodami (12 dln; Oxford 1906-1958). Aten, Diederik e.a. (red.), Geschiedenis van Alkmaar (Zwolle [2007]). Banville, John, Kepler (Boston Massachusetts 1983). Beek, Leo, De geschiedenis van de Nederlandse natuurwetenschap (Kampen 2004). Belonje, J., ‘Biografische notities over Mr. Adriaan Anthonisz., superintendent der fortificatie’, Jaarverslag over 1970 van de Stichting Menno van Coehoorn, 42-47. Berkel, K. van, ‘Franeker als centrum van ramisme’, in: Jensma, Smit en Westra (red.), Universiteit te Franeker, 424-437. Berkel, K. van, ‘Het onderwijs in de wiskunde in Franeker in vergelijkend perspectief ’, It Beaken. Meidielingen fan de Fryske Akademy, 47 (1985), 214-235.
Louis Garreau, Vermeer’s astronoom. Ca. 1784. Gravure naar het bekende schilderij van Johannes Vermeer. Op tafel ligt ondermeer Metius Institutiones astronomicae (1614 of 1621).
196 Wiskunde als familiebedrijf
Geraadpleegde literatuur 197
Berkel, K. van, In het voetspoor van Stevin. Geschiedenis van de natuurwetenschap in Nederland 1580-1940 (Meppel 1985). Berkel, K. van, A. van Helden, L. Palm (red.), A History of Science in the Netherlands. Survey, Themes and Reference (Leiden 1999). Blaeu, Willem Jansz., Het licht der zee-vaert daerinne claerlijck beschreven ende afghebeeldet werden, alle de custen en de havenen etc. (Amsterdam 1608). Blaeu, Willem Jansz., Institution astronomique de luvsage des globes et sphères célestes et terrestres (Amsterdam 1669). Bitter, Peter, ‘Ommuurd, volgebouwd en uitgelegd’, in: Aten e.a. (red.), Geschiedenis van Alkmaar, 64-78. Blaeu, Joan., Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden, met hare beschrijvingen ([Amsterdam] [1649]). Boeles, W.B.S., Frieslands hoogeschool en het Rijksathenaeum te Franeker (3 vols; Leeuwarden 1878). Bokkinga, Anny, Extraordinaris. Betalingen aan geleerden (2 dln; Heerenveen 2010-2011). Bos, Henk, ‘De zeventiende eeuw – wiskunde aan het begin van de moderne tijd’, in: Machiel Keestra (red.), Een cultuurgeschiedenis van de wiskunde (Amsterdam 2006) 101-125. Breugelmans, R. en E. Dekker, ‘Adriaan Anthonisz and the Gregorian calendar’, in: T. Croiset van Uchelen, K. van der Horst and G. Schilder, ed., Theatrum orbis librorum. Liber amicorum presented to Nico Israel on the occasion of his seventieth birthday (Utrecht 1989) 137-157. Breuker, Ph.H., ‘Die Metius oan Alchemy by Caerl van Sternsee., Ut de Smidte 17 (1983) 30. Brod, Max, Tycho Brahe’s path to God (Evanston Ill. 2007). Christianson, John Robert, On Tycho’s Island. Tycho Brahe and his Assistants, 1570-1601 (Cambridge 2000). Cooper, Alix, ‘Homes and Households’, in: Park, Katharine en Lorraine Daston (red.), Early Modern Science. The Cambridge History of Science III (Cambridge 2006) 224-237. Davids, C.A., ‘‘Weest eenderley sins’. Jan Hendrickz. Jarichs van der Ley (ca. 1566 - 1639) en de eenheid in godsdienst en navigatie’, in: Daalder, R. e.a., Koersvast. Vijf eeuwen navigatie op zee. Een bundel opstellen aangeboden aan Willem Mörzer Bruyns bij zijn afscheid van het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam in 2005 (Amsterdam 2005) 132-141.
Davids, C.A., Zeewezen en wetenschap. De wetenschap en de ontwikkeling van de navigatietechniek in Nederland tussen 1585 en 1815 (Amsterdam 1985). Descartes, René, Over de methode. Dioptriek. Meteoren. Geometrie, red. Erik-Jan Bos, Han van Ruler en Wim Wilhelm (Amsterdam 2011). Dijksterhuis F.J., A. Dijkstra en T.J.H. Nicolaije, ‘Werktuigen van wiskunde. Instrumenten in boeken in de zeventiende-eeuwse wiskunde’, De zeventiende eeuw. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief. Tijdschrift van de werkgroep zeventiende eeuw, 26 (2010), 130-152. Dijkstra, Arjen, Het vinden van oost en west in het Friesland van de zeventiende eeuw, ongepubliceerde doctoraalscriptie (Leeuwarden 2007). Dijkstra, Arjen, Between academics and idiots. A cultural history of early modern mathematics in the Dutch province of Friesland, ongepubliceerde dissertatie (Haren 2012). Donkersloot-De Vrij, Topografische kaarten van Nederland vóór 1750. Handgetekende en gedrukte kaarten, aanwezig in de Nederlandse rijksarchieven (Groningen 1981). Dos Passos, John, U.S.A. (Harmondsworth enz. 1981). Een christalijnen bril voor den E. Magistraet der stadt Sneeck in Vrieslandt. Waerdoor sy aenschouwen moghen het schoone voornemen haerder predicanten, soo sy de hooghe overheyt nae haer wil mochten ghebruycken (s.l. 1602). Fasel, W.A., Alkmaar en zijne geschiedenissen. Kroniek van 1600-1813 (Alkmaar 1973). Finocchiaro, Maurice, Defending Copernicus and Galileo. Critical reasoning in the two affairs (Dordrecht-New York 2010). Finocchiaro, Maurice, Retrying Galileo, 1633-1992 (Berkeley 2005). Galileo Galilei, Sidereus Nuncius or The sidereal messenger, ingeleid en vertaald in het Engels door Albert van Helden (Chicago 1989). Goulding, Robert, Defending Hypatia. Ramus, Savile and the Renaissance rediscovery of mathematical history (Dordrecht 2010). Heesakkers, C.L., ‘De mortuis non nisi bene? The Leiden Neo-Latin Funeral Oration’, in R.Schnur e.a. (eds), Acta Conventus Neo-Latini Hafniensis. Proceedings of the Eighth International Conference of NeoLatin Studies, Copenhagen 1991, Medieval & Renaissance Texts & Studies, 120 (Binghampton 1994) 219-229.
198 Wiskunde als familiebedrijf
Geraadpleegde literatuur 199
Heesakkers, C.L., ‘Funeral oratory and poetry in the Low Countries’, in: Humanistica Lovaniensia. Journal of Neo-Latin Studies 56 (2007) 5-49. Helden, Albert van, Sven Dupré, Rob van Gent en Huib Zuidervaart, The origins of the telescope (Amsterdam 2010). Helden, Albert van, The Invention of the Telescope, [Transactions of the American Philosophical Society 67, nr. 4] (Philadelphia 1977) 1-67. Holwarda, J.P., Dissertatio astronomica (Franeker 1640). Holwarda, J.P., Epitome Astronomiae Reformatae Generalis (Franeker 1654). Honich, Tymen, Een christalynen bril daar door men zien kan van Holland af, tot in Engeland toe, eenigher oproeriger predicanten bedrijf (s.l. 1612). Indice ultimo de los libros prohibidos (Madrid 1790). Jensma, Goffe, ‘Uit het huis van Arcerius. Acht ‘artes’-studenten en hun opvattingen over wetenschap en maatschappij, 1589-1639’, in: Jensma, Smit en Westra (red.), Universiteit te Franeker, 452-469. Jensma, Goffe, Adriaan Metius en de wiskundige wetenschappen, 1571-1635, Ongepubliceerde doctoraalscriptie nieuwe geschiedenis (Groningen 1981). Jensma, G.Th., F.R.H. Smit en F. Westra (red.), Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese hogeschool (Leeuwarden 1985). Kaptein, Herman, ‘Streekcentrum in wording’, in: Aten e.a. (red.), Geschiedenis van Alkmaar, 91-103. Korgt, Peter van der, Globi Neerlandici. The production of globes in the Netherlands (Utrecht, 1993). Kroniek van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht (Vol. 3-1; Utrecht 1855). Lausberg, Heinrich, Handbuch der literarischen Rhetorik. Eine Grundlegung der Literaturwissenschaft (München 1960). Lebrun, Jean-Baptiste Pierre, Galerie des peintres flamands, hollandais et allemands (3 delen; Parijs 1792-1796). Leeman, A.D., Orationis Ratio. The stilistic theories and practice of the Roman orators, historians, and philosophers (Amsterdam 1963). Libavius, Andreas, Alchymia Andreae Libavii, recognita, emendata, et aucta, tum dogmatibus & experimentis non-nullis (Frankfort 1606). Libavius, Andreas, Syntagma selectorum undiquaque et perspicue traditorum Alchymiae arcanorum (Frankfort 1611-1613). Lüthy, Christoph en Leen Spruit, ‘The Doctrine, Life and Roman Trial of the Frisian Philosopher Henricus de Veno (1574?-1613)’, Renaissance Quarterly 56 (2003) 1112-1151. 200 Wiskunde als familiebedrijf
Moll, Gerrit, ‘Geschiedkundig onderzoek naar de eerste uitvinders der verrekijkers, uit de aantekeningen van wijle de hoogleraar J.H. van Swinden zamengesteld’, Nieuwe Verhandelingen der Eerste Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, 3 (1831), 103-209. Molhuysen, P.C. en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (10 dln; Leiden 1911-1937). Monconys, Balthasar de, Journal des voyages. Enrichi de quantité de figures en taille-douces (2 dln; Parijs 1677). Netten, Djoeke van, Nicolaus Mulerius (1564-1630). Een geleerde uit Groningen in de discussies van zijn tijd (Groningen 2010). Netten, Djoeke van, Koopman in Kennis. De uitgever Willem Jansz Blaeu (1571-1638) in de geleerde wereld van zijn tijd (Zutphen 2012). Nieuwen, klaren astrologen-bril, tot versterking van ... ooghen, die niet wel en connen sien, die duystere Jesuyten comeet-sterre (s.l. [1608]). Novus index librorum prohibitorum et expurgatorum ([Rome] 1632). Paracelsus, Aureolus, Bücher und Schriften (Straatsburg 1603). Regteren Altena, I.Q. van, Jacques de Gheyn, three generations, ed. A.L.W. van Regteren Altena-van Royen, vert. Mary Charles (3 vols; Den Haag 1983). Reeves, Eileen, ‘Complete inventions. The mirror and the telescope’, in: Van Helden, e.a., The origins of the telescope, 167-182. Reeves, Eileen, Galileo’s glassworks. The telescope and the mirror (Cambridge Massachusetts 2008). Reeves, Eileen en Albert van Helden, On sunspots. Galileo Galilei and Christoph Scheiner (Chicago 2010). Röckelein, Hedwig, Gerd Brinkhus en Arno Mentzel-Reuters, Die lateinischen Handschriften der Universitätsbibliothek Tübingen (2 dln; Wiesbaden 1991). Schippers, H.K., ‘Fuotprinten fan in mannich Fryske stjerrekundigen’, It Beaken: Meidielingen fan de Fryske Akademy, 24 (1962), 77-104. Schoonbeeg, P. en F. Akkerman, ‘De Latijnse stijl van Ubbo Emmius’, in: W. J. Kuppers ed., Ubbo Emmius. Een Oostfries geleerde in Groningen (Groningen-Emden 1994) 63-80. Seventy-Seven Neo-Latin letters. An Anthology, Ed. F.F. Blok (Groningen 1985). Siercksma, Siericus, Tonneel der steeden. Alckmaer, Joan Blaeu, 1652, hertaling: Marijke Joustra e.a.; red. Joost Cox ([Alkmaar] 2002). Skelton, R.A., ‘Bibliographical note’, in: Lucas Jansz. Waghenaer, Spieghel der zeevaerdt (Facsimile; Lausanne 1964), v-xi. Geraadpleegde literatuur 201
Snelders, H.A.M., ‘Alkmaarse natuurwetenschappers uit de 16de en 17de eeuw’, in: Van Spaans beleg tot Bataafte tijd. Alkmaars stedelijk leven in de 17de en 18de eeuw (Alkmaarse historische reeks, 4) (Zutphen 1980) 101-122. Sobel, Dava en William J.H. Andrewes, The illustrated longitude (New York 19982). Sobel, Dava, Galileo’s daughter. A historical memoir of science, faith, and love (New York 1999). Struik, D.J., Geschiedenis van de wiskunde (Utrecht 19903). Struik, D.J., Land van Stevin en Huygens (Amsterdam 1958). Terpstra, H., Friesche Sterrekonst. Geschiedenis van de Friese sterrenkunde en aanverwante wetenschappen door de eeuwen heen (Franeker 1981). Thoren,Victor, E. en John Robert Christianson, The lord of Uraniborg. A biography of Tycho Brahe (Cambridge 1990). Tierie, Gerrit, Cornelis Drebbel (1572-1636) (Engelse editie; Amsterdam 1932). Vermij, Rienk, ‘The telescope at the court of stadholder Maurits’, in:Van Helden, e.a., The origins of the telescope, 73-92. Vermij, Rienk, Kleine geschiedenis van de wetenschap (Amsterdam 2006). Vermij, Rienk, The Calvinist Copernicans. The reception of the new astronomy in the Dutch Republic, 1575-1750 (Amsterdam 2002). Vis, Jurjen, ‘Centrum van de Hollandse reformatie’, in: Aten e.a. (red.), Geschiedenis van Alkmaar, 134-145. Vriemoet, Emo Lucius, Athenarum Frisiacarum libri duo (Leeuwarden 1758). Waard (ed.), Cornelis de, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 1. 1604-1619 (Den Haag 1939). Waard, Cornelis de, De uitvinding der verrekijkers. Eene bijdrage tot de beschavingsgeschiedenis (’s-Gravenhage 1906). Waterbolk, E.H., ‘Heeft de hogeschool te Franeker een stamboom’, in: Idem, Omtrekkende bewegingen, 146-159. Waterbolk, E.H., ‘Met Willem Lodewijk aan tafel’, in: Idem, Verspreide opstellen (Amsterdam 1981) 296-315. Waterbolk, E.H., Omtrekkende bewegingen. Opstellen aangeboden aan de schrijver bij zijn tachtigste verjaardag (Hilversum 1995). Waterbolk, E.H., ‘Van grafrede naar biografie’, in: Ubbo Emmius, Willem Lodewijk, graaf van Nassau (1560-1620). Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, P. Schoonbeeg e.a. eds. (Hilversum 1994) 9-28.
Waterbolk, E.H., ‘Van scherp zien en blind zijn’, in: Idem, Omtrekkende bewegingen, 190-200. Wepster, Steven A., Between theory and observations. Tobias Mayer’s explorations of lunar motion, 1751-1755 (New York 2010). Westra, Frans, Nederlandse ingenieurs en de fortificatiewerken in het eerste tijdperk van de Tachtigjarige Oorlog, 1573-1604 (Alphen aan de Rijn 1992). Willach, Rolf, ‘The long road to the invention of the telescope’, in:Van Helden, e.a., The origins of the telescope, 93-114. Winsemius, Pier, Chronique ofte Historische geschiedenisse van Vrieslant beginnende vanden jaere nae des werelts scheppinghe 3635 ende loopende totden jaere nae de gheboorte Christi 1622 (Franeker 1622). Winter, P.J. van, Hoger beroepsonderwijs avant-la-lettre. Bemoeiingen met de vorming van landmeters en ingenieurs bij de Nederlandse universiteiten van de 17e en 18e eeuw (Amsterdam 1988). Wolfe, Jessica, Humanism, machinery, and Renaissance literature (Cambridge 2004). Wortel, Th.P.H., ‘Adriaen Anthonisz., de vestingbouwer’, in: Idem, Uit de geschiedenis van Alkmaar en omgeving (Bergen 1990), 175-218. Woude, Cornelis van der, Kronyk der stad Alkmaer, met desselfs omgeleegene dorpen, heerlykheeden,en adelyke gebouwen, waar in verhaald worden de voornaamste oorlogen, en onlusten der Kenmers, en Westvriesen. Beneevens de voornaamste previlegien, handvesten, costumen, en ordonnantiën (Amsterdam 1725). Wreede, Liesbeth de, Willebrord Snellius (1580-1626). A humanist reshaping the mathematical sciences. Ongepubliceerde dissertatie (Utrecht 2007). Zoomers, Henk en Huib J. Zuidervaart, Embassies of the King of Siam sent to his excellency prince Maurits, arrived in The Hague on 10 September 1608. An Early 17th-Century Newsletter, reporting both the Visit of the First Siamese Diplomatic Mission to Europe and the First Documented Demonstration of a Telescope Worldwide (Wassenaar, 2008). Zuidervaart, Huib. J., ‘The ‘true inventor’ of the telescope. A survey of 400 years of debate’, in:Van Helden, e.a., The origins of the telescope, 9-44. Zuidervaart, H.J. en L. Nellissen, De echte uitvinder van de telescoop (Middelburg 2008; overdruk uit Archief, mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 2007).
202 Wiskunde als familiebedrijf
Geraadpleegde literatuur 203
bibliog ra f i e van adri a an meti u s
Djoeke van Netten
jaartal titel impressum [drukker en uitgever] formaat indeling eventuele extra informatie over herdrukken, bewerkingen, vertalingen en convoluten 1598 Doctrinae sphaericae lib. V Frankcofurti ex officina M. Zachariae Palthenij [Palthenius] in 16˚ 5 delen 1605 Universae astronomiae brevis, dilucida & facilis institutio Franekerae, ex officina Aegidii Radaei, ordinum Frisiae typographi [Van den Rade] in 8˚ 3 delen (met eigen titelpagina’s; boek 2 en 3 gedateerd 1606) het eerste boek is een nieuwe editie van 1598 1608 Institutionum astronomicarum tomi tres Franekerae, excudebat Aegidius Radaeus, ordinum Frisiae typographus [Van den Rade] in 8˚ 4 delen (met eigen titelpagina’s; boek 2 en 3 gedateerd 1606) titeluitgave van 1e drie delen van 1605 1608A Institutionum astronomicarum tomi tres Franekerae, excudebat Aegidius Radaeus, ordinum Frisiae typographus ... Exstant in officina Ioannis Ioanni [Van den Rade voor Jan Jansz] in 8˚ titeluitgave van 1608 1611 Arithmeticae et geometriae practica Franequerae, excudebat Rombertus Doyema. Prostant in Officina Lugdunensi apud Elsevirium [Doyema voor Elzevier] in 4˚ 2 delen arithmeticae en 2 delen geometriae
1614 Institutiones astronomicae & geographicae, fondamentale ende grondelijcke onderwysinge Ghedruct tot Franeker, by Thomas Lamberts Salwarda.Voor Willem Jansz, tot Amsterdam in de Sonnewyser [Salwarda voor Blaeu; voorwerk gedrukt door Blaeu] in 4˚ 4 delen Nederlandse editie van delen van 1605 altijd in één band met 1614A 1614A Nieuwe geographische onderwysinghe Tot Franeker, by Thomas Lamberts Salwarda [Salwarda] in 4˚ Nederlandse editie van delen van 1605 meestal in één band met 1614, ook wel met 1621 1621 Institutiones astronomicae & geographicae, fondamentale ende grondelijcke onderwysinge ’t Amsterdam, by Willem Jansz, woonende op’t water inde Sonnewyser [Blaeu] in 4˚ 4 delen nieuwe editie van 1614 meestal in één band met 1621A, ook wel met 1614A 1621A Nieuwe geographische onderwysinghe ’t Amstelredam, by Willem Jansz, op’t water inde Sonnewyser [Blaeu] in 4˚ nieuwe editie van 1614A 1623 Praxis nova geometrica per usum circini et regulae proportionalis Franekerae, ex officina Ulderici Dominici Balck, ordinum Frisiae & eorundem Academiae typographi. Expensis Iohannis Iansonii, bibliopol. Amstelrodami [Balck voor Janssonius] in 4˚ 1624 De genuino usu utriusque globi tractatus Franekerae, excudebat Uldericus Balck, ordinum Frisiae typographus. Sumptibus Joannis Jansonii, bibliopolae Amstelodamensi [Balck voor Janssonius] in 4˚ 4 delen, en vervolgens (met eigen titelpagina) ‘Mensura geographica et usus globi terrestris’ in 2 delen nieuwe editie van delen van 1605; vertaald door Bernardus Schotanus
204 Wiskunde als familiebedrijf
Bibliografie van Adriaan Metius 205
1625 Arithmetica et geometria nova Franekerae, excudebat Uldericus Balck, ordinum Frisiae typographus [Balck] in 4˚ 2 delen arithmeticae en 6 delen geometriae (met eigen titelpagina’s voor deel 1 en 2 samen en voor delen 3, 4, 5 en 6, deze laatste 4 gedateerd 1625) nieuwe editie van 1611 en 1623 (ook nieuwe delen) 1626 De genuino usu utriusque globi tractatus Amstelodami, apud Guiljelmum Janssonium Caesium [Blaeu] 4 delen, en vervolgens (met eigen titelpagina gedateerd 1626) ‘Mensura geographica et usus globi terrestris’ in 2 delen nieuwe editie van 1624; vertaald door Bernardus Schotanus 1626A Arithmeticae libri duo et geometriae lib. VI Lugd. Batavorum, ex officina Elzeviriana [Balck voor Elzevier] in 4˚ 2 delen arithmeticae en 6 delen geometriae (met eigen titelpagina’s van Balck voor deel 1 en 2 samen en voor delen 3, 4, 5 en 6, deze laatste 4 gedateerd 1625) titeluitgave van 1625 (zelfde zetsel) 1626B Astrolabium, hoc est astrolabii utriusque accurata descriptio Impensis Hen. Laurentij Bibliopolae Amstelodam. Franekerae, excudebat Uldericus Balck, ord. Frisiae & eorundem Academiae typog. [Balck voor Laurensz] in 8˚ nieuwe uitgebreide editie van het 2e boek van 1605 1626C Maet-constigh liniael, ofte proportionalen ry ende platten passer Ghedruct tot Franeker, by Ulderick Balck, boekdrucker ordinaris der E.E. Heeren Staten van Vrieslandt. Men vintse te koop tot Leyden, by Bonaventura ende Abraham Elzevier [Balck voor Elzevier] in 4˚ 3 delen, en vervolgens (met eigen titelpagina gedateerd 1626) ‘Fortificatie ofte sterckten-bouwinghe’ Nederlandse editie van 1625 en van 1623; in het Nederlands vertaald door Petrus Baardt 1626D Astronomiae brevis, dilucida et facilis institutio Impensis Hen. Laurentij Bibliopolae Amstelodam. Franekerae, excudebat Uldericus Balck, ord. Frisiae & eorundem academiae typog. [Balck voor Laurensz] in 8˚ in 5 delen titeluitgave van 1608
1627 Fundamentale onderwysinghe aengaende de fabrica ende het veelvoudigh ghebruyck van het astrolabium Voor Hendrick Louwerens boeckvercooper tot Amsterdam. Tot Franeker, ghedruckt by Ulderick Balck, geordineerde boeckdrucker der E.H.H. Staten van Frieslandt [Balck voor Laurensz] in 4˚ 3 delen (met eigen titelpagina gedateerd 1627 voor deel 2 en 3) Nederlandse editie van 1626B 1627A Eeuwighe handt-calendier Tot Amsterdam, by Jan Jansz boeckvercooper op’t Water, in de pas-caert [Balck voor Janssonius] in 8˚ 1627B Tafelen van de declinatie des sons ende eenigher der sterren Ghedruckt tot Franeker, by Ulderick Balck, voor Jan Jansz boeckvercooper, woonende inde Pascaert opt Water tot Amsterdam [Balck voor Janssonius] in 8˚ 1628 Eeuwighe handt-calendier Tot Rotterdam, by Jan van Waesberghe, op de Koorenmarckt [Van Waesberghe] in 8˚ roofdruk van 1627A en 1627B 1631 Primum mobile Amstelodami, apud Ioannem Ianssonium [Balck voor Janssonius] in 4˚ 4 delen (met eigen titelpagina’s van Balck voor delen 2, 3 en 4, deel 3 gedateerd 1631; ook een eigen titelpagina voor lib. 5 van deel 1 gedateerd 1630) nieuwe editie van 1605 en 1626B 1632 Astronomische ende geographische onderwysinghe Tot Amsterdam, by Hendrick Lauwerensz, boeckvercooper op’t Water, in’t Schrijf-boeck [Balck voor Laurensz] in 4˚ 5 delen (met eigen titelpagina’s van Balck voor delen 2, 3, 4 en 5 gedateerd 1632) nieuwe editie van 1614 1632A Nieuwe astronomische ende geographische onderwysinghe Gedruckt bij Ulderick Balck, Ordinaris drucker van Frieslandt [Balck] in 4˚ 5 delen (met eigen titelpagina’s gedateerd 1632) titeluitgave van 1632 (zelfde zetsel; opdracht en privilege ontbreken)
206 Wiskunde als familiebedrijf
Bibliografie van Adriaan Metius 207
1632B Astrolabii particularis et catholici descriptio Amsterdami, apud Guilielmum Blaeu [Blaeu] in 4˚ 3 delen nieuwe editie van 1626B, als tomus secundus opgenomen in 1633 (zelfde zetsel, andere titelpagina) 1633 Primum mobile Amsterdami, apud Guilielmum Blaeu [Blaeu] in 4˚ 4 delen (met eigen titelpagina’s gedateerd 1632) nieuwe editie van 1631, bewerkt door Willem Jansz Blaeu altijd in één band met 1633A
1633A De theoria et motu solis Amsterdami, ex typographia Guilielmi Blaeu [Blaeu] in 4˚ nieuwe editie van een deel van 1605, bewerkt door Willem Jansz Blaeu altijd in één band met 1633 1633B Manuale arithmeticae & geometriae practicae Tot Franeker, ghedruckt by Ulderick Balck, ordinaris landtschaps boeckdrucker [Balck] in 8˚ 3 delen Nederlandse editie van delen van 1611, 1625 en 1626C 1634 Manuale arithmeticae & geometriae practicae Tot Amsterdam, by Henderick Laurentsz, boeckvercooper op’t Water, int Schrijf-boeck [Balck voor Laurensz] in 8˚ 3 delen titeluitgave van 1633B (zelfde zetsel, met extra voorwoord) 1640 Arithmeticae libri duo et geometriae libri VI Lugduni Batavorum, sumptibus Bonaventurae & Abrahami Elseviriorum [Balck voor Elzevier] in 4˚ 2 delen arithmeticae en 6 delen geometriae (met eigen titelpagina’s van Balck voor deel 1 en 2 samen en voor delen 3, 4, 5 en 6 gedateerd 1640) nieuwe editie van 1625, bewerkt door Bernardus Fullenius 1646 Manuale arithmeticae et geometriae practicae Tot Franeker, gedruckt by Ulderick Balck, ordinaris landschaps ende academie boeckedrucker [Balck] in 8˚ 3 delen
208 Wiskunde als familiebedrijf
(With Arjen Dijkstra, Piter van Tuinen and Djoeke van Netten), Wiskunde als familiebedrijf. Menelaus Winsemius lijkrede op Adriaan Metius (1571-1635). E.H. Waterbolk-reeks 4 (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2012).
Uploaded by
Goffe Jensma
105 Pages
Sign up
Before we can start your download,
please take a moment to join our community
of 21,077,601 academic researchers.

Download PDFs for
over 5.7 Million papers

Share your papers
with other researchers

See analytics on your
profile & papers

Follow other people
in your field
